Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1102

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/254 en 02/255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 24 januari 2002 heeft het College van appellante sub 1 (hierna ook: A) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 20 december 2001.

Eveneens op 24 januari 2002 heeft het College van appellante sub 2 (hierna ook: C) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 20 december 2001.

Bij bedoelde besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen uitnodigingen tot betaling van landbouwheffingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nrs. AWB 02/254 en 02/255 19 november 2003

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaken van:

1. A, te B,

2. C, te D,

appellanten,

gemachtigden: mr. W.M.C. Schipper en F.H.J. van der Wielen, beiden werkzaam bij KPMG Meijburg & Co, te Amstelveen,

tegen

het Hoofdproductschap Akkerbouw, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr. E.R. Kleijwegt en drs. J. Wielemaker, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 24 januari 2002 heeft het College van appellante sub 1 (hierna ook: A) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 20 december 2001.

Eveneens op 24 januari 2002 heeft het College van appellante sub 2 (hierna ook: C) een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een aan haar gericht besluit van 20 december 2001.

Bij bedoelde besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen uitnodigingen tot betaling van landbouwheffingen.

Op 9 juli 2002 is van ieder van de appellanten een aanvulling op het beroepschrift ontvangen.

Op 2 oktober 2002 zijn van verweerder verweerschriften ontvangen.

Op 13 augustus 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 (Pb. EG 1992, L 302) tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 114

1. Onverminderd artikel 115, kunnen in het douanegebied van de Gemeenschap onder de regeling actieve veredeling de volgende goederen een of meer veredelingshandelingen ondergaan:

a) niet-communautaire goederen die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsprodukten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen onderworpen zijn;

(…)

2. Er wordt verstaan onder:

(…)

e) equivalente goederen: communautaire goederen die in plaats van de invoergoederen worden gebruikt voor de vervaardiging van veredelingsprodukten;

(…)

Artikel 115

1. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van lid 2, staan de douaneautoriteiten, onder voorbehoud van lid 4, toe dat:

a) de veredelingsprodukten uit equivalente goederen worden verkregen;

(…)

2. De equivalente goederen moeten dezelfde kwaliteit en dezelfde kenmerken hebben als de invoergoederen. In bijzondere, volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen, kan echter worden toegestaan dat de equivalente goederen zich in een verder gevorderd stadium van fabricage bevinden dan de invoergoederen.

(…)

Artikel 220

1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk bedrag hebben kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf) (…)

2. Behalve in de gevallen (…) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:

a) (…);

b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, tengevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

(…)

Artikel 221

1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2. (…)"

In het derde lid van artikel 221 CDW, zoals deze bepaling luidde tot 19 december 2000, was bepaald dat de mededeling aan de schuldenaar niet meer mag geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Deze bepaling is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 en luidt sinds de inwerkingtreding daarvan op 17 december 2000 als volgt:

"3. De mededeling aan de schuldenaar moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Deze termijn wordt geschorst door het instellen van een beroep in de zin van artikel 243 voor de duur van de procedure van beroep."

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Pb EG 1993, nr. L 253, hierna: TCDW), zoals luidend ten tijde hier van belang, bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 569

1. Onverminderd lid 2 en artikel 570, lid 1, kan slechts van het equivalentieverkeer gebruik worden gemaakt indien de equivalente goederen in dezelfde, uit acht cijfers bestaande onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld, en dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken bezitten als de invoergoederen.

2. Voor de in bijlage 78 bedoelde goederen zijn de bijzondere bepalingen in die bijlage van toepassing.

(…)

5. Wanneer in de vergunning geen equivalentieverkeer is voorzien, en de vergunninghouder daarvan toch gebruik wenst te maken, dient hij een aanvraag tot wijziging van de oorspronkelijk verleende vergunning in. (…)

Artikel 570

1. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen staan de douane-autoriteiten toe dat de equivalente goederen zich in een verder gevorderd produktiestadium bevinden dan de invoergoederen, voor zover het belangrijkste deel van de veredeling van die equivalente goederen plaatsvindt in het bedrijf van de vergunninghouder of het bedrijf waar de veredeling voor zijn rekening wordt uitgevoerd.

(…)

Artikel 871

Wanneer de douaneautoriteiten, in andere dan de in artikel 869 bedoelde gevallen, van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, onder b), van het Wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. (…)

Bijlage 78

Bijzonder bepalingen met betrekking tot het equivalentieverkeer en de voorafgaande uitvoer voor bepaalde goederen.

1. Rijst

Rijstsoorten van GN-code 1006 kunnen slechts als equivalente goederen worden beschouwd wanneer zij onder dezelfde code van acht cijfers van de gecombineerde nomenclatuur (GN) vallen. (…)"

Op 1 juni 1996 is de Invoeringswet Douanewet (Stb. 1995, 554) in werking getreden. Met ingang van deze datum luidde artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) als volgt:

"1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling

door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk.

(…)

3. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van landbouwheffingen in door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen, door daarbij aan te wijzen organen."

De artikelen 8b en 109 van de Douaneregeling luidden ten tijde hier van belang als volgt:

"Artikel 8b

Indien een productschap een vergunning [actieve veredeling] heeft verleend als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 68, eerste lid, en voor deze goederen een douaneschuld ontstaat uit hoofde van artikel 204 van het Communautair douanewetboek, wordt dat productschap voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 22a, eerste lid, 22b, 22c, eerste en vierde lid, alsmede hoofdstuk V, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 mede aangemerkt als inspecteur, onderscheidenlijk ontvanger.

Artikel 109

De inspecteur kan uitnodigingen tot betaling uit hoofde van dezelfde douaneschuld, of uit hoofde van verschillende douaneschulden indien deze zijn ontstaan met betrekking tot goederen welke zijn omschreven in dezelfde douaneaangifte of dezelfde aanvullende aangifte, op één aanslagbiljet verenigen, behoudens voor zover de vaststelling van de uitnodigingen tot

betaling geschiedt krachtens artikel 22a, tweede of derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Voor zover uit hoofde van de in de eerste volzin bedoelde douaneschulden tevens uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld krachtens artikel 22a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan de inspecteur de gegevens van de desbetreffende aanslagbiljetten op het aanslagbiljet, bedoeld in de eerste volzin vermelden. Aanslagbiljetten waarvan de gegevens worden vermeld op het aanslagbiljet, bedoeld in de eerste volzin, worden niet aan de ontvanger ter hand gesteld."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

In zaak 02/254 (A):

- Op 20 december 1995 is aan A een vergunning voor actief veredelingsverkeer, nr. T 89/06/96, verleend om, met toepassing van het systeem inzake schorsing, uit derde landen een hoeveelheid langkorrelige gedopte parboiled rijst, met GN-code 1006 20 17, in te voeren ter veredeling tot het hoofdveredelingsproduct langkorrelige volwitte parboiled rijst, met GN-code 1006 30 67. Onder punt 5 van deze vergunning, die geldig is van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996, is als toegestane bijzondere voorwaarde onder meer aangekruist "equivalentieverkeer", waarbij als equivalent goed is vermeld: langkorrelige gedopte parboiled rijst, met GN-code 1006 20 17.

