Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1341

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1852
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 19 november 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 oktober 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 april 2002 tot opeising van een op grond van het Besluit technische ontwikkelings-kredieten 1997 toegezegd krediet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Algemene wet bestuursrecht 4:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/95
AB 2004, 91

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1852 18 december 2003

27338 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit technische ontwikkelingskredieten 1997

Uitspraak in de zaak van:

Lamson Nederland B.V., te Amersfoort, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. K.P.M. Bekema en mr. R.R. Volkers, beiden werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 19 november 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 oktober 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 april 2002 tot opeising van een op grond van het Besluit technische ontwikkelings-kredieten 1997 toegezegd krediet.

Bij brief van 17 december 2002 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Op 10 februari 2003 heeft het College een verweerschrift ontvangen.

Bij brief van 14 november 2003 heeft appellante enkele nadere stukken aan het College doen toekomen.

Op 25 november 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 4:44

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de subsidie-ontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij:

a. de subsidie met toepassing van artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve wordt vastgesteld;

(…).

2. Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn.

(…).

Artikel 4:45

1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.

2. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Artikel 4:46

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(…).

Artikel 4:47

Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:

a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;

(…).

Artikel 4:48

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:

a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

(…).

Artikel 4:57

Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling als bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken."

Het van 1 januari 1997 tot 4 mei 2001 geldende Besluit technische ontwikkelings-kredieten 1997 (Stb. 611; hierna: Besluit) luidde, voorzover hier van belang:

" Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject uitvoert.

(…)

Artikel 13

Aan de kredietverlening zijn de in de artikelen 14, 16 en 17 opgenomen verplichtingen verbonden.

Artikel 14

1. De kredietontvanger voert het ontwikkelingsproject uit overeenkomstig het projectplan waarop de kredietverlening betrekking heeft en voor het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande ontheffing van Onze Minister voor het essentieel wijzigen, vertragen of stopzetten van het project.

2. (…)

3. De kredietontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het ontwikkelingsproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de kredietverlening vermelde raming van de projectkosten, en doet mededeling van de activiteiten die zijn ondernomen

ten behoeve van de commercialisatie van de resultaten van het ontwikkelings-project en van de vooruitzichten ter zake van die commercialisatie.

(…)

Artikel 16

1. De kredietontvanger dient zijn aanvraag om vaststelling van het bedrag van het krediet binnen dertien weken na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn uitgevoerd, bij Onze Minister in.

2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.

3. De aanvraag gaat vergezeld van een laatste verslag als bedoeld in artikel 14, derde lid, alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

(…)

Artikel 19

1. Op een krediet ter zake waarvan een beschikking tot kredietverlening geldt kunnen op aanvraag van de kredietontvanger door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.

(…)

Artikel 23

Onze Minister geeft de beschikking tot vaststelling van het bedrag van het krediet binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de kredietontvanger daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 24

Onze Minister kan op aanvraag van de kredietontvanger het krediet en de rentevergoeding kwijtschelden, indien de kredietontvanger heeft voldaan aan alle ingevolge de kredietverlening voor hem geldende verplichtingen en

a. het ontwikkelingsproject technisch is mislukt, Onze Minister op grond daarvan met toepassing van artikel 14, eerste lid, ontheffing heeft gegeven voor het stopzetten van het project en de aanvrager aannemelijk maakt, dat met uit het project voortvloeiende of ervan afgeleide productie of dienstverlening geen omzet zal worden gerealiseerd, of

b. sedert de vaststelling van het bedrag van het krediet in een aaneengesloten periode van vijf jaren met uit het ontwikkelingsproject voortvloeiende of ervan afgeleide productie of dienstverlening geen omzet is gerealiseerd en de aanvrager aannemelijk maakt, dat zulks in de komende vijf jaren ook niet meer kan worden verwacht."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij formulier, gedateerd 8 juni 1998, heeft appellante een aanvraag om een krediet op grond van het Besluit ingediend voor de ontwikkeling van een volautomatisch kassysteem voor banken.

- Bij besluit van 9 september 1998 heeft verweerder aan appellante voor het in de aanvraag vermelde ontwikkelingsproject een krediet toegezegd van maximaal fl. 221.000,--. Het besluit bevat onder meer de volgende verplichtingen

" 5. U dient het ontwikkelingsproject uiterlijk op 31 januari 1999 te hebben uitgevoerd. Vóór 9 juni 1998 en na 31 januari 1999 gemaakte kosten worden niet tot de projectkosten gerekend. Na 30 april 1999 ingediende declaraties komen niet meer voor uitbetaling in aanmerking.

