Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1782

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2002 is de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren, afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/316 18 december 2003

27366 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling energievoorzieningen

non-profit en bijzondere sectoren

Uitspraak in de zaak van:

Pinkstergemeente De Banier, te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: E. van Rossen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr. C.N. Gajadhar, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Bij besluit van 12 december 2002 is de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren, afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 maart 2003, bij het College binnen gekomen op 14 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 november 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij bovengenoemde gemachtigden zijn verschenen. Voor appellante is tevens de echtgenote van E. van Rossen verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (hierna: de Regeling) is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 2

(…)

4. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de koop van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;

(…)

2.2 In de bestreden beslissing heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en hiertoe - zakelijk weergegeven - het volgende overwogen:

Appellante is, in strijd met het bepaalde in artikel 2, vierde lid, onder a, van de Regeling, voordat de aanvraag om subsidie is ingediend bij Senter verplichtingen aangegaan met betrekking tot de voorzieningen waarvoor deze aanvraag is ingediend.

Behoudens bijzondere omstandigheden, die afwijking van de Regeling rechtvaardigen, kan aan appellante de gevraagde subsidie op grond van de Regeling niet worden verleend. Dergelijke bijzondere omstandigheden, waarbij verweerder het oog heeft op omstandigheden die niet voor rekening en risico van appellante komen, zijn verweerder niet gebleken.

Het beroep van appellante op door verweerder bij haar gewekte verwachtingen kan niet worden gehonoreerd.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat een van zijn medewerkers, in de wetenschap dat appellante niet voldeed aan de subsidievoorwaarden, heeft aangegeven dat dit geen belemmering zou vormen voor de subsidieverstrekking. Er is verweerder niet gebleken dat er sprake is geweest van een concrete subsidietoezegging door een van zijn medewerkers.

2.3. Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante was weliswaar ten tijde van het indienen van de aanvraag op de hoogte van het feit dat zij in verband met het bepaalde in artikel 2, vierde lid, onder a, van de Regeling niet voor subsidie in aanmerking kon komen, doch uit telefonisch overleg met een medewerker van verweerder vóór het indienen van de aanvraag, alsmede uit de door verweerder aan appellante gezonden brieven, mocht appellante het gerechtvaardigde vertrouwen putten dat haar aanvraag desondanks zou worden gehonoreerd.

2.4. Het College dient te beoordelen of het bestreden besluit dat strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit tot weigering van haar aanvraag om subsidie, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

2.5. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante voor de datum van de indiening van de aanvraag verplichtingen is aangegaan ter zake van de koop van de voorziening waarop de aanvraag betrekking heeft, zodat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 2, vierde lid, onder a, van de Regeling in beginsel gehouden was de gevraagde subsidie te weigeren.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd biedt voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid onverkort aan voornoemde bepaling van de regeling heeft kunnen vasthouden.

Niet kan worden staande gehouden dat in het onderhavige geval sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden, dat van genoemd voorschrift had moeten worden afgeweken.

Ter zitting van het College is namens verweerder aangevoerd dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden - waarbij als voorbeeld de vuurwerkramp in Enschede is genoemd - van artikel 2, vierde lid onder a, van de Regeling wordt afgeweken. Voormeld beleid acht het College, gelet op het stimuleringskarakter van de Regeling, niet kennelijk onredelijk.

Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de gevolgen van een te late indiening van de aanvraag geheel binnen de risicosfeer van appellante liggen. Het behoort - zoals appellante ter zitting ook heeft beaamd - tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich (tijdig) op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Regeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

Aan het telefonische advies van een medewerker van verweerder aan appellante om een aanvraag in te dienen en het daarop aan appellante toezenden van de vereiste bescheiden, kon appellante naar het oordeel van het College niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat een door haar vervolgens in te dienen aanvraag zou worden gehonoreerd. Verweerders brief aan appellante van 4 juni 2002 bevat evenmin informatie die appellante zou kunnen sterken in dit vertrouwen, nu in deze brief, kort gezegd, slechts de ontvangst van haar aanvraag wordt bevestigd en wordt medegedeeld dat een beslissing op haar aanvraag wordt aangehouden in verband met budgetuitputting.

Bij het bovenstaande neemt het College tevens in aanmerking dat - naar tussen partijen vaststaat - niet op enig moment door of namens verweerder aan appellante concrete subsidietoezeggingen zijn gedaan.

Gesteld noch aannemelijk is voorts dat appellante op basis van die mededelingen op onomkeerbare wijze iets heeft gedaan of nagelaten waardoor zij in een nadeliger positie is komen te verkeren dan indien die mededelingen niet zouden zijn gedaan. Nu niet is voldaan aan het bovenomschreven dispositievereiste, kan het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel ook op die grond niet slagen.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. Th.J. van Gessel