Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1104

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-11-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1926
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 5 december 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag van appellant om een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1926 21 november 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A h.o.d.n. Taxi A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. R.A. IJsendijk, advocaat werkzaam te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. W.E. van Haveren, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 5 december 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag van appellant om een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000.

Op 13 januari 2003 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 18 februari 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2003, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer 2000 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling;

k. vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)''

In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

'' Artikel 26

1. De vervoerder die openbaar vervoer, anders dan per trein, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.''

In de Nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit is het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven als volgt nader toegelicht:

'' De eis van vakbekwaamheid beoogt door inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming te waarborgen. Het predikaat ''permanent'' moet worden opgevat als een continue betrokkenheid bij het leidinggeven. De betrokkenheid mag niet incidenteel zijn. Indien het leidinggeven door de aard of grootte van de onderneming een voltijdse aangelegenheid is, betekent dit dat de vakbekwame niet slechts een gedeelte van de werktijd met daadwerkelijke leiding kan zijn belast. ''Daadwerkelijk'' geeft aan dat het om een inhoudelijke betrokkenheid bij het leidinggeven gaat.

De functie van leidinggevende kan niet louter een formele status inhouden. Zo kan een bestuurder van een rechtspersoon die als vervoerder geldt de vakbekwaamheid niet inbrengen indien de leiding over het vervoer feitelijk bij een ander berust. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiele verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van het personeel, het dagelijkse ondernemersbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. De uitleg van het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven vergt tevens dat de vakbekwame ten aanzien van deze werkzaamheden naar buiten vertegenwoordigingsbevoegd is. Zonder een volmacht of mandaat om namens de vervoerder op te treden, kan de facto geen sprake zijn van leidinggeven als bedoeld in het onderhavige artikel.''

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier, ingekomen bij verweerder op 6 november 2001, een aanvraag ingediend voor een taxivergunning ten behoeve van zijn taxibedrijf. Volgens opgave in deze aanvraag zal de vakbekwaamheid binnen de onderneming worden ingebracht door procuratiehouder B.

- Ten behoeve van de beoordeling van de vergunningaanvraag heeft appellant desgevraagd aan verweerder een formulier ''Verklaring inbreng vakbekwaamheid'' gedagtekend 14 januari 2002, doen toekomen, waarin B diverse vragen heeft beantwoord omtrent de wijze waarop binnen het betreffende taxibedrijf leiding zal worden gegeven. Uit deze verklaring blijkt dat B voornamelijk belast is met toezicht op de administratie en boekhouding, de belastingaangifte, de behandeling van klachten en eventueel andere problemen met betrekking tot taxizaken. De hoogte van de taxitarieven en de aanschaf van voertuigen gebeurt in overleg met appellant. Voorts is appellant zelf belast met de vervoerplanning en regelt hij de zaken als verzekeringen en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Tevens blijkt daaruit dat B een eigen taxionderneming heeft, waarin hij 30 uur per week chauffeurswerkzaamheden verricht.

- Bij besluit van 15 maart 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat niet gesproken kan worden van daadwerkelijk en permanent leidinggeven door de vakbekwame persoon, zodat door de vervoerder niet aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 maart 2002 bezwaar gemaakt.

- Appellant is omtrent deze bezwaren op 29 augustus 2002 gehoord door een hoorcommissie van verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

'' Blijkens hetgeen B heeft aangegeven in de verklaring inbreng vakbekwaamheid en de procuratieovereenkomst, zal B zich binnen de onderneming van A hoofdzakelijk bezig houden met het controleren van de boekhouding, het nemen van investeringsbeslissingen, het beoordelen van het onderhoud van taxi's en het namens A onderhouden van de contacten met de Divisie Vervoer, Belastingdienst, Bedrijfsvereniging/LISV, taxicentrale Amsterdam BV, althans het toezicht houden op die contacten. Hij zal voorts de daarmee samenhangende werkzaamheden samen met A verrichten en zijn overige taken zullen in overleg worden afgehandeld. Van een duidelijke en daadwerkelijke taakverdeling tussen A en B is derhalve geen sprake. Voorshands moet dan ook worden aangenomen, dat B binnen de onderneming van A misschien wel inhoudelijk betrokken is, maar dat die betrokkenheid niet specifiek ziet op het leidinggeven.