- De Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) heeft over de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 september 1996 een controle verricht bij appellante. Hiervan is op 29 oktober 1996 een rapport, nr. 1916/96/0155, opgemaakt, waarin onder punt 13, onder c, het volgende is vermeld:

"Bij afloopcontrole op door het bedrijf ingevoerde volwitte rijst uit Italië is vastgesteld, dat (…) onjuiste equivalentie heeft plaatsgevonden. Het bedrijf heeft hier gebruik gemaakt van toestemmingsnummer 89/06/96, zijnde langkorrelige gedopte parboiled rijst van GN-code 1006.20.17 geëquivaleerd met uit Italië afkomstige parboiled rijst van GN-code 1006.30.67 (…)"

- Bij brieven van 12 december 1997 heeft verweerder, mede in de hoedanigheid van inspecteur, aan zowel A als C een uitnodiging tot betaling, kenmerk UR 1.1/1445/KS (A), respectievelijk UR 1.1/2352/PvdT (C), doen toekomen voor douaneschulden ter zake van, kort gezegd, ongerechtvaardigde voordelen die A en C hebben genoten in verband met het in het vrije verkeer brengen van een hoeveelheid volwitte rijst, overeenkomend met een gewichtsaandeel van maximaal 5% dat werd verantwoord als uitvoer van het hoofdveredelingsproduct, terwijl in feite sprake was van het bijkomende veredelingsproduct breukrijst. De door appellanten tegen deze uitnodigingen tot betaling gemaakte bezwaren heeft verweerder bij besluiten van 23 september 1999 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2002, nrs. AWB 99/111 en 99/112, heeft het College de door appellanten tegen laatstgenoemde besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 23 september 1999 vernietigd en de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling van 12 december 1997 ingetrokken voor zover daarbij landbouwheffingen en hiermee samenhangende compenserende interesten zijn opgelegd.

- Bij brief van - eveneens - 12 december 1997, kenmerk UR 1.1/1428/KS, heeft verweerder, mede in de hoedanigheid van inspecteur, aan A een uitnodiging tot betaling doen toekomen ten bedrage van fl. 133.581,07. Deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Bij controle op uw bedrijf door de Algemene Inspectie Dienst zijn afwijkingen geconstateerd. Het betreft de volgende afwijkingen genoemd in rapport nr 1916/96/0155:

13c - Onder dit punt van de rapportering is vastgesteld dat er sprake is van een onjuiste toepassing van het equivalentieverkeer: zowel uit de definitie van equivalente goederen in artikel 114 lid 2 e) van Vo. (EEG) nr 2913/92 (het Communautair Douanewetboek, CDW) als uit de voorwaarden waaraan equivalente goederen dienen te voldoen blijkt dat er sprake dient te zijn van goederen die in plaats van de invoergoederen dienen te worden verwerkt tot veredelingsproducten en derhalve in beginsel hetzelfde bewerkingsstadium dienen te hebben als de invoergoederen. De bijzondere bepalingen met betrekking tot het equivalentieverkeer voor rijst zijn opgenomen in punt 1 van Bijlage 78 bij Vo. (EEG) nr 2454/93 (de uitvoeringsbepalingen bij het Communautair Douanewetboek).

In de in de bijlage genoemde transacties is niet voldaan aan de bepalingen genoemd in punt 1 van bovenbedoelde Bijlage 78, daar equivalentie heeft plaatsgevonden tussen langkorrelige gedopte parboiled rijst van GN-code 1006 20 17 en uit Italië afkomstige langkorrelige volwitte parboiled rijst van GN-code 1006 30 67.

13d - De A.I.D. heeft met betrekking tot een viertal partijen uitgevoerde veredelingsproducten een afwijkend breukpercentage vastgesteld, te weten 10% in plaats van 5%.

Gegeven de geconstateerde afwijkingen zijn ingevolge artikel 204, eerste lid, onder a) van het CDW voor de in de bijlage gespecificeerde aangiften tot plaatsing onder de regeling Actieve Veredeling, douaneschulden ontstaan. De uit deze douaneschulden voortvloeiende bedragen aan rechten bij invoer, zijn per aangifte in de bijlage gespecificeerd.

Op grond van artikel 72, eerste en tweede lid van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1981 jo. artikel 8b van de Douaneregeling, stellen wij hierbij in de hoedanigheid van inspecteur de uitnodiging tot betaling, als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Algemene Wet inzake rijks- belastingen, vast voor de in de bijlage gespecificeerde bedragen aan verschuldigde rechten bij invoer, in totaal Hfl. 133.581,07."

- Bij brief van 29 december 1997, aangevuld bij brief van 27 november 1998, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de aan haar gerichte uitnodiging tot betaling.

- Op 23 november 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij brief van 19 januari 2000 is verweerder ingegaan op hetgeen A tijdens de hoorzitting naar voren had gebracht ten aanzien van haar bezwaar, kort gezegd, dat de aan haar gerichte uitnodigingen tot betaling van 12 december 1997 zien op dezelfde partijen rijst en dat aldus een deel van de verschuldigde rechten dubbel is geboekt.

- Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting is A in de gelegenheid gesteld een kostprijsberekening aan te leveren van de door haar verwerkte, uit Italië afkomstige (volwitte) rijst. Deze kostprijsberekening heeft appellante aan verweerder toegezonden bij brief van 13 april 2000.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

In zaak 02/255 (C):

- Op 13 januari 1995 zijn aan C vergunningen voor actief veredelingsverkeer, nrs. T 89/18/95 en T 89/19/95, verleend om, met toepassing van het systeem inzake schorsing, uit derde landen hoeveelheden langkorrelige gedopte rijst (andere dan parboiled), met GN-code 1006 20 98, respectievelijk langkorrelige gedopte parboiled rijst, met GN-code 1006 20 17, in te voeren ter veredeling tot de hoofdveredelingsproducten langkorrelige volwitte rijst (andere dan parboiled), met GN-code 1006 30 98, respectievelijk langkorrelige volwitte parboiled rijst, met GN-code 1006 30 67. Onder punt 5 van deze vergunningen, die geldig zijn van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996, is als toegestane bijzondere voorwaarde onder meer aangekruist "equivalentieverkeer", waarbij als equivalente goederen zijn vermeld: langkorrelige gedopte rijst (andere dan parboiled), met GN-code 1006 20 98, respectievelijk langkorrelige gedopte parboiled rijst, met GN-code 1006 20 17.

- De AID heeft in de periode van 12 februari 1997 tot 9 juni 1998 op diverse data controles verricht bij appellante. Hiervan is op 9 juni 1998 een rapport, nr. 1536/98/0023, opgemaakt, waarin onder meer is vermeld dat bij de veredeling van rijst onder vergunning T 89/18/95 bij een aantal - nader gespecificeerde - transacties volwitte rijst als equivalentiegoed is aangewend en dat bij enkele - nader gespecificeerde - transacties onder vergunning T 89/19/95 volwitte parboiled rijst is aangewend als equivalentiegoed voor de ingevoerde gedopte parboiled rijst.

- Bij brieven van 11 en 29 juni 1998 heeft verweerder, mede in de hoedanigheid van inspecteur, aan C uitnodigingen tot betaling doen toekomen ten bedrage van onderscheidenlijk fl. 739.845,96 en fl. 2.817.025,54. Deze brieven zijn nagenoeg gelijkluidend aan de aan A gerichte uitnodiging tot betaling d.d. 12 december 1997, kenmerk UR 1.1/1428/KS.

- Bij brieven van 17 juli 1998, aangevuld bij brieven van 12 november 1998, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de aan haar gerichte uitnodigingen tot betaling.

- Bij brief van 14 augustus 1998 is verweerder ingegaan op het door C bij faxbericht van 27 juli 1998 aangekaarte probleem dat veredelingstransacties waarvan bij uitnodigingen tot betaling van 11 en 29 juni 1998 landbouwheffingen zijn opgelegd, deels dezelfde transacties zijn waarvoor reeds bij uitnodiging tot betaling van 12 december 1997 landbouwheffingen zijn opgelegd in verband met de verantwoording van breukrijst als volwitte rijst voor een gewichtsaandeel van maximaal 5%.

- Op 7 maart 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Naar aanleiding van het verhandelde tijdens de hoorzitting is C in de gelegenheid gesteld een kostprijsberekening aan te leveren van de door haar verwerkte, uit Italië afkomstige, (volwitte) rijst. Deze kostprijsberekening heeft appellante aan verweerder toegezonden bij brief van 31 maart 1999.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

De besluiten zijn ondertekend door E, naar wordt vermeld namens de inspecteur van de rijksbelastingdienst bevoegd inzake de douane. In het verweerschrift in de zaak van A en in het door C bestreden besluit is aangegeven dat verweerder de bestreden besluiten (gedeeltelijk) nam in de hoedanigheid van inspecteur die hem op grond van artikel 8b Douaneregeling toekomt.

Bij het door A bestreden besluit heeft verweerder de op 29 december 1997 de door A ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit houdt onder meer het volgende in:

"24. Het hoofdproductschap stelt vast dat het begrip "rechten bij invoer" zoals hij dat in zijn uitnodiging tot betaling heeft gebruikt, een voldoende bepaald begrip betreft. Onderhavige belasting is door de communautaire regelgever gedefinieerd in artikel 4, punt 10, CDW en wordt door de nationale wetgever als zodanig gehanteerd in artikel 22a, eerste lid, Awr, waar is bepaald dat "De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk".

25. Dat vervolgens het hoofdproductschap in casu de uitsplitsing van de rechten bij invoer naar het soort recht achterwege heeft gelaten, is van andere orde. Het hoofdproductschap is van oordeel dat hij op goede gronden bedoelde uitsplitsing achterwege heeft gelaten.

26. Wat betreft de opbouw van de in het geding zijnde douaneschuld, zij het volgende ter verduidelijking opgemerkt.

27. De douaneschulden die verband houden met de onjuiste equivalentie bestaan uit verschillende typen rechten bij invoer. Op grond van artikel 121, lid 1, CDW wordt het bedrag van de douaneschuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen die gelden voor de invoergoederen, in casu langkorrelige gedopte parboiled rijst. Het recht op dit goed is ofwel het invoerrecht in de zin van artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3072/95 (marktordening rijst) ofwel, ingevolge het eerste lid van genoemd artikel, het recht van het GDT. Dit nu is afhankelijk van de marktsituatie en derhalve wisselend in de tijd.

28. 0p de in onze bestreden beslissing van 12 december 1997 genoemde tijdstippen tot plaatsing van de langkorrelige gedopte parboiled rijst onder de regeling actieve veredeling was er steeds sprake van een invoerrecht in de zin van artikel 11, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3072/95. Dit invoerrecht moet worden gekwalificeerd als een belasting bij invoer, bedoeld in artikel 4, onder 10, tweede gedachtestreepje, van het CDW.

29. De berekening van de douaneschuld aan de hand van de heffingsgrondslagen voor het invoergoed langkorrelige gedopte parboiled rijst dient samen te gaan met een correctie van de eerder opgelegde rechten over de niet uitgevoerde hoeveelheden van de bijkomende veredelingsproducten breukrijst van GN-code 1006 40 00 en rijstafvallen van GN-code 2302 20. Voorkomen dient immers te worden dat deze producten dubbel worden belast, te weten via het invoergoed langkorrelige gedopte parboiled rijst en via het op grond van artikel 122, onder a) CDW op te leggen "eigen recht". De te corrigeren rechten op de producten breukrijst en rijstafvallen betreffen steeds uitsluitend rechten van het GDT.

30. De in het geding zijnde rechten bij invoer zijn in de bijlage bij dit besluit gespecificeerd.

(…)

36. Ten aanzien van uw grief (…) als zou het bestreden besluit en ons besluit van 12 december 1997 (…) in samenhang gelezen een doublure bevatten, merken wij het volgende op.

37. Ons besluit van 12 december 1997 met kenmerk UR 1.1/1445/KS betreft een uitnodiging tot betaling voor bedragen aan landbouwheffingen c.q. rechten bij invoer, deels vermeerderd met compenserende interesten, in verband met de uitvoer van het hoofdveredelingsproduct volwitte rijst waarin zich het bijkomende veredelingsproduct breukrijst bevond, dat echter tot een gewichtsaandeel van maximaal 5% werd verantwoord als uitvoer van het hoofdveredelingsproduct volwitte rijst. Voor genoemd gewichtsaandeel is derhalve een douaneschuld ontstaan.

38. De partijen die onderdeel uitmaken van het bestreden besluit zijn alle ook - voor genoemd gewichtsaandeel van 5% - onderdeel van het besluit van 12 december 1997 met bovenvermeld kenmerk. Zoals gemeld bij brief van 19 januari 2000 zijn, ter vermijding van doublures in de opgelegde heffingen c.q. rechten en de gestelde zekerheid, onderhavige zaak en de procedure die is ingesteld naar aanleiding van ons besluit met kenmerk UR 1.1/1445/KS, in administratieve zin gevoegd, in die zin dat de boeking en facturering van de rechten die onderdeel uitmaken van onze beslissing met kenmerk UR 1.1/1445/KS ongedaan worden gemaakt voor die veredelingstransacties waarvoor door middel van de uitnodiging tot betaling met kenmerk UA 1.1/1428/KS eveneens rechten zijn opgelegd voor het volle voor de betreffende transactie geldende bedrag. De ongedaan gemaakte boekingen worden alsdan geacht onderdeel uit te maken van de boekingen uit hoofde van laatstgenoemde uitnodiging tot betaling.

39.Volledigheidshalve herhalen wij dat de ongedaanmaking van de boeking en facturering in voormelde zin slechts een administratieve handeling is, welke de uitnodiging tot betaling van 12 december 1997 met kenmerk UR 1.1/1445/KS onverlet laat. Met bovenstaande handelwijze is de doublure, danwel zijn in ieder geval de nadelige gevolgen van de doublure, weggenomen.

(…)"

Bij het door C bestreden besluit heeft verweerder de op 17 juli 1998 door C ingediende bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard. Hieraan liggen onder meer de hiervoor geciteerde overwegingen uit het door A bestreden besluit ten grondslag. Voorts houdt het door C bestreden besluit onder meer in:

"43. De in het geding zijnde onjuiste toepassing van het equivalentieverkeer heeft een douaneschuld bij invoer volgens artikel 204, eerste lid, onder a), CDW doen ontstaan.

44. De bevoegdheid tot het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van een bedrag aan rechten bij invoer dat voorvloeit uit een douaneschuld ontstaan uit hoofde van artikel 204 CDW ontleent het hoofdproductschap aan artikel 8b Douaneregeling jo. artikel 22a, eerste lid, Awr. De bevoegdheid tot het vaststellen van compenserende interesten ontleent het hoofdproductschap aan artikel 56, vierde lid, van de Douaneregeling.

(…)

85. Het hoofdproductschap heeft na ontvangst van het AID-rapport nr 1536/98/0023, d.d. 18.06.1998, de daaruit voortvloeiende douaneschuld geboekt en onmiddellijk daarna bij brief van 29 juni 1998 aan u medegedeeld. Van een boeking achteraf in de zin van artikel 220, tweede lid, CDW is geen sprake. Pas met het AID-rapport beschikt het hoofdproductschap over de nodige gegevens over de toepassing van de regeling actieve veredeling door u onder de betrokken veredelingsvergunningen. Het hoofdproductschap heeft wat betreft de in de bestreden besluiten betrokken transacties dan ook niet eerder kunnen overgaan tot de boeking en mededeling van de douaneschuld in verband met onjuiste equivalentie.

86. Een vergissing in de zin van artikel 220, tweede lid, sub b), CDW is dan ook niet aan de orde.

87. Blijkens uw stellingen is in casu het gewettigd vertrouwen gewekt door de AID. De AID zou volgens u zelfs akkoord zijn gegaan met de wijze waarop door u het equivalentieverkeer werd toegepast. Daarbij refereert

u aan eerdere controles en met name aan het rapport met kenmerk 1789/95/0192.

88. Wij stellen voorop dat in het door u aangehaalde rapport, gelijk het rapport dat aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt, niets blijkt van enigerlei vorm van accordering.

(…)

91. Het feit dat het hoofdproductschap in eerdere instanties geen uitnodigingen tot betaling heeft genomen naar aanleiding van de bevindingen van de AID ter zake van onderhavige toepassing van het equivalentieverkeer, kan in de omstandigheden van uw geval geen grond zijn voor het wekken van in rechte te beschermen vertrouwen.

92. Dat het hoofdproductschap geen uitnodigingen tot betaling aan u heeft uitgebracht is terug te voeren tot het feit dat de in het geding zijnde bevindingen van de AID in eerdere instantie onopgemerkt zijn gebleven. Het achterwege laten van uitnodigingen tot betaling ter zake is als zodanig te zien als een vergissing, nu de onjuiste toepassing van het equivalentieverkeer zonder meer een douaneschuld heeft doen ontstaan.

(…)

94. Gelet op de aard van de vergissing alsmede het feit dat u sedert vele jaren actief bent in de rijstmarkt en bovendien sedert vele jaren gebruik maakt van de regeling actieve veredeling voor de verwerking van rijst, zijn wij van oordeel dat u de vergissing redelijkerwijs had kunnen ontdekken.

95. Nog afgezien van het feit dat eerdere verzuimen aan de zijde van het hoofd- productschap niet in de weg kunnen staan aan de handhaving van de aan het gezag van het hoofdproductschap toevertrouwde regelgeving, mocht u aan het verzuim van het hoofdproductschap in eerdere instantie niet het vertrouwen

ontlenen dat de door u gepraktiseerde toepassing van het equivalentieverkeer door de autoriteiten voor juist wordt gehouden c.q. is gesanctioneerd.

(…)

97. Op grond van vorenstaande overwegingen kunt u zich naar ons oordeel niet met vrucht beroepen op artikel 220, tweede lid, sub b), CDW c.q. de schending van het vertrouwens- en/of rechtszekerheidsbeginsel."

Verder is verweerder in beide bestreden besluiten onder meer ingegaan op de in de loop van de bezwaarprocedure door appellanten ter sprake gebrachte mogelijkheid van redressering van het dossier door de in geding zijnde veredelingshandelingen die in de bedrijven van appellanten hebben plaatsgevonden aan te merken als de toepassing van equivalentieverkeer in een verder gevorderd productiestadium. Te dien aanzien heeft verweerder overwogen, samengevat weergegeven, dat een zodanige toepassing van equivalentieverkeer in de onderhavige gevallen niet aan de orde is omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het belangrijkste deel van de veredeling heeft plaatsgevonden in de bedrijven van appellanten, terwijl bovendien uit de dossiers niet kan worden opgemaakt dat de - volgens verweerder ongeoorloofde - toepassing van het equivalentieverkeer door appellanten niet heeft geleid tot een ongerechtvaardigd voordeel.

In zijn verweerschriften in beide zaken heeft verweerder onder meer naar voren gebracht dat ten aanzien van de aangiften tot plaatsing onder de regeling actieve veredeling die onderdeel uitmaken van zowel de uitnodigingen tot betaling betreffende, kort gezegd, de onjuiste toepassing van het equivalentieverkeer, als de uitnodigingen tot betaling betreffende, kort gezegd, de "5%-problematiek", de oplegging van de landbouwheffingen, c.q. de rechten bij invoer in ten minste 3 fasen heeft plaatsgehad. De eerste fase heeft verweerder aldus verwoord dat landbouwheffingen c.q. rechten bij invoer zijn opgelegd indien en voorzover uit de zuiveringsafrekeningen bleek dat er bijkomende veredelingsproducten (breukrijst en rijstafvallen) in het vrije verkeer zijn gebracht dan wel indien de zuiveringsafrekening anderszins aanleiding gaf tot het ontstaan van een douaneschuld. Omtrent de tweede en derde fase is in het in zaak 02/254 (A) ingediende verweerschrift het volgende vermeld:

"57. De tweede fase van de oplegging van landbouwheffingen c.q. de rechten bij invoer betrof een correctie daar voor steeds een gedeelte van de hoeveelheden gedopte rijst die onder de regeling actieve veredeling werden geplaatst, was vastgesteld dat een onjuiste equivalentie had plaatsgehad (besluit met kenmerk UR 1.1/1428/KS). Deze correctie leidde tot het opleggen van de rechten volgens de heffingsgrondslagen die conform artikel 121, lid 1, CDW voor het invoergoed gedopte rijst gelden voor een hoeveelheid die overeenkomt met de hoeveelheid waarvan de onjuiste equivalentie is vastgesteld.

