Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1114

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1922
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 5 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 november 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 30 oktober 2001 tot intrekking van de aan appellante verleende vergunningen voor beroepsgoederenvervoer.

Wetsverwijzingen
Besluit goederenvervoer over de weg 20
Wet goederenvervoer over de weg 5
Wet goederenvervoer over de weg 8
Wet goederenvervoer over de weg 9
Wet goederenvervoer over de weg 12
Wet goederenvervoer over de weg 20
Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 1
Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1922 3 december 2003

14000 Wet goederenvervoer over de weg

Uitspraak in de zaak van:

V.o.f. Joda Transport, te Katwijk aan Zee, appellante,

gemachtigde: A, vennoot van appellante,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: R.A. Scherpenisse, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 5 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 november 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een beslissing genomen op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 30 oktober 2001 tot intrekking van de aan appellante verleende vergunningen voor beroepsgoederenvervoer.

Op 9 juli 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overlegd en een verweerschrift ingediend.

Op 25 juli 2003 heeft verweerder een tweetal nadere stukken ingediend.

Op 22 oktober 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoersondernemers, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/76/EG van de Raad van 1 oktober 1998, luidt, voorzover hier van belang:

"(…)

Overwegende dat het, wat het vereiste van financiële draagkracht betreft, van belang is bepaalde criteria vast te stellen waaraan de wegvervoerders moeten voldoen, teneinde met name de gelijke behandeling van de ondernemingen van de verschillende Lid-Staten te waarborgen.

(…)

Artikel 3

1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te oefenen, moeten

(…)

b) over voldoende financiële draagkracht beschikken,

(…)

3.a) Onder de voorwaarde van financiële draagkracht wordt verstaan het beschikken over toereikende financiële middelen om een goede start en een goed beheer van de onderneming te waarborgen.

(…)

c) De onderneming moet beschikken over een kapitaal en reserves waarvan de waarde ten minste gelijk is aan 9 000 euro wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 5 000 euro voor ieder volgend voertuig.

(…)

d) Voor de toepassing van de punten a), b) en c) kan de bevoegde autoriteit de bevestiging of de verzekering van een bank of een andere daartoe gekwalificeerde instelling aanvaarden of verlangen als bewijs. Deze bevestiging of verzekering mag de vorm van een bankgarantie, eventueel in de vorm van een onderpand of een borgsom, of enig ander soortgelijk middel hebben.

(…)"

De Wet goederenvervoer over de weg (hierna: de Wet) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 5

1. Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

2. (…)

3. Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten zonder een communautaire vergunning.

(…).

Artikel 8

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

(…)

b. kredietwaardigheid, door de ondernemer of indien meer natuurlijke personen gezamenlijk als ondernemer optreden, door hen gezamenlijk;

(…)

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde eisen.

Artikel 9

1. Een communautaire vergunning wordt slechts verleend en is na verlening slechts geldig, indien de aanvrager van die vergunning in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer als bedoeld in artikel 5, eerste lid.

(…)

Artikel 12

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt ingetrokken:

(…)

c. indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8, eerste lid; (…)

2. Een communautaire vergunning wordt ingetrokken:

a. indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer;

(…)."

Het Besluit goederenvervoer over de weg (Stb. 1992, 197) luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 20

1. Ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de wet dient de ondernemer te beschikken over een bij ministeriële regeling vast te stellen kapitaal en reserves benodigd voor een correcte aanvang en een goed beheer van de onderneming.

2. Omtrent het voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis van kredietwaardigheid stelt de NIWO een onderzoek in op de voet van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder b) van richtlijn nr. 96/26/EG.

3. De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar of aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan. De NIWO kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van het tijdstip van dat onderzoek.

4. De NIWO kan de ondernemer tijdens het onderzoek, bedoeld in het derde lid, een uitstel van ten hoogste een jaar verlenen ten behoeve van de vaststelling van het voldoen aan de eis van kredietwaardigheid indien de ondernemer heeft aangetoond dat het op grond van de algemene economische situatie van zijn onderneming waarschijnlijk is dat hij voor afloop van het verleende uitstel zal voldoen aan de eis van kredietwaardigheid.