Tijdens de hoorzitting heeft B verklaard, dat hij niet inziet welke werkzaamheden hij zou moeten verrichten. Hij geeft aan dat het niet de bedoeling is dat hij constant A in de gaten dient te houden.''

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder neemt als uitgangspunt dat de ondernemer zelf vakbekwaam dient te zijn. Dit is in strijd met het beleid zoals kenbaar sedert begin 2001. Begin 2001 heeft verweerder namelijk het standpunt ingenomen dat een vakbekwame persoon procuratiehouder zou kunnen zijn bij vijf eenmanszaken. Derhalve is de weigering van de vergunning in strijd met dat beleid.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de vakbekwame persoon permanent en daadwerkelijk leiding dient te geven aan de vervoersactiviteiten. Niet is vereist dat de vakbekwame persoon permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de onderneming. Verweerder hanteert derhalve het verkeerde criterium. De vakbekwaam persoon dient dus direct en inhoudelijk betrokken te zijn bij beslissingen aangaande het vervoer en niet bij alle ondernemersbeslissingen. I.c. voldoet B aan deze eis, gezien de taken waar hij mee belast is.

5. De beoordeling van het geschil

Het College ziet zich voor de vraag gesteld of verweerders besluit tot handhaving van de weigering een taxivergunning af te geven, in rechte stand kan houden.

Het College overweegt allereerst dat het wettelijk stelsel, en in het bijzonder artikel 26, tweede lid, van het Besluit, mede in het licht van de hiervoor weergegeven toelichting op deze bepaling, er niet aan in de weg staat dat (ook) bij een eenmanszaak ('eigen rijder') de vakbekwaamheid door een procuratiehouder wordt ingebracht, mits deze procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer.

Het is echter over het algemeen minder waarschijnlijk te achten dat een ondernemer die voornemens is in het kader van een eenmanszaak bepaalde werkzaamheden te verrichten, een procuratiehouder belast met in het bijzonder de taak om aan de uitvoering van die werkzaamheden leiding te geven. Het College acht het dan ook niet onjuist dat verweerder vergunningaanvragen voor een zodanige bedrijfsvoering van een eigen rijder die zelf niet aan de vakbekwaamheidseis voldoet, kritisch beziet en niet op voorhand van de aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde taakomschrijving van de procuratiehouder uitgaat. Dat verweerder begin 2001 een ander beleid ten aanzien van de vakbekwaamheid hanteerde maakt dit niet anders. Het staat verweerder vrij de aanvragen met het oog op de vakbekwaamheid strikter te toetsen aan de wettelijke bepalingen.

In de Nota van Toelichting is aangegeven dat de werkzaamheden in het kader waarvan leiding gegeven wordt betekenen dat de leidinggevende, naast het leidinggeven aan de vervoerswerkzaamheden, inhoudelijk betrokken moet zijn bij een aantal algemene ondernemersbeslissingen bijvoorbeeld inzake het aangaan van financiële verplichtingen, of het aan- en verkoopbeleid.

Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gelet op de procuratieovereenkomst en de verklaring inbreng vakbekwaamheid onvoldoende aannemelijk is geworden dat B permanent en daadwerkelijk leiding zal gaan geven in de boven aangeduide zin. Appellant zelf regelt de vervoersplanning. Op basis van de beschikbare gegevens en het ter zitting verhandelde kan het College slechts vaststellen dat B wel inhoudelijk betrokken is bij de onderneming van appellant, maar dat niet kan worden gesproken van een duidelijke leidinggevende taak voor B. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hier wel sprake van is.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz