Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1783

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/168
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 27 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit tot vaststelling van de aan appellante toekomende subsidie ingevolge het Besluit subsidies energieprogramma's op een bedrag van € 61.204,79.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/168 18 december 2003

27314 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies energieprogramma's

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Anodiseren, te Nieuwegein, appellante,

gemachtigden: M. Koot en dr. ir. R. Kousbroek, respectievelijk voorzitter en secretaris van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. Y.M.E. Liedekerken, werkzaam bij Nederlandse Organisatie voor Energie en Milieu (Novem) te Sittard.

1. De procedure

Op 27 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit tot vaststelling van de aan appellante toekomende subsidie ingevolge het Besluit subsidies energieprogramma's op een bedrag van € 61.204,79.

Op 16 april 2003 heeft het College terzake van dit beroep een verweerschrift ontvangen.

Op 23 september 2003 heeft verweerder op verzoek van het College nadere stukken overgelegd.

Op 13 november 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun voornoemde gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Besluit subsidies energieprogramma's (hierna: Besluit) is ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de subsidie-ontvanger in de bij de subsidieverlening vermelde periode gemaakte en betaalde kosten:

(…)

Artikel 10

Een beschikking op een aanvraag, inhoudende een toezegging van subsidie, bevat een vermelding van:

a. (…)

(…)

e. het tijdstip waarop het project moet zijn uitgevoerd;

f. de periode waarin projectkosten kunnen worden gemaakt, die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het definitieve bedrag van de subsidie."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, ondertekend op 15 mei 1997 en door Novem ontvangen op 21 mei 1997, heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van het Besluit voor het project "Mechanisch beitsen van aluminium".

- Bij brief van 8 september 1998 heeft Novem appellante onder meer het volgende bericht:

"Naar aanleiding van uw aanvraag van 15 mei 1997, (…) verleent Novem op grond van het Besluit subsidies energieprogramma's en het programma Lichte Industrie aan u een subsidie voor het project "Het mechanisch beitsen van aluminium". (…)

Het project wordt door u uitgevoerd in de periode van 1 december 1996 tot 31 december 1998. Alleen projectkosten die in de periode van 1 december 1996 tot 1 maart 1999 worden gemaakt en betaald komen voor subsidiëring in aanmerking. (…)"

- Bij brief van 7 januari 1999 heeft Novem aan appellante bericht dat akkoord wordt gegaan met wijziging van de einddatum van dit project in 31 december 1999, terwijl is bepaald dat de periode, waarin projectkosten moeten worden gemaakt en betaald om voor subsidiëring in aanmerking te komen, loopt tot 28 februari 2000. In deze brief wordt appellante meegedeeld dat geen verder uitstel (meer) zal worden verleend.

- Op 25 februari 2002 is door Ernst & Young een accountantsverklaring opgesteld.

Hierin wordt het volgende - voor zover thans van belang - opgemerkt:

"Bevinding

Betreffende de in de aanvraag om subsidievaststelling vermelde projectkosten merken wij op dat NLG 89.634 gebaseerd is op proforma facturen.

Oordeel

Op grond van ons onderzoek zijn wij van oordeel dat:

· (…)

· met uitzondering van bovenstaande bevinding zijn de kosten daadwerkelijk betaald;

· (…)"

- Bij daartoe bestemd formulier, bij Novem ingekomen op 4 maart 2002, heeft appellante een aanvraag ingediend tot vaststelling van de onderhavige subsidie.

- Bij besluit van 29 april 2002 heeft Novem het definitieve subsidiebedrag voor het onderhavige project vastgesteld op € 61.204, 79. Hierbij is tevens medegedeeld dat de subsidiabele projectkosten zijn vastgesteld op € 94.161, 21 (fl. 207.504,--) en dat de in de accountantsverklaring genoemde "kostenpost" ad. fl. 89.634,-- in mindering is gebracht omdat deze kosten niet aan artikel 4 van het Besluit voldoen.

- Bij brief van 29 mei 2002, door Novem ontvangen op 30 mei 2002, heeft appellante bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 juni 2002, door Novem ontvangen op 10 juni 2002, heeft appellante haar bezwaar nader onderbouwd.

- Op 6 augustus 2002 is appellante gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Dit besluit houdt - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende in:

Bij de beoordeling van het verzoek tot subsidievaststelling bleek dat voor een bedrag van fl. 89.634,-- geen facturen overgelegd konden worden waarvan de kosten zowel gemaakt als betaald zijn, zoals is vereist in artikel 4 van het Besluit.

In het betoog van appellante dat tussen haar en haar projectuitvoerder afspraken zijn gemaakt inhoudend dat de projectdeelnemers pas na ontvangst van de subsidie de gemaakte kosten betaald krijgen, ziet verweerder geen aanleiding om voorbij te gaan aan het bepaalde in het Besluit. De afspraken waarop appellante zich beroept betreffen afspraken met derden die geen betrekking kunnen en mogen hebben op de wijze waarop verweerder de subsidieregeling dient te toetsen.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante aangegeven dat een aantal facturen

- van A (twee facturen) en van B (één factuur) - tezamen een waarde vertegenwoordigend van f. 23.037,50, inmiddels is voldaan door appellante. De kosten vermeld in deze facturen zijn echter niet tijdig gemaakt en betaald, zoals vereist in artikel 4 van het Besluit.

In dit verband wijst verweerder er op dat de data voor de projectperiode al drie keer zijn aangepast waarbij door Novem bij brief van 7 januari 1999 is medegedeeld dat een verder uitstel niet gehonoreerd zou worden.

Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van verweerder hier - zakelijk weergegeven - het volgende aan toegevoegd:

Verweerder sluit uit dat - zoals appellante in beroep betoogt - tussen de toenmalige contactpersoon van appellante bij Novem, C, en appellante afspraken zijn gemaakt dat ook pro forma facturen tot de subsidiabele projectkosten zouden worden gerekend. Een dergelijke afwijking van de in het Besluit gestelde regels zou ongewenste precedentwerking tot gevolg hebben. Juist omdat een dergelijke afspraak in strijd is met het Besluit, had van appellante mogen worden verwacht dat zij, indien zo'n afspraak gemaakt zou zijn, er op aangedrongen zou hebben dat deze op enigerlei wijze schriftelijk zou worden bevestigd of op andere wijze zou worden vastgelegd.

Na de hoorzitting in bezwaar heeft D, medewerker van Novem, contact opgenomen met C. C deelde D daarop mede dat pro forma facturen slechts zijn geaccepteerd, indien Novem niet bekend was met het feit dat het om dergelijke facturen ging. Het Besluit werd te allen tijde strikt toegepast.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

De toenmalige projectleider, E, heeft overleg gehad met Novem met betrekking tot het hanteren van pro forma facturen. Novem heeft toegestaan dat bedragen waarop deze facturen betrekking hebben tot de subsidiabele projectkosten worden gerekend. Uit de definitief te betalen subsidie zouden de pro forma facturen dan alsnog voldaan worden.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar is door D, medewerker van Novem, bevestigd dat deze handelwijze destijds werd gehanteerd.

Het project is vervolgens uitgevoerd in goed vertrouwen dat bovenstaande handelwijze was goedgekeurd. Verweerder heeft in strijd met deze afspraak vervolgens het Besluit naar de letter toegepast.

Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van het College heeft appellante hier - kort samengevat - het volgende aan toegevoegd:

De medewerker van Novem, waarmee E de hiervoor genoemde mondelinge afspraak heeft gemaakt, is C. Appellantes gemachtigde Koot is bij het maken van deze afspraak aanwezig geweest.