58. Daar de onder de regeling actieve veredeling gebrachte partij invoergoederen aldus gedeeltelijk werd belast, diende een correctie plaats te hebben op de eerdere belasting van in het vrije verkeer gebrachte bijkomende veredelingsproducten. De bijkomende veredelingsproducten die zijn verkregen uit dat gedeelte van de partij invoergoederen dat zelf werd belast, dienen namelijk niet ook nog eens - naar de eigen heffingsgrondslagen - te worden belast.

59. De derde fase betrof de vaststelling dat voor een hoeveelheid van 5% onvoldoende uitvoer heeft plaatsgehad van het hoofdveredelingsproduct volwitte rijst (correctie in verband met het vervallen van de 5%-regel; besluit tot navordering met kenmerk UR 1.1/1445/KS). Deze vaststelling leidde tot een navordering voor een hoeveelheid van het invoergoed gedopte rijst die overeenkomt met genoemde hoeveelheid van 5% van de uitgevoerde hoeveelheid van het veredelingsproduct volwitte rijst. (vgl. artikel 121, lid 1 CDW)."

Omtrent de tweede en derde fase is in het in zaak 02/255 (C) ingediende verweerschrift het volgende vermeld:

"69. De tweede fase betrof de vaststelling dat voor een hoeveelheid van 5% onvoldoende uitvoer heeft plaatsgehad van het hoofdveredelingsproduct volwitte rijst (correctie in verband met het vervallen van de 5%-regel; besluit tot navordering d.d. 12 december 1997). Deze vaststelling leidde tot een navordering voor een hoeveelheid van het invoergoed gedopte rijst die overeenkomt met genoemde hoeveelheid van 5 % van het veredelingsproduct volwitte rijst (vgl. artikel 121, lid 1 CDW). Daar de onder de regeling actieve veredeling gebrachte partij invoergoederen aldus gedeeltelijk werd belast, diende een correctie plaats te hebben op de eerdere belasting van in het vrije verkeer gebrachte bijkomende veredelingsproducten. De bijkomende veredelingsproducten die zijn verkregen uit dat gedeelte van de partij invoergoederen dat zelf werd belast, dienen namelijk niet nog eens - naar de eigen heffingsgrondslagen - te worden belast.

70. De derde fase van het opleggen van landbouwheffingen c.q. rechten bij invoer had plaats naar aanleiding van de bevinding dat onjuiste equivalentie heeft plaatsgehad. Deze bevinding gaf aanleiding tot het ontstaan van een

douaneschuld voor de totale hoeveelheid van de invoergoederen waarvoor de onjuiste equivalentie is vastgesteld."

Ter zitting heeft verweerder hieraan onder meer nog het volgende toegevoegd.

Aan de verjaringstermijn van artikel 221, derde lid, CDW wordt niet toegekomen, aangezien de heffingen in materiële zin al waren opgelegd bij de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling. Mocht de verjaringstermijn wel van toepassing zijn, dan is deze door de bezwaarprocedure geschorst. Bovendien is tijdens de bezwaarprocedure veelvuldig informeel overleg geweest tussen verweerder en appellanten, waarbij aan de orde is geweest wat onder "rechten bij invoer" moet worden verstaan.

Anders dan in de zaak A, is in de zaak C de douaneschuld in verband met onjuiste equivalentie opgelegd onder gelijktijdige creditering van de in een eerdere fase opgelegde rechten op bijkomende veredelingsproducten. Deze correctie heeft niet plaatsgevonden bij de aan C gerichte uitnodigingen tot betaling, doch bij de nota die gelijktijdig met de uitnodiging tot betaling van 29 juni 1998 aan haar is toegezonden.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van de beroepen, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Primair:

4.1 Blijkens de uitnodigingen tot betaling worden bedragen aan "rechten bij invoer" geheven. Een specificatie van de geheven bedragen ontbreekt. Nu niet blijkt dat landbouwheffingen zijn opgelegd (noch anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen), is het College niet bevoegd kennis te nemen van de beroepen.

Subsidiair:

4.2 Voor zover de uitnodigingen tot betaling betrekking hebben op landbouwheffingen, zijn deze opgelegd op grond van artikel 22a, derde lid, AWR. Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen is de inspecteur van de rijksbelasting, bevoegd inzake de douane, bevoegd zodanige uitnodigingen tot betaling vast te stellen en was verweerder hiertoe dus niet zelfstandig bevoegd. Weliswaar is verweerder ingevolge artikel 8b van de Douaneregeling bevoegd om in een aantal gevallen op te treden in de hoedanigheid van inspecteur van de rijksbelastingdienst, doch nu de onderhavige uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld op grond van artikel 22a, derde lid, AWR en deze bepaling niet wordt genoemd in artikel 8b van de Douaneregeling, is verweerder in dit geval niet bevoegd als zodanig op te treden. Al met al was verweerder niet bevoegd tot het doen van de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling.

Meer subsidiair:

4.3 De uitnodigingen tot betaling zijn niet rechtsgeldig vastgesteld omdat hierbij betaling wordt gevorderd van een niet-bestaande belasting, te weten "rechten bij invoer". Dat verweerder bij de bestreden besluiten heeft aangegeven dat hij eigenlijk uitnodigingen tot betaling had willen doen voor "landbouwheffingen c.q. belastingen bij invoer, vastgesteld in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid", doet hier niet aan af, aangezien herstel van een zodanig gebrek niet meer mogelijk is.

Indien en voor zover herstel wel mogelijk is, geldt nog het volgende.

De uitnodigingen tot betaling hebben betrekking op douaneschulden die zijn ontstaan in de periode 1995/1996 en zijn pas voor bestaande belastingen vastgesteld bij de bestreden besluiten op bezwaar. Nu deze besluiten dateren van 20 december 2001 zijn de uitnodigingen gedaan buiten de in artikel 221, derde lid, CDW gestelde termijn van drie jaren na het ontstaan van de douaneschulden. In dit verband is verwezen naar de uitspraak van het College van 26 februari 2003, nr. AWB 01/910. Weliswaar is in artikel 221, derde lid, CDW met ingang van 17 december 2000 de mogelijkheid van schorsing van genoemde termijn opgenomen, doch bij gebrek aan overgangsrecht moet er vanuit worden gegaan dat de schorsingsmogelijkheid slechts kan worden toegepast op driejaarstermijnen die op 17 december 2000 nog liepen, hetgeen voor de onderhavige douaneschulden niet het geval was.

