Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1356

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1530 en 02/1531
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 15 juni 2001 heeft verweerder geweigerd energieverklaringen af te geven terzake van het door appellanten bij formulieren, ondertekend op 23 september 1999 (ontvangen bij de Belastingdienst op 29 september 1999), aangemelde bedrijfsmiddel "Centrale regelinstallatie".

Bij brief van 26 juni 2002 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

Bij besluiten van 9 juli 2002 heeft verweerder deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij dezelfde besluiten heeft verweerder besloten geen reden te zien ambtshalve tot herziening van zijn besluiten van 15 juni 2001 over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1530 en 02/1531 18 december 2003

27605 Wet op de inkomstenbelasting 1964

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek

Uitspraak in de zaak van:

1. A, te B;

2. C, te B,

appellanten,

gemachtigde: P.T.J. Strijbos, assistent accountmanager bij Ecodet Zuid, te Eindhoven,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Cromheecke en J. Weda, beiden werkzaam bij Senter.

1. Het procesverloop

Bij besluiten van 15 juni 2001 heeft verweerder geweigerd energieverklaringen af te geven terzake van het door appellanten bij formulieren, ondertekend op 23 september 1999 (ontvangen bij de Belastingdienst op 29 september 1999), aangemelde bedrijfsmiddel "Centrale regelinstallatie".

Bij brief van 26 juni 2002 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

Bij besluiten van 9 juli 2002 heeft verweerder deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij dezelfde besluiten heeft verweerder besloten geen reden te zien ambtshalve tot herziening van zijn besluiten van 15 juni 2001 over te gaan.

Tegen de besluiten van 9 juli 2002 hebben appellanten bij brief van 12 augustus 2002, bij het College binnengekomen op 20 augustus 2002, beroep ingesteld.

Op 18 oktober 2002 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft de beroepen, voorzover deze zich richtten tegen de weigering de besluiten van 15 juni 2001 ambtshalve herzien, aangemerkt als bezwaren tegen deze weigeringen. Bij besluiten van 29 januari 2003 heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 maart 2003, bij het College ingekomen op 11 maart 2003, hebben appellanten naar aanleiding van de besluiten van 29 januari 2003 nadere beroepsgronden ingediend.

Op 9 december 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Niet in geschil is dat de bezwaren van 26 juni 2002 niet tijdig zijn ingediend. Verweerder was dus gehouden de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij - overeenkomstig artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht - redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest.

2.2 Verweerder stelt zich in de besluiten van 9 juli 2002 op het standpunt dat appellanten wel in verzuim waren, omdat de te late indiening van het beroepschrift aan hen valt toe te rekenen.

2.3 Appellanten voeren tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren het volgende aan.

Verweerder is bij zijn besluiten van 15 juni 2001 afgegaan op informatie die hem terzake van het bedrijfsmiddel is verstrekt door een medewerker van Smeva Koeling B.V., de leverancier van de regelinstallatie. Bij Ecodet, het administratiekantoor dat de aanvraag heeft ingediend, ontbrak technische kennis van koelsystemen en werd ervan uitgegaan dat de door bedoelde medewerker verstrekte informatie juist was en dat verweerder deze informatie juist had geïnterpreteerd. Toen appellanten ontdekten dat deze veronderstelling niet terecht was, is alsnog bezwaar gemaakt. Als verweerder Smeva op de hoogte zou hebben gesteld van zijn besluiten, dan zou Smeva direct bezwaar hebben gemaakt of appellanten hiertoe hebben aangespoord.

Appellanten stellen tevens dat het onredelijk is het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, omdat verweerder pas 21 maanden na indiening van de aanvragen en 15 maanden na ontvangst van nadere informatie op de aanvragen heeft beslist.

2.4 De argumenten van appellanten treffen geen doel. Dat zij zich bij de beoordeling van de juistheid van de besluiten aanvankelijk hebben laten leiden door het standpunt van een medewerker van Smeva c.q. een interpretatie van dit standpunt door verweerder, berust op een keuze waarvan de gevolgen voor hun eigen rekening en risico komen. Verweerder heeft geen rechtsplicht geschonden door Smeva niet van zijn besluiten op de hoogte te stellen. Hij heeft correct gehandeld door de besluiten van 15 juni 2001 toe te zenden aan degene die jegens verweerder voor de aanvragers optrad.

Dat verweerder eerst geruime tijd na de aanvragen beslissingen hierop heeft genomen, vormt evenmin een omstandigheid die overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn kan rechtvaardigen.

Verweerder heeft dus terecht de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk verklaard.

2.5 Het College merkt de brief van appellanten van 7 maart 2003 aan als een tegen de besluiten van 29 januari 2003 ingediend beroep. In de besluiten handhaaft verweerder zijn eerdere besluiten van 9 juli 2002 om niet ambtshalve tot herziening van zijn besluiten van 15 juni 2001 over te gaan. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die de aanvragers niet bekend waren en niet bekend hadden kunnen zijn gedurende de termijn waarbinnen bezwaar kon worden ingediend tegen de besluiten van 15 juni 2001.

2.6 Appellanten voeren tegen het besluit van 7 maart 2003 aan, dat verweerder erkent dat er een mogelijkheid bestaat dat gegevens van Smeva onjuist geïnterpreteerd zijn. Dit betekent dat het mogelijk is dat gelijksoortige EIA-aanvragen bij verschillende belastingplichtigen niet tot eenzelfde beslissing leiden. Gevoegd bij het gegeven dat verweerder de termijn voor afhandeling van de primaire aanvragen heeft overschreden, vormt een en ander volgens appellanten voldoende reden om tot ambtshalve herziening over te gaan.

2.7 Ook deze grieven van appellanten falen. Verweerder mocht zich rechtens slechts gehouden achten om, buiten de bezwaarprocedure om, van zijn besluiten van 15 juni 2001 terug te komen ingeval sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die appellanten eerder niet bekend waren en niet bekend hadden hoeven zijn. Terecht heeft verweerder geoordeeld dat van dergelijke feiten en omstandigheden geen sprake is ingeval de aanvragers deze feiten en omstandigheden destijds aan een tijdig bezwaar ten grondslag hadden kunnen leggen. Van een geval als laatstbedoeld is hier sprake. De nader van de zijde van de leverancier verkregen informatie - welke zou afwijken van (de interpretatie van) de eerder door een medewerker van hem aan verweerder verschafte informatie - waarin het verzoek om terug te komen van de besluiten van 15 juni 2001 in het bijzonder zijn grond vindt, hadden appellanten zich immers ook reeds binnen de bezwaartermijn kunnen verschaffen en aan tijdig in te dienen bezwaarschriften ten grondslag kunnen leggen.

Bij de besluiten van 7 maart 2003 is dus terecht besloten de bij deze besluiten beoordeelde bezwaren ongegrond te verklaren.

2.8 Gelet op het voorgaande zijn ten aanzien van elk van de appellanten de beroepen tegen de beide beslissingen op bezwaar ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten van de wederpartij.

3. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

w.g. C.J. Borman w.g. I.K. Rapmund