(…)"

De tot 1 januari 2002 geldende Regeling vaststelling kredietwaardigheid (Stcrt. 1992, 85), luidde, voorzover hier van belang:

" Artikel 1

Als kapitaal en reserves voor een correcte aanvang en een goed beheer van de onderneming, beschikt de ondernemer over tenminste veertigduizend gulden, alsmede over elfduizend gulden voor elke te bezigen vrachtauto, al dan niet met een aanhangwagen."

De per 1 januari 2002 geldende Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 (Stcrt. 2001, 240), luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 1

Het kapitaal en de reserves waarover een ondernemer in het beroepsvervoer ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid dient te beschikken bedraagt ten minste:

a. € 18.000 wanneer hij in zijn onderneming één of twee vrachtauto's gebruikt;

b. € 19.000 wanneer hij in zijn onderneming drie vrachtauto's gebruikt;

c. € 24.000 wanneer hij in zijn onderneming vier vrachtauto's gebruikt;

d. € 5.000 per vrachtauto boven het onder c. vermelde bedrag voor elke extra vrachtauto, die hij in zijn onderneming gebruikt.

Artikel 2

1. Onder het kapitaal en de reserves van de ondernemer wordt verstaan het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen van de ondernemer, vermeerderd met een ten opzichte van alle andere schulden achtergestelde lening of met een belegging in durfkapitaal, zoals geregeld bij of krachtens de artikelen 5.17 en 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, aan een beginnende ondernemer.

2. De ondernemer toont tegenover de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie zijn kredietwaardigheid aan door het overleggen van een balans en een toelichting daarop, voorzien van een door een register-accountant of door een accountant-administratieconsulent afgegeven verklaring, inhoudende dat de waardering van het voor de onderneming

beschikbare risicodragend vermogen is geschied volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en dat dit vermogen voldoet aan de in artikel 1 gestelde eisen.

3. Is de ondernemer een rechtspersoon, die op grond van titel 9 van Boek 2 BW verplicht is om voor zijn onderneming een jaarrekening op te maken, dan kan hij volstaan met het overleggen van zijn jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar voorzien van een door een registeraccountant of door een accountant-administratieconsulent afgegeven verklaring, indien daaruit blijkt dat het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen voldoet aan de in artikel 1 gestelde eisen."

De toelichting bij de Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 2

(…)

Voor de periodieke toetsing van zijn kredietwaardigheid iedere vijf jaar zal een ondernemer die rechtspersoon is, in de regel kunnen volstaan met het overleggen van zijn jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar met een daarop gegeven accountantsverklaring. Wanneer hij daarover beschikt behoeft de ondernemer derhalve geen extra accountantskosten te maken om zijn kredietwaardigheid tegenover de NIWO aan te tonen.

Is de ondernemer daarentegen geen rechtspersoon of blijkt zijn kredietwaardigheid niet of onvoldoende uit zijn jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar, dan dient hij - evenals een beginnend ondernemer - zijn kredietwaardigheid door middel van een (aanvullende) balans met toelichting en een verklaring van een registeraccountant of een account administratieconsulent aan te tonen. Bij de grootte van het risiodragend vermogen mag hij dan in plaats van een 'Tante Agaath-lening' meetellen een lening, die ten opzichte van alle andere schulden van de ondernemer is achtergesteld."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 31 maart 2000 heeft verweerder aan B, handelend onder de naam Joda Transport, het volgende meegedeeld:

"Op 1 oktober 1998 is Richtlijn 98/76/EG in werking getreden. In deze richtlijn zijn de eisen voor toegang tot het beroep van vervoerondernemer op een aantal punten gewijzigd. (…)

Daartoe is in Nederland voor zover het de eis van kredietwaardigheid betreft per 1 oktober 1999 de regeling kredietwaardigheid gewijzigd. Op basis van de nieuwe regeling is de eis van kredietwaardigeid verhoogd naar f 19.800,- voor de eerste vrachtauto en f 11.000,- voor iedere volgende vrachtauto, met een minimum van f 40.000,-. (…)

Het benodigde kapitaal moet aanwezig moet zijn in de vorm van eigen vermogen en/of een achtergestelde lening.