6. Uw eerste verslag over de periode t/m ultimo augustus 1998 zal (…) uiterlijk op 30 september a.s. in mijn bezit zijn. Vervolgens zult u mij verslag uitbrengen per eind november en per eind januari a.s., in te dienen respectievelijk uiterlijk eind december en eind februari a.s."

- Bij brief van 21 oktober 1998 heeft appellante bij verweerder een voorschot gedeclareerd over de periode van 9 juni 1998 tot en met 31 augustus 1998. Hierbij is tevens aangegeven wat de stand van zaken was ten opzichte van de uitgangspunten uit de kredietaanvraag.

- Bij besluit van 24 november 1998 heeft verweerder een voorschot verstrekt van fl. 19.335,--.

- Bij telefaxbericht van 29 januari 1999 heeft appellante verweerder gevraagd de looptijd van het project te verlengen met een jaar.

- Bij brief van 26 maart 1999 heeft appellante bij verweerder een voorschot van fl. 8.898,81 gedeclareerd over de periode van 1 september 1998 tot en met 30 november 1998. Hierbij is tevens aangegeven wat de stand van zaken was ten opzichte van de uitgangspunten uit de kredietaanvraag. In deze brief wordt aangegeven dat waarschijnlijk een vertraging van acht tot tien maanden plaatsvindt en wordt voorgesteld het contract te verlengen met één jaar.

- Bij telefaxbericht van 14 juli 1999 heeft appellante bij verweerder een voorschot van fl. 30.092,70 gedeclareerd over de periode van 1 december 1998 tot en met 30 juni 1999. Bijgevoegd was een geactualiseerde activiteitenplanning.

- Bij telefaxbericht van 22 juli 1999 heeft appellante desgevraagd informatie verstrekt over de voortgang van het ontwikkelingsproject.

- Bij besluit van 23 juli 1999 heeft verweerder naar aanleiding van de declaraties van 26 maart 1999 en 14 juli 1999 een voorschot toegekend van fl. 38.992,--. Voorts wordt het verzoek om verlenging van 26 maart 1999 ingewilligd. Het besluit tot toekenning van krediet van 9 september 1998 wordt hiertoe gewijzigd: de in dit besluit vermeld data van 31 januari 1999 en 30 april 1999 worden gewijzigd in 31 december 1999 en 31 maart 2000; toegevoegd wordt de verplichting om over de voortgang per eind september en eind december 1999 te rapporteren in uiterlijk onderscheidenlijk eind oktober 1999 en eind januari 2000 in te dienen rapportages.

- Bij telefaxbericht van 15 maart 2000 heeft appellante verweerder onder meer het volgende bericht:

" Door een aantal veranderingen in de markt, de tijdsplanning en de specifieke eisen van de klant welke op zich laten wachten, zien wij af van verdere declaraties en blijft het saldo beperkt tot fl. 60.590.64 ten aanzien van dit project."

- Bij telefaxbericht van 29 mei 2000 heeft appellante verweerder het volgende bericht:

" Na uitvoerig overleg (…) blijven wij van mening geen verdere declaraties in te dienen (…).

Wat betreft de projectrapportage zijn er geen nieuwe ontwikkelingen te melden en deze is dus gelijk aan de bij de derde declaratie bijgesloten informatie, met dien verstande dat er op het functionele gebied vanuit de klant een aantal kleine wijzigingen zijn geweest.

(…)

Wellicht is het verstandig om een afspraak te maken om onze nieuwe lokatie eens te bezoeken en nogmaals het project te bespreken (en de eventuele wijzigingen hieromtrent)."

- Op 17 november 2000 heeft een medewerker van Senter het bedrijf van appellante bezocht. Het verslag dat van dit bezoek is opgemaakt vermeldt onder meer:

" Het laatste voortgangsverslag bestrijkt de periode tot juli 1999, terwijl de einddatum 31-12-1999 is. In het tweede halfjaar van 1999 heeft men vooral aan de software gewerkt. (…)

Men heeft over het tweede halfjaar van 1999 niet gedeclareerd (…). Men zou wel graag weer TOK willen aanspreken als het tot nieuwe opdrachten voor klanten komt.