4.4 De AID heeft de werking van de vergunningen voor actieve veredeling regelmatig grondig gecontroleerd en hierbij meerdere malen geconstateerd dat gebruik werd gemaakt van volwitte rijst als equivalent goed. Nu verweerder aan de controlebevindingen van de AID geen gevolgen verbond en telkens akkoord ging met de wijze waarop appellanten hun vergunningen toepasten, mochten appellanten ervan uitgaan dat deze toepassing correct was. Aanleiding om te vermoeden dat dit anders was, hebben appellanten nooit gehad. Integendeel: de AID heeft zelfs te kennen gegeven dat haar werkwijze geen problemen opleverde, terwijl verweerder bovendien te kennen heeft gegeven het volstrekt begrijpelijk te vinden dat appellanten afgaan op zowel de constateringen van de AID als op het uitblijven van correcties door verweerder. Verder heeft verweerder, wat betreft de reden om thans wel tot navordering over te gaan, tijdens een bespreking met Van Sillevoldt aangegeven dat het hier een geval van "voortschrijdend inzicht" betreft. Eerst na geruime tijd werden appellanten geconfronteerd met de gewijzigde opvatting van verweerder. Deze gewijzigde opvatting kan pas vanaf die datum externe gevolgen hebben en niet met terugwerkende kracht worden toegepast.

De aan appellanten opgelegde uitnodigingen tot betaling betreffen boekingen achteraf en zijn derhalve opgelegd op grond van artikel 220 CDW. De omstandigheid dat verweerder geen gevolgen verbond aan de controlebevindingen van de AID en aldus de werkwijze van appellanten heeft geaccordeerd, betreft een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van het tweede lid, onderdeel b, van dit artikel. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond, konden appellanten, die altijd te goeder trouw hebben gehandeld, deze vergissing redelijkerwijs niet ontdekken. De aan hen gerichte uitnodigingen tot betaling kunnen dan ook door toepassing van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW niet in stand blijven.

Reeds in de bezwaarfase is een beroep op deze bepaling gedaan. Bij de behandeling daarvan had verweerder de procedure van artikel 869 tot en met 876bis TCDW moeten volgen, waarbij met name artikel 871 van belang is: aangezien verweerder niet anders had kunnen doen dan concluderen dat aan de voorwaarden van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW was voldaan, of dat op zijn minst twijfels over de toepassing van dit artikel kunnen bestaan, had verweerder de dossiers van appellanten voor behandeling moeten voorleggen aan de Commissie.

4.5 De uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld in strijd met onder meer de artikelen 22a AWR en 109 van de Douaneregeling, nu verweerder daarin meerdere afzonderlijke douaneschulden heeft opgenomen en niet is gebleken dat het hier gaat om verzamelingen van afzonderlijke uitnodigingen tot betaling.

4.6 Verweerder heeft ten onrechte niet bekend gemaakt dat, zoals hij in de bestreden besluiten heeft aangegeven, het ministerie van LNV niet heeft kunnen vaststellen dat appellanten door hun werkwijze geen ongerechtvaardigd voordeel hebben genoten. Dat appellanten ook daadwerkelijk geen ongerechtvaardigd voordeel hebben genoten, blijkt uit het feit dat de werkwijze van appellanten geen marktverstorend effect heeft gehad en dat appellanten door hun werkwijze geen concurrentievoordeel hebben behaald. Door appellanten niet in de gelegenheid te stellen één en ander aan te tonen heeft verweerder gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.

Verweerder baseert zijn stelling, dat het belangrijkste deel van de veredelingshandelingen binnen de bedrijven heeft plaatsgevonden, uitsluitend op een onbegrijpelijke redenering over de verschillende forfaitaire opbrengstpercentages uit bijlage 77 bij het TCDW. Ten onrechte heeft verweerder hierbij geen rekening gehouden met de overige aspecten die van belang zijn voor het vaststellen van de omvang van veredelingshandelingen binnen de bedrijven van appellanten, zoals de door appellanten overgelegde kostprijsberekeningen. Dit betekent dat de bestreden besluiten berusten op een ondeugdelijke motivering.

4.7 Een deel van de douaneschulden die bij de thans in geding zijnde uitnodigingen tot betaling zijn nagevorderd is dubbel geboekt, omdat het betreffende deel ook al was nagevorderd bij de uitnodigingen tot betaling van 12 december 1997. Voor A is niet duidelijk om welk bedrag het gaat, bij C gaat het om een bedrag van in het totaal fl. 314.780,20.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Evenals in het geval van de in rubriek 2.2 genoemde uitspraak van het College van 5 juni 2002 staat blijkens de aan appellanten toegezonden uitnodigingen tot betaling, zoals gespecificeerd bij de bijlagen bij de bestreden besluiten, in de onderhavige gevallen vast dat verweerder beoogd heeft bij deze uitnodigingen tot betaling onder meer verschuldigde landbouwheffingen na te vorderen. Hiermee is, gelet op artikel 30d, eerste lid, AWR, de bevoegdheid van het College om de rechtmatigheid van deze na bezwaar gehandhaafde uitnodigingen tot betaling in zoverre te beoordelen, gegeven. Dit geldt ook ten aanzien van de met de landbouwheffingen samenhangende compenserende interesten waarvan de oplegging bij de bestreden besluiten is gehandhaafd.

5.2 Ingevolge artikel 22a, eerste lid, AWR is de inspecteur bevoegd een uitnodiging tot betaling vast te stellen ter zake van rechten bij invoer, waaronder zowel douanerechten als landbouwheffingen worden begrepen. Van een ander, in afwijking van het eerste lid bevoegd orgaan, aangewezen ingevolge het derde lid, is geen sprake in gevallen waarin een douaneschuld is ontstaan als bedoeld in artikel 204, eerste lid, CDW, zoals blijkt uit artikel 72, tweede lid, van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen. Aangezien vast is komen te staan dat bij de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling beide soorten rechten zijn opgelegd, was verweerder, in de hoedanigheid van inspecteur, op grond van artikel 8b van de Douaneregeling bevoegd deze uitnodigingen tot betaling vast te stellen.

5.3 De bijlagen waarnaar in de uitnodigingen tot betaling wordt verwezen geven, gespecificeerd naar invoerformulier, enkel verschuldigde bedragen aan, zonder te vermelden uit welken hoofde de verschuldigdheid bestaat. In het bijzonder wordt niet vermeld of de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief in rekening worden gebracht dan wel als landbouwheffingen aan te merken invoerrechten. Aangezien ten aanzien van de ingevoerde gedopte rijst in de periode waarover wordt nageheven beide regimes van toepassing zijn geweest en bovendien in tijdvakken die voor de verschillende beheven producten niet hetzelfde zijn, is een specificatie per aangifte van de opgelegde rechten noodzakelijk om de juistheid van de opgelegde bedragen te kunnen controleren. Een zodanige specificatie heeft verweerder eerst bij de bestreden besluiten gegeven.

De omstandigheid dat niet aanstonds bij de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling is gespecificeerd uit welken hoofde de aan appellanten in rekening gebrachte bedragen zijn verschuldigd, brengt met zich dat deze uitnodigingen tot betaling in dit opzicht gebrekkig zijn, doch niet, zoals appellanten menen, dat zodanige gebreken niet kunnen worden hersteld in het kader van een heroverweging na bezwaar, als bepaald bij artikel 7:11 Awb. Deze bepaling staat niet aan de weg aan handhaving van een uitnodiging tot betaling waartegen bezwaar was gemaakt, met een verduidelijkte of meer gespecificeerde motivering.

De opvatting van appellanten dat pas bij de bestreden besluiten daadwerkelijk de uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld, is derhalve niet in overeenstemming met het nationaal bestuursprocesrecht.

Voor het oordeel dat in afwijking van het nationaal procesrecht het gemeenschapsrecht zou nopen de opvatting van appellanten te volgen, ziet het College bij de huidige stand van de communautaire douanewetgeving geen aanknopingspunten.

Voor die opvatting biedt ook de door appellanten genoemde uitspraak van 26 februari 2003 geen steun, nu in dat geval, anders dan in de onderhavige gevallen, sprake was van een onbevoegdelijk vastgestelde uitnodiging tot betaling en bij besluit op bezwaar voor het eerst door het bevoegde orgaan een uitnodiging tot betaling was gedaan en voor het eerst door toezending van dit besluit mededeling van verschuldigde rechten.

Gegeven de weliswaar gebrekkige, doch wel door het bevoegde orgaan ten aanzien van appellanten vastgestelde uitnodigingen tot betaling, voor douaneschulden die zijn ontstaan in de periode van 1995/1996, moet worden vastgesteld dat de in artikel 221, derde lid, CDW genoemde termijn van drie jaar niet is overschreden en dat de door appellanten ter sprake gebrachte verjaringsproblematiek zich hier niet voordoet.

Voor zover appellanten met hun in punt 4.3 opgenomen grief tevens hebben willen betogen dat de aan hen gerichte uitnodigingen tot betaling niet rechtsgeldig zijn omdat verweerder, door bij de bestreden besluiten een specificatie te geven als hiervoor bedoeld, in feite een andere motivering aan de uitnodigingen tot betaling ten grondslag heeft gelegd dan aanvankelijk werd gegeven, overweegt het College voorts nog het volgende.

Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 25 februari 1997, nr. 96/0024//075/224 (AB 1997/455), sluiten de bepalingen omtrent de bezwaarprocedure, neergelegd in de Awb, op zichzelf niet uit dat een bestuursorgaan op grond van uit een nader ingesteld onderzoek gebleken feiten en omstandigheden komt tot een andere of ruimere motivering dan aanvankelijk werd gegeven. De bij het volgen van de bezwaarprocedure jegens de bezwaarde in acht te nemen zorgvuldigheid brengt evenwel met zich dat geen afwijzend besluit wordt genomen dan nadat de bezwaarde van de uitkomsten van het onderzoek en de voorgenomen gevolgtrekkingen en nadere standpuntbepaling op de hoogte is gesteld en hem de mogelijkheid is geboden zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.

Door bij de bestreden besluiten de opgelegde rechten bij invoer te specificeren heeft verweerder een andere motivering aan de aan appellanten gerichte uitnodigingen tot betaling ten grondslag gelegd. Derhalve had verweerder, alvorens de bestreden besluiten te nemen, appellanten van deze specificaties op de hoogte moeten stellen en hen in de gelegenheid moeten stellen hun zienswijze daaromtrent kenbaar te maken. Uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder de verslagen van de hoorzittingen in bezwaar en verslagen van besprekingen tussen verweerder en appellanten, blijkt evenwel niet, anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gesteld, dat verweerder appellanten eerder dan bij de door hen bestreden besluiten op bezwaar in kennis heeft gesteld van vorenbedoelde specificaties. De conclusie moet dan ook zijn dat verweerder de bij het nemen van besluiten op bezwaar te betrachten zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen. Derhalve zijn de beroepen gegrond en moeten de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 3:2 Awb worden vernietigd.

In de omstandigheid dat appellanten in beroep alsnog in de gelegenheid zijn geweest zich over de bij de bestreden besluiten verstrekte specificaties uit te laten, ziet het College aanleiding na te gaan of er termen aanwezig zijn om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand blijven. Hieromtrent overweegt het College het volgende.

5.4 Het College volgt verweerder niet waar hij stelt dat in het onderhavige geval geen sprake is van boekingen achteraf, in de zin van artikel 220, eerste lid, CDW. In dit geval is verweerder immers pas overgegaan tot navordering, nadat hem uit door de AID - achteraf - verrichte controles bij de bedrijven van appellanten was gebleken dat in het verleden, als gevolg van een onjuiste toepassing van equivalentieverkeer, douaneschulden waren ontstaan.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder artikel 220, eerste lid, CDW buiten toepassing had behoren te laten omdat sprake zou zijn van een vergissing van verweerder zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken. Dat in dezen sprake is van een vergissing van verweerder, is tussen partijen overigens niet in geschil. Verweerder heeft in punt 92 van het door C bestreden besluit immers zelf overwogen dat de omstandigheid dat het achterwege laten van uitnodigingen tot betaling naar aanleiding van eerdere bevindingen van de AID moet worden gezien als een vergissing van zijn kant.

Vaststaat dat appellanten voor de actieve veredeling waarvoor vergunningen waren verleend andere equivalente goederen hebben gebruikt, te weten volwitte (parboiled) rijst, dan die als zodanig in deze vergunningen zijn genoemd, te weten gedopte (parboiled) rijst. Voorts staat vast dat de door appellanten gebruikte equivalente goederen een andere GN-code hebben, te weten 1006 20 17, respectievelijk 1006 20 98, dan de (invoer)goederen die volgens de vergunningen zullen worden veredeld, met GN-code 1006 30 67, respectievelijk 1006 30 98. Mede gelet op hun beroepservaring hadden appellanten moeten weten dat dit niet in overeenstemming was met de ter zake van toepassing zijnde bepalingen van de TCDW. Reeds gelet hierop ziet het College niet in dat appellanten de door verweerder begane, hiervoor geduide vergissing redelijkerwijze niet hadden kunnen ontdekken. Weliswaar staat vast dat verweerder geruime tijd geen gevolgen heeft verbonden aan controlerapporten van de AID waarin werd gewezen op, kort gezegd, problemen met betrekking tot het equivalentieverkeer, doch dit brengt niet met zich dat appellanten mochten aannemen dat de wijze waarop zij toepassing gaven aan het equivalentieverkeer werd gesanctioneerd. In dit verband wijst het College erop dat in het onderhavige geval, anders dan in het geval van de uitspraak van 5 juni 2002, geen sprake is van een op sanctionering van die werkwijze gerichte regel, waaraan verweerder welbewust geruime tijd toepassing heeft gegeven. Verder heeft de AID in de beschikbare controlerapporten waarin problemen met betrekking tot het equivalentieverkeer zijn gesignaleerd, niet vermeld dat de equivalentieactiviteiten van appellanten zonder meer worden gesanctioneerd, zoals appellanten hebben gesteld, doch dat onder voorbehoud met deze activiteiten akkoord kan worden gegaan.

De conclusie moet zijn dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd in het licht van wat verweerder daar tegenover heeft gesteld, geen grond biedt voor het oordeel dat sprake is van een vergissing van verweerder zelf, die van dien aard is dat appellanten deze redelijkerwijze niet hadden kunnen ontdekken, in de zin van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW. In deze situatie behoefde verweerder de onderhavige gevallen niet met toepassing van artikel 871 TCDW voor te leggen aan de Commissie.

5.5 Dat appellanten zouden zijn benadeeld door de wijze waarop de in geding zijnde bedragen aan rechten bij invoer aan hen in rekening zijn gebracht, te weten het in ieder van vastgestelde uitnodigingen tot betaling opnemen van meerdere douaneschulden, is niet gesteld. Het College ziet ook geen aanknopingspunten om zodanige benadeling aan te nemen.

Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, staat er ook overigens niet aan in de weg de door hen in dit verband genoemde bepalingen - artikel 22a AWR en artikel 109 van de Douaneregeling - aan te merken als vormvoorschriften, waarvan schending op de voet van artikel 6:22 Awb niet in aanmerking wordt genomen bij beoordeling van de bestreden besluiten.

Derhalve verbindt het College gelet op artikel 6:22 Awb aan de gestelde schending geen gevolgen en leidt de in punt 4.5 vervatte grief van appellanten ter zake niet tot vernietiging van de bestreden besluiten.

5.6 Ingevolge artikel 569, eerste lid, TCDW dienen de equivalente goederen in dezelfde GN-code te worden ingedeeld als de invoergoederen. Vaststaat dat niet aan deze voorwaarde voor gebruikmaking van het equivalentieverkeer is voldaan. Zoals reeds in punt 5.4 is overwogen, staat immers vast dat de door appellanten gebruikte, als equivalent bedoelde goederen een andere GN-code hebben dan de volgens de vergunningen te veredelen invoergoederen.

In bezwaar hebben appellanten betoogd dat het hier gaat om equivalente goederen die zich in een verder gevorderd productiestadium bevinden dan de invoergoederen. Ingevolge artikel 570 TCDW geldt echter dat wanneer een vergunninghouder zodanige equivalente goederen wil gebruiken, hiervoor toestemming dient te worden verkregen van de bevoegde autoriteiten. Vaststaat dat deze toestemming niet, ook niet impliciet, aan appellanten is verleend, zodat, anders dan waar verweerder vanuit is gegaan, niet van belang is of appellanten al dan niet door hun werkwijze ongerechtvaardigde voordelen hebben behaald en of het belangrijkste deel van de veredelingshandelingen binnen de bedrijven van appellanten heeft plaatsgevonden. De in punt 4.6 verwoorde grieven van appellanten kunnen dan ook reeds niet slagen wegens het ontbreken van toestemming, als bedoeld in artikel 570 TCDW.

5.7 Blijkens de geciteerde passages uit het verweerschrift in de zaak van C is in dat geval eerst nagevorderd voor een hoeveelheid van het invoergoed die overeenkomt met 5 % van het veredelingsproduct en vervolgens voor de totale hoeveelheid invoergoederen. In zoverre zijn de nagevorderde rechten bij invoer, zoals verweerders gemachtigde ter zitting ook heeft erkend, dubbel opgelegd. Hieraan heeft verweerders gemachtigde toegevoegd dat het bedrag dat overeenkomt met de eerder - bij uitnodiging tot betaling van 12 december 1997 - opgelegde rechten bij invoer, is gecrediteerd door middel van de gelijktijdig met de uitnodiging tot betaling van 29 juni 1998 verzonden nota. Verweerder is er, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft verklaard, vanuit gegaan dat deze wijze van creditering nimmer een punt van discussie is geweest. Gelet echter op het feit dat C in bezwaar expliciet heeft aangevoerd dat de uitnodiging tot betaling van 29 juni 1998, voor zover deze ziet op een hoeveelheid rijst waarvoor ook al bij uitnodiging tot betaling van 12 december 1997 was nagevorderd, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, had verweerder, alvorens op dit bezwaar te beslissen, C in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de wijze waarop de doublure - beweerdelijk - ongedaan was gemaakt. Nu verweerder dit heeft nagelaten, dient het door C bestreden besluit ook om die reden wegens strijd met artikel 3:2 Awb te worden vernietigd.

Daarnaast heeft verweerder ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat, zoals in dit besluit is overwogen, de nadelige gevolgen van de doublure, door C begroot op fl. 314.780,20, daadwerkelijk zijn weggenomen. In zoverre berust het door C bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering en dient het derhalve ook wegens strijd met artikel 7:12 Awb te worden vernietigd. In het geval van C zijn dan ook geen termen aanwezig om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Aldus zal verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op de bezwaren van C van 17 juli 1998 moeten beslissen. Gelet op het tijdverloop sinds de aan haar gerichte uitnodigingen tot betaling ziet het College aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb op te dragen dit te doen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak.

Anders dan in het geval van C, is in dat van A niet gebleken dat een deel van de nagevorderde rechten dubbel is opgelegd. De beschikbare gegevens bieden hiervoor geen aanknopingspunten, terwijl ook A zelf op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken dat dubbel zou zijn geheven. Reeds op grond hiervan faalt in het geval van A de in punt 4.7 verwoorde grief. Onder verwijzing naar het hiervoor in punt 5.3 overwogene, acht het College in dit geval wel termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5.8 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellanten gemaakte kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 644,-- per appellante.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten voor zover hierbij - met inachtneming van de bij deze besluiten gevoegde specificaties - de

oplegging van landbouwheffingen en hiermee samenhangende compenserende interesten is gehandhaafd;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde, ten aanzien van A genomen besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken opnieuw op de bezwaren van C van 17 juli 1998 beslist met inachtneming van

het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte kosten ten bedrage van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro) per appellante;

- bepaalt dat verweerder aan elk der appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 218,-- (zegge tweehonderdachttien

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens