Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1784

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/379
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 4 maart 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 februari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de hem opgelegde heffing op grond van de Heffingsverordening preventie runderziekten PVV 2000 (hierna: de Heffingsverordening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/379 19 december 2003

4032 Heffing

Heffing preventie runderziekten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigden: mr. P.A.M. Broers en P.G.G.A. de Ruyter, beiden werkzaam bij het gemeenschappelijk secretariaat van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Op 4 maart 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 februari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de hem opgelegde heffing op grond van de Heffingsverordening preventie runderziekten PVV 2000 (hierna: de Heffingsverordening).

Op 1 mei 2002 is van verweerder een verweerschrift ontvangen.

Bij nadere memorie van 20 januari 2003 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Op 5 februari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij verweerder bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellant heeft zich met bericht van verhindering niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

Het College heeft zijn uitspraak aangehouden in verband met vragen die waren gerezen in een vergelijkbare procedure, waarin heden onder nummer AWB 01/830 uitspraak is gedaan.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 8 december 1999 heeft het bestuur van verweerder de Heffingsverordening vastgesteld. Deze houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 2

1.De ondernemer die runderen houdt is in het jaar 2000 aan het productschap een heffing van f 50,- per UBN verschuldigd.

2.De ondernemer die runderen houdt is in het jaar 2000, naast de in het eerste lid bedoelde heffing, over de door hem gehouden runderen, een heffing verschuldigd ten bedrage van:

f 1,25 per rund jonger dan 1 jaar;

f 5,00 per rund van 1 tot 2 jaar;

f 3,90 per rund van 2 jaar en ouder.

(…)

Artikel 6

1.Deze verordening kan worden aangehaald als de "Heffingsverordening preventie runderziekten PVV 2000".

2.Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het Verordeningenblad bedrijfsorganisatie en werkt terug tot 1 januari 2000."

In de toelichting bij de heffingsverordening staat het volgende:

"Ten opzichte van de heffingsverordening preventie runderziekten is een wijziging aangebracht waar het vleeskalveren betreft. Een deel wordt betaald door de houder van vleeskalveren en een deel door de eigenaar door middel van een daarmee corresponderende verhoging van de heffing bij slacht t.b.v. het kalverfonds. Het tarief wordt t.o.v. dat voor 1999 licht verhoogd i.v.m. de stijging van de kosten van het (beheer van het) I & R-systeem.

De heffingsverordening is na goedkeuring door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie van 16 maart 2001.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij factuur van 10 november 2000 is aan appellant op grond van de Heffingsverordening voor de door hem in het derde en vierde kwartaal van het jaar 2000 gehouden runderen een heffing opgelegd van fl. 195,33.

- Tegen deze heffingsaanslag heeft appellant bij brief van 23 december 2000 een bezwaarschrift ingediend.

- Bij brief van 7 augustus 2001 heeft verweerder appellant medegedeeld dat de heffingsaanslag van 10 november 2000 wordt ingetrokken. Bij factuur van gelijke datum heeft verweerder appellant opnieuw een heffing opgelegd van fl. 195,33 voor de door hem in het derde en vierde kwartaal gehouden runderen.

- Op 3 september 2001 heeft appellant verklaard zijn bezwaar tegen de heffingsaanslag te willen aanvullen.

- Op 1 oktober 2001 heeft appellant zijn bezwaar nader aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is, voorzover hier van belang, als volgt overwogen en beslist:

"Reeds omdat de factuur van 10 november 2000 is ingetrokken en dit besluit niet meer bestaat, is het daarentegen nog bestaande bezwaar niet-ontvankelijk. Wel ontvankelijk is uw als bezwaarschrift tegen het besluit van 7 augustus 2001 aangemerkt bericht. Daaromtrent merkt het productschap het volgende op.