(…)

Volgens de richtlijn moeten (…) ook alle bestaande vergunninghouders (…) aantonen dat zij volgens de nieuwe normen kredietwaardig zijn, d.w.z. over voldoende eigen vermogen en/of achtergestelde leningen beschikken.

De beschikbaarheid van het vereiste kapitaal kan uitsluitend worden aangetoond

a) door middel van een gedetailleerde balans, die is opgesteld en goedgekeurd door een accountant (RA of AA) of,

b) indien de balans niet door een AA- of RA-accountant is opgesteld, door middel van een door een AA- of RA-accountant ondertekende "verklaring inzake het minimaal aanwezige risicodragend vermogen" - inclusief de vermogensopstelling -, opgesteld volgens het "werkprogramma bepaling minimaal aanwezig risicodragend vermogen in Nederland gevestigde ondernemingen met een vergunning beroepsvervoer".

Een exemplaar van dit werkprogramma treft u bijgaand aan.

Aangezien aan u op de peildatum - 1 oktober 1999 - een vergunningbewijs voor 1 vrachtauto was uitgereikt, betekent een en ander dat in uw geval een kredietwaardigheid van tenminste f 40.000,- moet worden aangetoond.

Wij verzoeken u de bij bij a) of b) genoemde bewijsstukken binnen twee maanden aan ons toe te zenden."

- In verband met de wijziging van de rechtsvorm van deze vervoerondernemer - omzetting van een eenmanszaak in een v.o.f. - heeft appellante, met als vennoten B en A, vergunningen aangevraagd voor binnenlands beroepsvervoer en grensoverschrijdend beroepsvervoer. Deze vergunningen zijn bij besluiten van 17 mei 2000 verleend.

- Bij brieven van 23 juni 2000 en 8 september 2000 is appellante aan de brief van 31 maart 2000 herinnerd.

- Bij brief van 29 september 2000 heeft verweerder appellante (nogmaals) in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 30 september 2001, of zoveel eerder als mogelijk is, aan te tonen dat aan de voor haar onderneming geldende kredietwaardigheid van ten minste f 40.000,- wordt voldaan.

- Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft verweerder de aan appellante verleende vergunningen voor beroepsgoederenvervoer ingetrokken op de grond dat appellante niet heeft aangetoond dat aan de eis van kredietwaardigheid wordt voldaan.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 november 2001 bezwaar gemaakt.

- Verweerder heeft appellante op haar bezwaren gehoord op een hoorzitting van 6 maart 2002. Tijdens de hoorzitting heeft appellante een op haar bedrijfsvoertuigen betrekking hebbend, door C Bedrijfswagens B.V. opgesteld, taxatierapport van 23 november 2001 overgelegd.

- Bij brief van 9 september 2002 heeft verweerder appellante onder meer bericht dat zij tot uiterlijk 1 oktober 2002 de gelegenheid heeft om aan te tonen dat door haar onderneming wordt voldaan aan de eis van kredietwaardigheid overeenkomstig de nieuwe - in de Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 neergelegde - normen.

- Bij brief van 27 september 2002 heeft D aan verweerder een afschrift toegezonden van de jaarrekening die hij over 2001 heeft opgemaakt voor de onderneming Joda Transport.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft hij onder meer het volgende overwogen:

"Het bedrijfskapitaal dient in de vorm van eigen vermogen en/of een achtergestelde lening aanwezig te zijn en kan uitsluitend worden aangetoond door middel van een (beoordelings)verklaring van een accountant (RA of AA).

(…)

Blijkens de van u op 30 september 2002 ontvangen jaarrekening bedraagt het eigen vermogen binnen uw onderneming per 31 december 2001 minus f 7.663,-- (thans minus € 3.447,--).

(…)

Vooropgesteld dient te worden dat uit de door u overgelegde jaarrekening niet de aanwezigheid van het vereiste bedrijfskapitaal blijkt.

(…)

Op basis van (…) het vorenstaande dient vastgesteld te worden dat (…) niet is gebleken dat door u wordt voldaan aan het vereiste van kredietwaardigheid in bovenbedoelde zin."

Hieraan heeft verweerder bij zijn verweerschrift onder meer toegevoegd dat appellante volgens de balans over 2001 een negatief eigen vermogen heeft van € 7.663,--, in plaats van € 3.447,--, en dat zij naast de balans niet tevens een AA- of RA-accountantsverklaring ter zake van de overwaarde van haar vrachtauto en de inbreng van privé-bezittingen heeft overgelegd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van haar beroep het volgende aangevoerd.

De overwaarde van de in gebruik zijnde vrachtwagen, waarvan de werkelijke waarde is getaxeerd door C Bedrijfswagens B.V., valt onder de zogenoemde stille reserve, en moet als zodanig worden gerekend tot het beschikbare risicodragend vermogen.

Verweerder heeft niet gevraagd naar privé-bezittingen, die in dit geval risicodragend zijn ten opzichte van de bedrijfsschulden. De door A geschatte waarde van deze bezittingen bedraagt € 18.550,-.

Gelet op de overwaarde van de vrachtwagen en de waarde van de privé-bezittingen, voldoet appellante ruimschoots aan het bepaalde in Richtlijn 96/26/EG. Hierbij dient tevens in aanmerking te worden genomen dat appellante geen schulden heeft, noch bij de fiscus, noch bij leveranciers.

Mocht verweerder in het gelijk worden gesteld, dan zullen de vennoten van appellante geheel zonder inkomen komen te zitten, hetgeen ingrijpende gevolgen zal hebben voor het gezin. Om humanitaire redenen zou de intrekking van appellantes vergunningen voor beroepsgoederenvervoer ongedaan moeten worden gemaakt.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 96/26/EG moeten ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te oefenen over voldoende financiële draagkracht beschikken. In artikel 3, derde lid, van Richtlijn 96/26/EG wordt in onderdeel c aangegeven wat ten minste de waarde moet zijn van het kapitaal en de reserves waarover de onderneming beschikt.

Het punt dat partijen verdeeld houdt - en waardoor hun waardebepaling uiteenloopt - betreft de vraag of bij de bepaling van de waarde van kapitaal en reserves ook de door appellante genoemde elementen - de overwaarde van haar vrachtwagen en de privé-bezittingen - moeten worden meegenomen.

Verweerder - en sinds 1 januari 2002 de ministeriële regelgever in artikel 2, tweede lid, van de Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 en de toelichting hierop - verlangt van vervoersondernemers als bewijs dat de onderneming over het vereiste kapitaal en reserves beschikt een balans met toelichting en een verklaring van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent. Bij niet-rechtspersonen kunnen privé-bezittingen worden meegenomen, mits hierover een accountantsverklaring is afgegeven.

Het College ziet niet in, gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van Richtlijn 96/26/EG, dat verweerder zodanige bewijzen niet zou mogen verlangen. Blijkens de in rubriek 2.2 geciteerde brief van 31 maart 2000 heeft verweerder in het geval van appellante ook expliciet om deze bewijzen gevraagd.

Vast staat dat noch ten aanzien van de overwaarde van appellantes vrachtwagen, noch ten aanzien van de privé-bezittingen van appellantes vennoten een verklaring, als hiervoor bedoeld, is afgegeven. Reeds gelet hierop kunnen deze elementen, naar het oordeel van het College, niet worden meegenomen bij de bepaling van de waarde van kapitaal en reserves van appellantes onderneming.

Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder terecht geoordeeld dat appellante niet heeft voldaan aan artikel 3, derde lid, onder c, van Richtlijn 96/26/EG en dus evenmin aan artikel 1 van de Regeling vaststelling kredietwaardigheid en artikel 1 van de Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet gehouden was de vergunningen van appellante in te trekken. De Wet biedt geen grondslag om hiervan om humanitaire redenen vanaf te zien. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. W.F. Claessens