Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1118

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 22 januari 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem subsidie te verlenen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/219 5 december 2003

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: J.J. van der Have, werkzaam te Wilhelminadorp,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij LASER.

1. De procedure

Op 22 januari 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem subsidie te verlenen op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Bij brief van 14 maart 2002 heeft verweerder het College medegedeeld dat appellant alsnog naar aanleiding van zijn bezwaren zal worden gehoord. Op 11 april 2002 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.

Vervolgens heeft verweerder appellant bij besluit van 25 april 2002 medegedeeld dat de beslissing op bezwaar van 14 december 2001 wordt gehandhaafd.

Op 31 mei 2002 heeft appellant een aanvullend beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft op 5 juli 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 20 juni 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de behandeling ter zitting geschorst en is aan verweerder de gelegenheid geboden een en ander na te gaan en het College hieromtrent schriftelijk te berichten.

Verweerder heeft bij brief van 10 juli 2003 het College zijn bevindingen gerapporteerd.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft appellant hierop gereageerd.

Op 12 september 2003 is de behandeling ter zitting voortgezet, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen B, werkzaam bij het I&R-bureau te Deventer.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad bepaalt onder andere:

"Artikel 1

1. Elke lidstaat stelt, overeenkomstig deze titel, een identificatie- en registratieregeling voor runderen (…) vast.

(…)

Artikel 3

De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende elementen:

a) oormerken om de dieren individueel te identificeren,

b) gecomputeriseerde gegevensbestanden,

c) dierpaspoorten,

d) individuele registers op elk bedrijf.

(…)

Artikel 5

De bevoegde autoriteit van de lidstaten zet een gecomputeriseerd gegevensbestand op overeenkomstig de artikelen 14 en 18 van Richtlijn 64/432/EEG. De gecomputeriseerde gegevensbestanden worden uiterlijk op 31 december 1999 volledig operationeel en bevatten vanaf die datum alle ingevolge genoemde richtlijn vereiste gegevens.

(…)

Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop het een en ander heeft plaatsgevonden. (…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt."

In Verordening (EG) nr. 2801/1999 van de Commissie van 21 december 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald.

''Artikel 10 quater

1. Voor andere runderen dan die waarvoor het bepaalde in artikel 10 bis geldt, wordt, wanneer bij controles ter plaatse blijkt dat het aantal op het bedrijf aanwezige en voor communautaire steun in aanmerking komende of relevante dieren niet overeenkomt met het aantal:

a) overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97 aan het gecomputeriseerde gegevensbestand gemelde dieren;

b) overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97 in het register van het bedrijf ingeschreven dieren;

(…),

het totale bedrag van de steun die in het kader van de betrokken steunregeling aan de aanvrager wordt verleend voor de laatste twaalf maanden vóór de controle ter plaatse waarbij dergelijke feiten worden geconstateerd, verhoudingsgewijs verlaagd, behalve in geval van overmacht.

De verlaging wordt berekend op basis van het totale aantal aanwezige dieren die voor de betrokken regeling in aanmerking komen, of het totale aantal in het in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 820/97 bedoelde gecomputeriseerde gegevensbestanden ingeschreven dieren of het aantal paspoorten of het aantal in het register van het bedrijf ingeschreven dieren, waarbij alleen het laagste aantal in aanmerking wordt genomen.

2. Bij fouten of omissies in het register van het bedrijf of in de paspoorten wordt een verlaging als bedoeld in lid 1 alleen toegepast wanneer de betrokken fouten of omissies zijn geconstateerd bij ten minste twee binnen een periode van 24 maanden verrichte controles.

3. Indien evenwel het bij een controle ter plaatse vastgestelde verschil groter is dan 20% van het geconstateerde aantal in aanmerking komende dieren, wordt voor de aan de controle ter plaatse voorafgaande twaalf maanden geen premie toegekend."

In artikel 4.6 van de Regeling is bepaald dat premie slechts aan de producent wordt verstrekt ten behoeve van runderen die overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

De Regeling identificatie en registratie van dieren 2000 bepaalt onder meer het volgende.

''Artikel 15

1. Dieren worden geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig:

a. titel I van verordening 1760/2000 en de artikelen 16 tot en met 23, indien het runderen betreft

(…)

Artikel 16

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

(…)

b. I&R-systeem rund: gecomputeriseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 5 van verordening 1760/2000

(…).''

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met gebruikmaking van daartoe bestemde formulieren op 2 maart en 11 mei 2000 aanvragen ingediend bij verweerder voor het verkrijgen van stierenpremie in het kader van de Regeling.

- Naar aanleiding van de tweede aanvraag heeft verweerder op 7 november 2000 een onderzoek ingesteld. Uit het controlerapport, gedateerd 24 november 2000, blijkt dat er op appellants bedrijf fysiek 11 runderen aanwezig waren, terwijl er volgens het I&R-register en het bedrijfsregister 8 aanwezig waren. Van de 11 waren er volgens het I&R-systeem 6 runderen niet aan- of afgemeld en 1 rund was wegens een verkeerd afgegeven gezondheidsverklaring op een verkeerd nummer geregistreerd.

- Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 11 mei 2001 de eerste aanvraag afgewezen wegens de geconstateerde onregelmatigheden bij de (nog) niet aangemelde runderen.

- Bij brief van 21 mei 2001 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 14 december 2001 heeft verweerder beslist op het bezwaar.

- Op 11 april 2002 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden om appellant alsnog in de gelegenheid te stellen gehoord te worden.

- Bij besluit van 25 april 2002 heeft verweerder besloten bij zijn standpunt te blijven en de beslissing op bezwaar van 14 december 2001 niet te herzien.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

''Tijdens de hoorzitting heeft u verklaard dat u de desbetreffende runderen wel tijdig heeft afgemeld. U stelt dat de melding bij het I&R telefonisch gaat. U stelt dat het achterhalen van dit gevoerde gesprek moeilijk te achterhalen is. U heeft ook niet de specificaties van dit gesprek bij de PTT aangevraagd. U stelt wel dat het bij de Minas alle gegevens wel juist zijn geregistreerd.

Tijdens de hoorzitting heeft u een aan- en afvoerkaart van I&R-Minas overhandigt (…). U stelt dat hierin desbetreffende runderen tijdig zijn gemeld. (…)

U legt tijden de hoorzitting ook van de door de AID ontdekte foutmelding uit. In eerste instantie is het betreffende dier met levensnummer 2458637 verkeerd afgemeld door de eerste eigenaar. U stelt dat er derhalve een verkeerde gezondheidsverklaring is afgegeven en vervolgens heeft u, de heer Jonge, zonder voorafgaande controle van oormerken van het desbetreffende stier, dit nummer overgenomen voor aanmelding. Deze rund was vanaf 8 september 2000 op uw bedrijf en u stelt dat u op 2 maart 2000 de foutmelding heeft hersteld. U heeft ook tijdens de hoorzitting een lijst van het Nationaal Administratief Document overhandigd. U geeft ook aan dat tijdens de bezwaarfase I&R-stukken zijn opgestuurd.

In uw mondelinge toelichting verklaart u verder dat u niet betwist dat een dier (…) onjuist vermeld was en dat de andere dieren niet juist geregistreerd stonden in het I&R-systeem, maar u stelt dat deze laatste wel tijdig in Minas zijn geregistreerd. U stelt dat u teveel vertrouwen heeft gehad dat een en ander wel op de juiste manier is aangemeld. U heeft daarna ook geen controle verricht of de gegevens op de goede manier juist zijn overgekomen.

Te dien aanzien van de gegevens die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gekomen merk ik het volgende op.

(…)

Op grond van de Regeling moeten alle aan- en afvoer van runderen tijdig en correct in het I&R-systeem worden gemeld. Het aan- en afvoer meldingen van de runderen in het (I&R)-Minas geldt niet als zijnde aan- of afmelding in het I&R-systeem. Verder heeft u de aan- en afvoer van runderen ook niet in het bedrijfsregister aangetekend.

Na nader onderzoek van de feiten en de gegevens die u tijdens de hoorzitting heeft gesteld en overhandigd is mij dan ook niet gebleken dat u voor de desbetreffende runderen aan de voorwaarden van de Regeling heeft voldaan. Ik stel derhalve vast dat de verklaringen en de gegevens die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gekomen er toe niet bijdragen dat de beslissing op het bezwaarschrift de dato 14 december 2001 heroverwogen dient te worden.''

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft aangevoerd dat registratie in het I&R-Minas-systeem gebaseerd is op hetgeen is geregistreerd/gemeld in het I&R-systeem. Er kunnen geen gegevens terecht komen in I&R-Minas die niet aan het I&R-systeem zijn gemeld en in de I&R-database zijn verwerkt. Nu de bewijsstukken aantonen dat er meldingen bij I&R-Minas hebben plaatsgevonden, moet er ook gemeld zijn in het I&R-systeem.

5. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft onder meer bij brief van 24 juni 2003 het volgende geantwoord op de vragen van het College na schorsing van het onderzoek.

''Het overzicht I&R-Minas is een product dat de veehouders kunnen afnemen bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). De GD heeft dit product op de markt gezet om veehouders te faciliteren bij hun MINAS aangifte. Veel veehouders zijn hierop geabonneerd. Deze gegevens komen uit een bepaald informatiesysteem (NIS). Via een 'interface' van het I&R-systeem naar het NIS worden alle wijzigingen (mutaties in het veebeslag) automatisch doorgegeven aan het I&R-Minas. Volgens de gegevensverstrekking fungeert de I&R database dus als basis.

(…)

Uit de I&R-registratie blijkt dat appellant de ontbrekende meldingen na het controletijdstip alsnog, op 8 november 2000, aan het I&R-systeem heeft gemeld. Gelet op de geschetste methodiek van de informatievoorziening zijn er geen verschillen op het overzicht Minas en het I&R-systeem. Echter, het rapport van een controle dat is uitgevoerd op 7 november 2000 mag niet worden vergeleken met een overzicht van het I&R-Minas dat is geprint op 22 januari 2001. Uit het rapport blijkt immers dat de veehouder wat betreft een 7-tal runderen niet aan de meldplicht heeft voldaan, dat de correcte registratie op 8 november 2000 heeft plaatsgevonden, en dat de gegevens op het I&R-Minas op een veel later tijdstip zijn geselecteerd.

Dat, het hier gaat om van elkaar in zekere zin afhankelijk opererende systemen, met als tussenschakel het NIS, betekent niet dat de controleur zijn informatie bij het Minas dient te betrekken. Zoals gezegd gaat het wat beide systemen betreft om late meldingen, waarbij niet op voorhand met zekerheid kan worden gezegd dat op hetzelfde moment dezelfde informatie beschikbaar is. In het onderhavige geval heeft de registratie in het Minas op een later tijdstip plaatsgevonden.''

6. Het nadere standpunt van appellant

Ter zitting heeft appellant voorts aangevoerd dat het wel mogelijk is dat er een eerdere melding in het I&R-Minas heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft geen enkel stuk aangevoerd waaruit blijkt op welk tijdstip de mutatie in het I&R-Minas heeft plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat er op 22 augustus 2000 géén melding in het I&R-Minas is geweest. Het is de taak van verweerder te bewijzen dat voorgenoemde melding niet heeft plaatsgevonden.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat de door verweerder opgelegde boete in relatie met zijn lage inkomen niet proportioneel is.

7. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast, dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het beroep geacht wordt mede gericht te zijn tegen verweerders besluit van 25 april 2002, waarbij verweerder het bestreden besluit van 14 december 2001 heeft gewijzigd. Niet gebleken is dat appellant nog enig belang heeft behouden bij het ingestelde beroep tegen het besluit van 14 december 2001. Derhalve zal het College het daartegen gerichte beroep wegens verval van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

Het College stelt vast dat ingevolge de betreffende regelgeving niet registratie in het I&R- Minas, maar slechts de registratie bij het I&R-systeem bepalend is voor de vraag of de betreffende dieren tijdig zijn gemeld. Uitgaande van registratie in voornoemd systeem heeft verweerder derhalve terecht onregelmatigheden geconstateerd bij de aanwezige runderen op appellants bedrijf waardoor geen premie is toegekend. Immers, pas een dag na controle op 8 november 2000 heeft registratie in het I&R-systeem plaatsgevonden. Nu is gebleken dat de informatie in het I&R-Minas een afgeleide is van informatie uit het I&R-systeem en volgens dit systeem te laat is gemeld kunnen de door appellant aangevoerde stukken niet tot een ander oordeel leiden.

Appellants stelling dat de mogelijkheid bestaat dat er een eerdere melding in I&R-Minas heeft plaatsgevonden en het verweerders taak is om dit te onderzoeken, gaat niet op. Naar oordeel van het College gaat verweerders onderzoeksplicht niet zover dat hij moet aantonen wanneer exact bij I&R-Minas is gemeld, nu voor de identificatie en registratieverplichting het I&R-Minas niet als uitgangspunt wordt genomen. Nu verweerder heeft vastgesteld dat in de I&R-registratie niet de juiste informatie voorhanden was, is het aan appellant om aan te tonen dat hij de gegevens niettemin tijdig heeft gemeld.

Het College merkt voorts op dat de door verweerder opgelegde sanctie, rechtstreeks voortvloeit uit artikel 10 quater onder lid 3 van Verordening (EG) 3887/92. Dit artikel voorziet in een gedifferentieerd sanctiestelsel, dat mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1997 in zaak C-354/95 (National Farmers Union) niet in strijd geacht kan worden met het evenredigheidsbeginsel.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Appellant heeft geen opgave gedaan van door hem gemaakte proceskosten. Daarom komt het College niet toe aan een beslissing inzake zulke kosten.

8. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2001 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 april 2002 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz