Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1103

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1873
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 25 november 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder, verzonden 16 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders weigering subsidie te verlenen ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 1
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 3
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1873 19 november 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. A.A. den Hollander, advocaat te Middelharnis,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 25 november 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder, verzonden 16 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders weigering subsidie te verlenen ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Appellant heeft bij brief van 21 februari 2003 de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 28 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 25 september 2003 heeft appellant een nader stuk overgelegd.

Op 8 oktober 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn dochter, C. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van D van GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

(…)

l. akkerland:

a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik was, en

b) grond die uiterlijk op 31 december 1991 overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit produktie nemen van bouwland uit productie is geweest met uitzondering van grond die overeenkomstig artikel 4 is vervangen door andere gronden;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks terzake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/99, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 4

1. Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland:

(…)

3. De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien:

a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd (…);

b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland;

c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen;

d. en voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER.

Een schriftelijke aanvraag voor de hiervoor bedoelde toestemming wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen door LASER ontvangen."

In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 is het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was. (…)"

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999, houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999, is het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland" "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidde, voorzover hier en ten tijde van belang, als volgt:

"1. Wanneer wordt vastgesteld dat de feitelijk geconstateerde oppervlakte groter is dan de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte, wordt de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen voor de berekening van het steunbedrag.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 9 mei 2001 een "Aanvraag oppervlakten/Gebruik gewaspercelen Opgave 2001" bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie voor 5,4 hectare snijmaïs op grond van de Regeling.

- Op 31 oktober 2001 heeft GeoRas op het formulier "Controle steunverlening producenten akkerbouwgewassen middels teledetectie 2001" aangegeven dat van het perceel met volgnummer 2 (hierna: perceel 2) slechts 1,37 hectare van de voor subsidie opgegeven 3,0 hectare aan de definitie akkerland voldoet.

- Bij brief van 18 december 2001 heeft verweerder appellant bericht dat bij controle is gebleken dat het zuidwestelijk deel van perceel 2 niet aan de definitie akkerland voldoet. Appellant is bij deze brief verzocht aan te tonen dat het betreffende perceel in de jaren 1987 tot en met 1991 als akkerland in gebruik is geweest.

- Appellant heeft hierop bij brief van 27 december 2001 gereageerd.

- Bij besluit van 14 januari 2002 heeft verweerder op appellants aanvraag beslist. Omdat het verschil tussen de aangevraagde oppervlakte (5,4 hectare) en de geconstateerde oppervlakte (3,77 hectare) groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, bestaat geen recht op subsidie en is de aanvraag in zijn geheel afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 februari 2002 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is aangevuld bij brief van 31 mei 2002.

- Verweerder heeft appellant in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaar in een hoorzitting toe te lichten, maar appellant heeft hiervan afgezien.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hierbij heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. De beoordeling van het geschil

Het College stelt het volgende vast. D heeft ter zitting aan de hand van de kleurenbeelden van de satellietopnamen laten zien welk deel van perceel 2 naar het oordeel van verweerder wel, en welk deel niet voldoet aan de definitie akkerland in artikel 1, aanhef en onder l, van de Regeling. Het deel dat niet voldoet, is volgens Honig in de periode van 1987 tot en met 1991 als grasland in gebruik geweest. Appellant heeft ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat dit deel van perceel 2 gedurende de gehele genoemde periode inderdaad als grasland is gebruikt. Appellant heeft evenwel aangevoerd dat het hier geen blijvend grasland maar tijdelijk grasland betreft en dat de van Augustijn afkomstige gronden in 1993 in het kader van de ruilverkaveling definitief als akkerland aan appellant zijn toebedeeld.

Het College overweegt dat de vraag of het litigieuze deel van perceel 2 als blijvend grasland moet worden aangemerkt, dient te worden beantwoord aan de hand van de in rubriek 2.1 weergegeven definitie van blijvend grasland in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2316/1999. Nu appellant ter zitting heeft bevestigd dat het deel van perceel 2, dat volgens verweerder niet voldoet, gedurende de gehele periode van 1987 tot en met 1991 als grasland is gebruikt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het hier blijvend grasland in de zin van die definitie betreft. Dat appellant, gelet op de ruilverkaveling en de toedeling in 1993, meent dat het betreffende deel van perceel 2 als tijdelijk grasland dient te worden aangemerkt, kan aan de bindende gemeenschapsrechtelijke definitie niet afdoen.

Voorzover appellant meent dat hij op grond van de ruilverkaveling recht op subsidie heeft, overweegt het College dat gesteld noch gebleken is dat aan de in artikel 4, derde lid, van de Regeling gestelde voorwaarden is voldaan.

Het feit dat aan appellant in voorgaande perioden ten aanzien van hetzelfde perceel wel subsidie is verleend, betekent ten slotte niet dat verweerder rechtens gehouden is om appellant (ook) over 2001 subsidie te verlenen. Verweerder is immers bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag in beginsel niet gebonden aan feitelijke vaststellingen die hij in eerdere jaren heeft gedaan.

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. W.F. Claessens