(…)

Ik heb afgesproken dat wij over al dan niet voortzetten van TOK zullen overleggen, als er meer zicht is op de pilot bij ABN. Als de contacten met ABN voldoende opleveren, voel ik er wel voor om de ontwikkelingsperiode te verlengen tot midden 2001 (…)."

- Bij telefaxbericht van 20 november 2000 heeft verweerder gevraagd het voortgangsverslag over het tweede halfjaar van 1999 vóór eind november 2000 toe te sturen. Op dezelfde termijn wil verweerder de jaarrekening over 1999 en - indien beschikbaar - de financiële rapportage over de eerste helft van 2000 ontvangen. Voorts wordt gevraagd rond eind 2000 een bijgewerkte planning van de technische ontwikkeling en van de commercialisatie in te dienen, zodat op dat moment zinvol overleg mogelijk zou zijn over al dan niet voortzetten van TOK.

- Bij telefaxbericht van 29 augustus 2001 heeft verweerder appellante bericht dat de looptijd van het ontwikkelingstraject is beëindigd op 31 maart 2000 (in de hieronder nog te vermelden brief van verweerder van 5 december 2001 wordt aangegeven dat deze datum abusievelijk is vermeld; er had moeten staan: 31 december 1999). Geconstateerd wordt dat de laatst ontvangen rapportage dateert van 22 juli 1999 en de periode van december 1998 tot juni 1999 omvat. Verweerder vraagt appellante om binnen twee weken de volgende stukken toe te sturen: de rapportage over de periode van juni 1999 tot en met maart 2000; de eindrapportage, inclusief slotdeclaratie; de jaarrekeningen over 1999 en 2000.

- Bij brief van 5 oktober 2001 heeft verweerder appellante herinnerd aan zijn telefaxbericht van 29 augustus 2001 en haar verzocht om binnen twee weken de eindrapportage, de einddeclaratie en de jaarrekeningen over 1999 en 2000 toe te zenden.

- Bij brief van 15 oktober 2001 (gedateerd 15 oktober 2000) heeft appellante het volgende bericht aan verweerder:

" De status van het project is zoals beschreven in de laatste rapportage en dus niet gewijzigd.

Door een aantal veranderingen in de markt, de tijdsplanning en de specifieke eisen van de klant welke op zich laten wachten, zien wij af van verdere declaraties en blijft het totaal saldo beperkt tot fl. 60.590,64 ten aanzien van dit project."

Bij de brief waren de jaarrekeningen van Lamson Beheer B.V. over 1999 en 2000 gevoegd.

- Bij brief van 5 december 2001 heeft verweerder appellante nogmaals gewezen op verschillende op haar rustende verplichtingen en nog eenmaal de gelegenheid geboden om hieraan te voldoen. Aangekondigd wordt dat, indien de eindrapportage, de einddeclaratie en een verzoek om definitieve vaststelling van het krediet, alle conform de bij het originele besluit meegezonden bijlagen, niet binnen twee weken in verweerders bezit zijn, het krediet en de verschuldigde rente zullen worden opgeëist.

- Bij brief van 11 januari 2002 heeft appellante een "eindrapportage" ingediend. De brief vermeldt:

" Voor een gedetailleerde activiteitenplanning verwijs ik u naar de derde declaratie van 14 juli 1999 (…) en tevens het voortgangsoverzicht van 22 juli 1999 (…). Hierin is duidelijk weergegeven wat de status van het project is, hierin zal op korte termijn geen verandering komen. De technische doelstellingen van het project zijn dus ook niet gerealiseerd in verband met de ontwikkelingen in de markt zoals reeds is aangegeven in eerdere correspondentie.

Gezien de commerciële aspecten bericht ik u het volgende:

- de uiteindelijke verwachting kostprijs wordt met de CBS index aangepast

- de verwachte prestaties zijn gelijk aan de doelstellingen

- verwachte afzet is afhankelijk van de huidige ontwikkeling in markt

- er heeft zich onlangs één concurrent gemeld op de markt welke functioneel niet gelijkwaardig is

- verder zijn er geen signalen uit de markt waargenomen.

Inzake het bedrijfsverloop hebben wij u geen bijzonderheden te melden.

Verder hebben wij tweemaal aangegeven geen verdere aanspraak te zullen maken op het TOK krediet (15 maart 2000 en 29 mei 2000).

Daarom willen wij u dan ook verzoeken een eindcontrole te laten uitvoeren door één van uw accountants om het project af te sluiten."