Gevraagd naar de reden, waarom hij - blijkens het verslag van de hoorzitting - in bezwaar slechts heeft gesteld dat de projectleider van appellante steeds aan haar heeft voorgehouden dat "pro forma facturen kunnen en mogen", heeft Koot gesteld zich op dat moment de naam van C niet te hebben herinnerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit bepaalt - voor zover thans van belang - dat als projectkosten uitsluitend in aanmerking worden genomen de rechtstreeks aan het project toe te rekenen en door de subsidie-ontvanger in de bij de subsidieverlening vermelde periode gemaakte en betaalde kosten.

5.2 In de primaire beslissing van 29 april 2002 heeft Novem de subsidiabele projectkosten lager vastgesteld op € 94.161,21 (f. 207.504,-) omdat een deel van de door appellante opgevoerde projectkosten ad f. 89.634,- niet voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit gestelde eisen. Novem heeft daarop het definitieve subsidiebedrag vastgesteld op € 61.204,79.

5.3 Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder deze beslissing in bezwaar terecht heeft gehandhaafd.

Het College beantwoordt voormelde vraag bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.

5.4 Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat bovengenoemde subsidievaststelling berust op een juiste toepassing van het Besluit.

Vast staat dat appellante voor genoemd bedrag van f. 89.634,- niet kon aantonen dat sprake was van kosten die zowel gemaakt als betaald zijn voor de nader bij brief van 7 januari 1999 gestelde uiterste datum van 27 februari 2000, zodat in zoverre niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a., van het Besluit.

5.5 Met betrekking tot de door appellante gestelde schending van het vertrouwensbeginsel overweegt het College het volgende.

In dit verband dient te worden getoetst of door toezeggingen, mededelingen of gedragingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij appellante de rechtens te eerbiedigen verwachting is gewekt dat - niettegenstaande de omstandigheid dat de door appellante ingediende pro forma facturen niet voldeden aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Besluit, hetgeen ook bij appellante bekend was - deze facturen desondanks zouden worden meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van de subsidie.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft Koot - uitdrukkelijk gevraagd naar afspraken over de pro forma facturen - slechts verklaard dat de projectleider van appellante, E, steeds heeft aangegeven dat dergelijke facturen "kunnen en mogen en dat dit geen problemen oplevert". In beroep voert appellante evenwel aan dat haar toenmalige contactpersoon bij Novem, C, aan voornoemde E, mondeling heeft toegezegd dat pro forma facturen onderdeel van de totale subsidiabele projectkosten konden zijn en dat haar gemachtigde Koot bij dit gesprek aanwezig was.

In het licht van verweerders gemotiveerde betwisting van een dergelijke afspraak, alsmede de discrepanties tussen appellantes betoog op dit punt in bezwaar en in beroep, waarvoor zij naar het oordeel van het College geen afdoende verklaring heeft gegeven, acht het College niet aannemelijk gemaakt dat door of namens verweerder bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat in strijd met het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a., van het Besluit, ook pro forma facturen tot de subsidiabele projectkosten zouden mogen behoren.

De verklaring van D, medewerker van Novem, tijdens de hoorzitting in bezwaar dat hij niet uitsluit dat deze werkwijze - het accepteren van pro forma facturen - wel eens is gehanteerd, brengt het College niet tot een ander oordeel, nu deze verklaring onvoldoende stellig is. Hierbij komt dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat D na de hoorzitting contact heeft opgenomen met C, waarop laatstgenoemde - kort gezegd - aan D heeft bericht dat Novem ten tijde hier van belang nooit willens en wetens pro forma facturen heeft geaccepteerd en dat artikel 4 van het Besluit strikt werd toegepast.

Het College neemt hierbij tevens in aanmerking dat Novem steeds schriftelijk aan appellante heeft medegedeeld dat uitsluitend gemaakte en betaalde kosten als subsidiabele projectkosten zouden worden beschouwd.

Het vorenstaande leidt het College tot de conclusie dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

5.6 Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder, door bij de in geschil zijnde subsidievaststelling een strikte toepassing te geven aan het Besluit, heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:4 van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel, dan wel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

5.7 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5.8 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. Th.J. van Gessel