Met ingang van 1 januari 1998 is een aantal taken van het Landbouwschap door het PVV overgenomen, waaronder die met betrekking tot de preventieve gezondheidszorg voor runderen. Deze heffing wordt namens het PVV geïnd door de Gezondheidsdienst voor Dieren. De heffing wordt opgelegd voor alle bij de Gezondheidsdienst voor Dieren geregistreerde UBN's. De opbrengsten van de heffing worden aangewend voor de financiering van collectieve activiteiten die van belang zijn voor de continuiteit van de sector op het terrein van de gezondheidszorg in de rundvee- en kalverhouderij. Zo wordt een deel van de opbrengst o.a. gebruikt ter dekking van de centrale kosten voor het I&R-systeem en een deel ter dekking van kosten voor de organisatie van het IBR-bestrijdingsprogramma. De doeleinden waarvoor de heffing wordt ingesteld en het niveau van de heffing wordt vastgesteld door het Bestuur van het PVV waarin diverse organisaties in de rundveehouderij zijn vertegenwoordigd. De heffing wordt dus ingesteld voor de financiering van zaken waar elke rundveehouder baat bij heeft en waarvoor geen rekening kan worden gestuurd op basis van het gebruik dat iemand ervan maakt.

(…)

Voor zover u betoogt dat bij het opleggen van de heffing onjuiste toepassing is gegeven aan de heffingsverordening zonder dat goederen of diensten zijn geleverd, wordt opgemerkt dat bij de toepassing van de verordening geen rekening wordt en kan worden gehouden met het al dan niet gerealiseerde profijt, zoals ook uit het voorgaande volgt. Voorts zij opgemerkt dat u ondernemer bent in de zin van de Heffingsverordening. Door u wordt niet gesteld, noch is gebleken dat het aantal op de factuur vermelde runderen onjuist zou zijn, zodat van de juistheid hiervan wordt uitgegaan.

Nu niet is gebleken dat de heffing op onjuiste gronden is opgelegd, verklaart het productschap uw bezwaar ongegrond en bepaalt dat de bij voormeld besluit opgelegde heffing in stand blijft."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het is onbegrijpelijk en onjuist dat zonder meer een heffing kan worden opgelegd - lees: een rekening kan worden gestuurd - op basis van een bepaald bedrag per rund, zonder dat wordt aangetoond in welke mate hiervan wordt geprofiteerd of van welke diensten gebruik wordt gemaakt. Indien concreet wordt aangegeven welke goederen of diensten exact door de Gezondheidsdienst voor Dieren of door verweerder zijn geleverd, zou dit, gelet op het profijtbeginsel, een ander licht op de zaak werpen. Het is immers niet meer dan redelijk dat degene die gebruik wenst te maken van een instelling of goederen wil ontvangen hiervoor een rekening krijgt gepresenteerd. Het kan echter niet zo zijn dat een heffing per dier wordt opgelegd om een begroting sluitend te krijgen.

5. De beoordeling van het geschil

Gesteld noch gebleken is dat verweerder de grondslagen, waarnaar de in geding zijnde heffing is berekend, onjuist heeft vastgesteld, dan wel dat deze berekening anderszins onjuist zou zijn. Dit betekent dat het bestreden besluit slechts voor vernietiging in aanmerking zou komen, indien geoordeeld moet worden dat de Heffingsverordening, die aan de in geding zijnde heffing ten grondslag ligt, onverbindend is.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd levert echter geen grond op voor zulk een oordeel. Hiertoe overweegt het College als volgt.

Zoals het College reeds meermalen heeft overwogen, is de bevoegdheid tot het opleggen van een heffing als de onderhavige niet afhankelijk van het profijt dat de individuele ondernemer al dan niet heeft dan wel meent te hebben bij de hiermee bekostigde activiteiten. Anders dan appellant heeft gesteld, behoeft door verweerder derhalve niet te worden aangetoond in welke mate appellant van de heffing heeft geprofiteerd. In dit verband overweegt het College voorts dat het bestuur van het Productschap Vee en Vlees bij de vaststelling van de Heffingsverordening niet heeft gehandeld in strijd met hogere regels van geschreven of ongeschreven recht door de kosten, die zijn gemoeid met het I&R-systeem en de organisatie van het IBR-bestrijdingsprogramma, om te slaan over ondernemers die runderen houden en die in deze hoedanigheid van evenbedoelde activiteiten zullen profiteren.

Gelet op het vorenoverwogene, dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. C.J. Borman en mr. H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens