Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1043

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-11-2003
Datum publicatie
29-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1999
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 20 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante, gericht tegen een op grond van de Subsidieregeling kennisoverdracht ondernemers MKB (Stcrt. 2001, nr. 83; hierna: Subsidieregeling) genomen besluit van verweerder van 3 september 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 02/1999 25 november 2003

27368 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling kennisoverdracht ondernemers MKB

Uitspraak in de zaak van:

Conact Business Consultants B.V., te Opperdoes, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Baarsma, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 20 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante, gericht tegen een op grond van de Subsidieregeling kennisoverdracht ondernemers MKB (Stcrt. 2001, nr. 83; hierna: Subsidieregeling) genomen besluit van verweerder van 3 september 2002.

Onder dagtekening 6 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2003. Partijen hebben bij deze gelegenheid hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Subsidieregeling luidt voorzover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

i. vernieuwingsplan: een schriftelijk rapport waarin wordt aangegeven op welke wijze binnen de onderneming van de aanvrager een technologische vernieuwing zal worden ingevoerd met behulp van een kennisdrager, al dan niet aangevuld met vernieuwende activiteiten ter zake van de afzetmarkt of de organisatie van de onderneming welke verband houden met de invoering van technologische vernieuwing;

j. vernieuwingsproject: het uitvoeren van een vernieuwingsplan;

k. kennisdrager: een natuurlijke persoon die een diploma heeft behaald aan een instelling voor hoger beroepsonderwijs of een universiteit dan wel een post-hbo of postdoctorale opleiding heeft voltooid met een certificaat;

l. project; een strategieproject, haalbaarheidsproject of vernieuwingsproject.

Artikel 2

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die:

(…)

c. een kennisdrager gedurende ten minste een jaar ten minste 32 uur per week tegen betaling van vooraf overeengekomen loon arbeid laat verrichten tot het uitvoeren van een vernieuwingsplan.

(…)

Artikel 10

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.

2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project, alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, gaat tevens vergezeld van een vernieuwingsplan.

(…)

Artikel 12

1. De minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:

a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;

(…)

c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de goede uitvoering van het project."

De Toelichting bij de Subsidieregeling houdt voorzover hier van belang het volgende in:

"Het doel van deze regeling is om technologievolgende MKB-ondernemers te stimuleren om bestaande, maar voor hen nieuwe technologieën in processen, producten of diensten in hun onderneming toe te passen. Deze doelstelling wordt ingevuld door:

(…)

c. het stimuleren van het uitwerken van vernieuwingsplannen door het inzetten van hoger opgeleiden.

(…)

De innovatiekracht van een ondernemer neemt niet alleen toe door investeringen in nieuwe technologie, maar ook door investeringen in het kennisniveau van werknemers. Naast investeringen in het eigen personeel kan een onderneming kennis in huis halen door het aantrekken van ervaren mensen of van (pas) afgestudeerden aan een instelling voor hoger beroepsonderwijs of een universiteit. Deze laatste groep is interessant voor het MKB omdat zij beschikt over de nieuwste inzichten en kennis.

In een vernieuwingsplan heeft de ondernemer de keuze voor de invoering van een bepaalde technologische vernieuwing al gemaakt. Het plan beschrijft dan ook concreet op welke wijze de vernieuwing binnen een onderneming zal worden ingevoerd. Cruciaal daarbij is dat die invoering geschiedt met behulp van een kennisdrager. Het uitsluitend inkopen van een technologische vernieuwing of het invoeren van zo'n vernieuwing zonder die hulp komt dan ook niet voor subsidie in aanmerking. Dit houdt verband met de tweeledige doelstelling van de inzet van kennisdragers ter uitvoering van vernieuwingsplannen: enerzijds wordt het MKB gestimuleerd tot vernieuwing, anderzijds raakt het vertrouwd met kennisdragers."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante houdt zich bezig met het werven, coachen en detacheren van mensen die bij opleidingsinstituten trainingen verzorgen voor personeel in de datacommunicatiesector.

- Op 24 mei 2002 heeft verweerder van appellante een aanvraag op grond van de Subsidieregeling ontvangen ten behoeve van het vernieuwingsproject kennismanagement, zoals dat in de bijlage bij de aanvraag is toegelicht. Blijkens die toelichting is het doel van het project de binnen de onderneming van appellante opgebouwde kennis vast te leggen om verlies van die kennis te voorkomen en de efficiëntie te verhogen door die kennis te hergebruiken. Om deze doelstelling te bereiken zal gebruik worden gemaakt van een content-management-systeem (CMS). Het project zal worden uitgevoerd in vier fasen: eerst zal de binnen de onderneming van appellante aanwezige kennis in kaart worden gebracht, vervolgens zullen de medewerkers worden begeleid in het vastleggen van de bij hen aanwezige kennis, waartoe procedures en hulpmiddelen bepaald zullen worden. In de derde fase zullen de hulpmiddelen - zoals een CMS en intranet - geselecteerd en gebouwd worden, waarna in de vierde fase het beheer van de content en CMS in de organisatie geborgd moeten worden. Appellante zal B, die een HBO-opleiding leisure management met goed gevolg heeft afgerond, als kennisdrager in dienst nemen. Hij krijgt de verantwoordelijkheid om als projectleider vorm te geven aan het project, waaronder het uitwerken van de verschillende fasen en de implementatie in de organisatie van appellante. De technische kennis wordt ingebracht door medewerkers van appellante of door externen.

- Bij brief van 19 juli 2002 heeft Senter aan appellante gevraagd duidelijk te maken waarom met het project sprake zou zijn van een technologische vernieuwing binnen de onderneming van appellante en waaruit de kennis en expertise van de kennisdrager bestaat.