- Bij besluit van 5 april 2002 heeft verweerder het uitstaande krediet, inclusief de lopende rente, in totaal € 31.542,51 per 1 mei 2002, opgeëist en appellante gesommeerd dit bedrag uiterlijk 1 mei 2002 aan hem over te maken. Als rechtsgrondslag vermeldt het besluit artikel 8, tweede lid, van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ.

- Bij brief van 17 mei 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 april 2002.

- Op 11 september 2002 heeft appellante haar bezwaar doen toelichten op een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe onder meer overwogen:

" Voor het afronden van een project vereist het Besluit een eindrapportage, waarin inhoudelijk het project wordt behandeld en een einddeclaratie, waarin financieel het project wordt behandeld. Beide rapportages maken dat een project administratief afgesloten kan worden, zowel op inhoudelijk als op financieel terrein. Voor het indienen van beide rapportages is in het Besluit een standaardformulier voorgeschreven die bij de krediettoezegging ook zijn verstrekt. (…)

Nadat u had meegedeeld het project te willen stoppen, heb ik u verzocht de benodigde rapportages in te dienen. Ik heb u hiertoe bij faxbericht van 29 augustus 2001 en bij brieven van 5 oktober 2001 en 5 december 2001 de gelegenheid geboden. (…) Tevens heb ik u gewezen op de consequenties van het uitblijven van de rapportages, namelijk intrekking van het krediet en opeisen van de verstrekte voorschotten. (…)

Vastgesteld kan worden dat ik geen einddeclaratie van u heb ontvangen. Een verwijzing naar de laatste rapportage, zoals in uw brief van 15 oktober 2001 opgenomen, is daartoe onvoldoende. (…)

In uw informatie ontvangen op 15 januari 2002 is evenmin een einddeclaratie opgenomen. (…) Hiermee staat vast dat u niet hebt voldaan aan de plicht een einddeclaratie met betrekking tot uw project in te dienen. Een einddeclaratie dient voor mij als uitgangspunt om een onderzoek in te laten stellen door een accountant. De betreffende accountant kan zo de opgevoerde projectkosten onderzoeken en vaststellen of deze voldoen aan het Besluit en binnen de projectperiode zijn gemaakt en betaald. Nu een dergelijke einddeclaratie, ondanks herhaalde verzoeken, niet is overgelegd, kan een dergelijk eindonderzoek niet worden gestart.

Daarnaast heb ik u verzocht een eindrapportage te overleggen. Op 15 januari 2002 heb ik een rapportage ontvangen. Deze rapportage is slechts zeer summier. U verwijst ook in deze rapportage naar eerdere rapportages. Ook dit is onvoldoende en niet conform de eisen die het Besluit stelt. Inhoudelijk behandelt deze rapportage slechts zeer summier de in een rapportage op te nemen aspecten.

(…)

Naar mijn mening zijn de opmerkingen zodanig dat geen goed beeld gevormd kan worden van het project. De eindrapportage van juli 1999 kan niet als eindrapportage gezien worden. Dit reeds vanwege het feit dat daar nog een aantal uit te voeren activiteiten worden beschreven. Die activiteiten worden in de eindrapportage van 11 januari 2002 niet behandeld.

Voorts is de beschrijving van de commerciële aspecten zodanig vaag en algemeen dat geen goed beeld gevonnd kan worden van de kansen van uw product op de markt en de inzet van u om het product tot een succes te

maken. Omzetverwachtingen en mogelijkheden om deze te realiseren zijn uit deze rapportage niet te herleiden.

Hieruit moet ik concluderen dat u onvoldoende heeft voldaan aan uw eindrapportage- en einddeclaratieplicht."

Als terzake van belang zijnde bepalingen vermeldt het besluit de artikelen 1, 14, 15, 16 en 17 van het Besluit alsmede artikel 4:46, tweede lid, onderdeel b, Awb. Voorts wordt verwezen naar de mogelijkheid het krediet lager vast te stellen ingevolge de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Een intrekkingsbesluit ontbreekt. Dit betekent dat geen sprake is van onverschuldigd betaalde voorschotten, zodat de terugvordering onrechtmatig is.

Verweerder baseert de terugvordering op artikel 8 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. Reeds ten tijde van het primaire besluit was deze wet ingetrokken, zodat de terugvordering is gebaseerd op een niet meer bestaande wettelijke grondslag.

Het had op de weg van verweerder gelegen na de aanmaning van 5 december 2001 overleg te laten plaatsvinden. In ieder geval had appellante moeten worden gehoord.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom, in het licht van de voorgaande contacten, tot het bestreden besluit moest worden overgegaan.

De brieven van 15 maart 2000, 29 mei 2000 en 15 oktober 2001 had verweerder moeten aanmerken als verzoek tot stopzetting van het project en tot vaststelling en kwijtschelding van reeds betaalde kredieten. Het project was toen immers al stopgezet. Alle van appellante benodigde informatie was bij verweerder aanwezig.

In ieder geval had verweerder in het licht van de brieven van appellante van 29 mei 2000 en 15 oktober 2001 moeten bezien of tot een verzoek om stopzetting van het project als bedoeld in artikel 14 van het Besluit moest worden overgegaan. Dan had eventueel een verzoek om kwijtschelding aan de orde kunnen komen. Door te besluiten tot terugvordering heeft verweerder deze mogelijkheid onbereikbaar gemaakt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Allereerst overweegt het College dat verweerder aan zijn bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit niet ten grondslag heeft gelegd dat appellante haar ontwikkelingsproject heeft stopgezet. De omstandigheid dat appellante niet beschikt over een voor stopzetting benodigde ontheffing als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit, wordt door verweerder dan ook niet aangevoerd als omstandigheid die aan een subsidievaststelling in de weg zou staan. Dit brengt mee dat de vraag of verweerder ten onrechte heeft nagelaten op een verzoek om ontheffing te beslissen de grenzen van het onderhavige geding te buiten gaat en buiten beoordeling dient te blijven.

5.2 Bij zijn besluit van 5 april 2002 en bij het bestreden besluit heeft verweerder niet beslist op enig door appellante ingediend verzoek om kwijtschelding. Verweerder is niet tekortgeschoten door zulks niet te doen. De inhoud van de door appellante in dit verband aangehaalde correspondentie had verweerder geen aanleiding behoeven geven te veronderstellen dat beoogd was een dergelijke aanvraag te doen.

Ook kan niet met vrucht worden gesteld dat het bestreden besluit onrechtmatig is doordat verweerders besluitvorming appellante zou hebben belemmerd in de mogelijkheid een aanvraag om kwijtschelding in te dienen. Artikel 24 van het Besluit bevat immers geen fatale termijn voor de indiening van aanvragen als bedoeld in deze bepaling.

5.3 Het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit strekt tot opeising van het bij voorschotten verstrekte krediet. Het begrip opeising komt niet voor in één van de door verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegde bepalingen van het Besluit. Evenmin komt dit begrip voor in titel 4.2 van de Awb. Ook artikel 8 van de Wet financiële verstrekkingen EZ - welke wet per 1 januari 1998 is ingetrokken en door verweerder reeds om deze reden ten onrechte aan zijn besluit mede ten grondslag is gelegd - kent het begrip opeising niet.

Gelet op de betekenis die volgens het normale spraakgebruik aan deze term toekomt, neemt het College aan dat verweerder door de voorschotten op te eisen een besluit heeft genomen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten als bedoeld in artikel 4:57 Awb. Het nemen van een dergelijk besluit kan evenwel alleen rechtmatig plaatsvinden, indien vaststaat dat sprake is van onverschuldigde betaling. Hiervan is eerst sprake, indien de publiekrechtelijke titel waarop de betaling berustte, niet langer bestaat. Nu in het onderhavige geval aan de terugvordering geen besluit tot vaststelling van de verleende subsidie op nihil vooraf is gegaan, noch sprake was van een intrekking van de subsidieverlening, ontbreekt de grond voor het aannemen van onverschuldigde betaling.

De in het verweerschrift betrokken stelling, dat het besluit tot kredietopeising een besluit tot intrekking van het krediet impliceert, deelt het College niet. De rechtszekerheid vergt dat een besluit tot intrekking, nu dit tot gevolg heeft dat komt vast te staan dat een publiekrechtelijke titel voor subsidiebetaling komt te vervallen, uitdrukkelijk wordt genomen. Tegen het aannemen van een impliciet besluit pleit bovendien, dat de inhoud van een besluit als door verweerder gepretendeerd, niet op voorhand duidelijk is. Denkbaar is immers dat zulk een besluit niet, zoals het verweerschrift stelt, een besluit tot intrekking zou zijn, maar, zoals de vermelding van artikel 4:46 Awb in het bestreden besluit - overigens niet onbegrijpelijk, gelet op het hetgeen hierna onder 5.4 wordt overwogen - suggereert, een besluit tot vaststelling van de subsidie op nihil. De rechtszekerheid verzet zich ertegen dat de precieze grondslag voor het vervallen van de betalingstitel waarin de terugvordering haar rechtvaardiging zou moeten vinden, in het ongewisse wordt gelaten.

Gelet op het voorgaande dient het besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 4:57 Awb. Het beroep is gegrond. Verweerder dient met inachtneming van het voorgaande opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante.

5.4 Met het oog op het door verweerder nieuw te nemen besluit, overweegt het College nog het volgende.

Na de verlenging die heeft plaatsgevonden bij verweerders besluit van 23 juli 1999, gold 31 december 1999 als datum waarvóór het ontwikkelingsproject ingevolge artikel 14 van het Besluit diende te zijn uitgevoerd. Appellante heeft vervolgens niet binnen de ingevolge artikel 16 van het Besluit voorgeschreven termijn, die verstreek op 31 maart 1999, een aanvraag om vaststelling van het bedrag van het krediet - welke aanvraag van een laatste verslag omtrent de uitvoering van het project vergezeld had moeten gaan - ingediend. In een dergelijke situatie schrijft artikel 23 van het Besluit voor dat verweerder binnen vier maanden - in casu dus uiterlijk 31 juli 1999 - een beschikking tot vaststelling van het bedrag van het krediet geeft, welke beschikking zou zijn aan te merken als een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 4:46 Awb, die dan mede zijn grond zou vinden in artikel 4:47, aanhef en onder a, Awb. Verweerder is tot het geven van een dergelijke beschikking evenwel niet overgegaan, noch heeft hij, met toepassing van de tweede volzin van artikel 23 van het Besluit, het nemen van een dergelijke beschikking verdaagd.

Ruim na het verstrijken van de datum waarop verweerder tot vaststelling van de subsidie had moeten overgaan, is door één van zijn medewerkers het bedrijf van appellante bezocht op 17 november 2000. Dit bezoek wordt op 20 november 2000 gevolgd door een verzoek van verweerder aan appellante om een bijgewerkte planning te leveren, opdat overleg zou kunnen plaatsvinden over het al dan niet voortzetten van technisch ontwikkelingskrediet. Vervolgens laat verweerder de zaak rusten tot hij appellante op 29 augustus 2001 opnieuw benadert.

Blijkens de weergegeven gang van zaken heeft verweerder ermee ingestemd dat het project niet diende te zijn beëindigd per 31 december 1999. Kennelijk was de looptijd ervan verlengd tot een nader te bepalen tijdstip. Zolang een dergelijk tijdstip niet is vastgesteld, staat het verweerder niet vrij om ambtshalve over te gaan tot een vaststelling van de subsidie op nihil vanwege het niet correct - door middel van een einddeclaratie en een eindverslag - verantwoorden van de afloop van het project. Tot een dergelijke vaststelling werd verweerder echter wel bevoegd nadat appellante bij brief van 11 januari 2002 uitdrukkelijk had verzocht tot een eindcontrole over te gaan en aldus te kennen gaf dat zij vaststelling van de subsidie verlangde. Indien verweerder bij het nieuw te nemen besluit van mening zou blijven dat na ontvangst van de brief van 11 januari 2002 bepaalde voor de vaststelling van de subsidie noodzakelijke gegevens ontbreken, dan ligt het op zijn weg appellante de gelegenheid te bieden deze gegevens alsnog binnen een door hem te stellen redelijke termijn te verstrekken. Na het verstrijken van een dergelijke termijn kan verweerder de subsidie vaststellen (eventueel op nihil) dan wel - bij uitblijven van voor de beoordeling noodzakelijke gegevens - besluiten de aanvraag tot vaststelling niet te behandelen en eventueel tot intrekking van de subsidieverlening overgaan, een en ander uiteraard met inachtneming van de overigens terzake geldende rechtsnormen.

5.5 Het College acht termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. De veroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand. Aangezien slechts het voorlopige, niet van gronden voorziene, beroepschrift door een advocaat is ingediend, stelt het College de te vergoeden kosten vast op € 161,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 0,5 ad € 322 per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 161,-- (zegge: honderdeenenzestig euro),

onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.C. Cusell en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

w.g. C.J. Borman w.g. I.K. Rapmund