- In haar reactie bij brief van 15 augustus 2002 heeft appellante onder meer gesteld dat de inrichting van een CMS voor haar nieuw is, dat de kennisdrager beschikt over een HBO denk- en doeniveau en buiten zijn opleiding bijzondere technische kennis heeft opgebouwd. Belangrijker acht appellante zijn motivatie en inzet.

- Bij besluit van 3 september 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen. Reden van de afwijzing is dat het project naar de opvatting van verweerder niet voldoet aan (het doel van) de Subsidieregeling, nu appellante niet heeft aangetoond dat de kennisdrager binnen de onderneming van appellante een inbreng heeft op het technologisch vlak. Voorts brengt het ontbreken van (aantoonbare) relevante technische kennis bij de kennisdrager mee dat onvoldoende vertrouwen bestaat in de goede uitvoering van het project.

- Bij brief van 4 oktober 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit, naar aanleiding waarvan zij op 11 november 2002 is gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

"De aanvraag is bij beslissing van 3 september 2002 afgewezen, omdat de kennisdrager niet beschikt over de technische kennis die bij de invoering van een technologische vernieuwing noodzakelijk is. In de beslissing wordt nadrukkelijk aangegeven dat een kennisdrager met enkel een "HBO werk- en denkniveau" of "projectleiderskwaliteiten" in het kader van de Subsidieregeling onvoldoende is.

U bent het hiermee oneens. U bent van mening dat juist de organisatorische aspecten van het project van belang zijn voor een succesvolle implementatie. Daarnaast beschikt de kennisdrager volgens u over de vaardigheden op grond waarvan hij in staat kan worden geacht de noodzakelijke technische kennis te verwerven en de ins en outs van het CMS-systeem te bevatten.

Ik merk hierover het volgende op. Zoals hierboven aangegeven ziet een vernieuwingsproject in het kader van de Subsidieregeling op de invoering van een technologische vernieuwing met behulp van een kennisdrager. Deze kennisdrager is blijkens artikel 1, letter k, van de Subsidieregeling een natuurlijk persoon die een diploma heeft behaald aan een instelling voor hoger beroepsonderwijs of een universiteit, dan wel een post-hbo of postdoctorale opleiding heeft voltooid met een certificaat.

In de definitie van kennisdrager worden aldus geen expliciete eisen gesteld aan de inhoud van de opleiding. Echter, in de toelichting op de Subsidieregeling wordt daarentegen wel uitdrukkelijk gewezen op het algemene doel van de Subsidieregeling, te weten MKB-ondernemers te stimuleren nieuwe technologieën in zijn of haar onderneming in te voeren. Het dient daarbij te gaan om reeds bestaande technologiën die binnen de onderneming echter nog niet bekend zijn. In het geval van een vernieuwingsproject is het van belang dat de ondernemer de keuze voor invoering van een concrete technologische vernieuwing al gemaakt heeft. Vervolgens is het van groot belang dat de invoering van de - voor de onderneming - nieuwe technologie geschiedt met behulp van de kennisdrager. In de toelichting wordt aldus een directe relatie gelegd tussen de kennisdrager, zijn of haar opleiding en de technologische vernieuwing. In de toelichting wordt er tevens op gewezen dat vooral pas afgestudeerden voor het MKB interessant zijn omdat deze beschikken over de nieuwste inzichten en kennis.

Hieruit volgt dat de kennisdrager wel degelijk dient te beschikken over specifieke kennis of ervaring ter zake van de nieuwe technologie. Juist vanwege die kennis zal de kennisdrager bij de invoering van de technologie worden betrokken. In uw geval is sprake van een afgestudeerde van de opleiding Leisure Management, die blijkens de aanvraag geschikt is gevonden het vernieuwingsproject uit te voeren in verband met zijn expertise met projectmanagement. Daarmee wordt niet aan bovenomschreven voorwaarde voldaan. In dit verband verwijs ik tevens naar de toelichting vervat in de beschikking van 3 september 2002. Dat de beoogde kennisdrager affiniteit heeft met de benodigde techniek, doet daar niet aan af. Bij de uitvoering van het vernieuwingsproject als bedoeld in de Subsidieregeling past overigens evenmin dat de kennisdrager in die omstandigheid zelf eerst de betreffende technische kennis zich eigen moet maken, alvorens deze in de onderneming kan worden ingevoerd. Ik zie dan ook geen aanleiding mijn beslissing te herroepen. (...)

Verder wijs ik er op dat met het voorgaande niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke toetsing aan de voorwaarde dat een vernieuwingsproject betrekking moet hebben op de invoering van een technologische vernieuwing."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De door verweerder gehanteerde uitleg van het begrip 'kennisdrager' is niet in overeenstemming met hetgeen dienaangaande in artikel 1, aanhef en onder k, van de Subsidieregeling is bepaald. Deze definitiebepaling vergt niet dat de bij de kennisdrager op voorhand aanwezige kennis van technologische aard moet zijn.

Door verweerders uitleg van het begrip kennisdrager zou appellante als kleine ondernemer slechts voor subsidie in aanmerking kunnen komen indien zij een specialist in dienst zou nemen, die beschikt over de kennis die slechts de leverancier van de voor het project van appellante benodigde software bezit. Dit kan naar de opvatting van appellante niet de bedoeling zijn van de Subsidieregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat voor haar veeleer van belang is dat de kennisdrager beschikt over de organisatiekunde die nodig is om de technologische vernieuwing in haar organisatie te implementeren. De door appellante in dienst genomen kennisdrager, B, heeft in de praktijk bewezen hieraan te voldoen.

Appellante voldoet naar haar opvatting ook overigens aan de aan de Subsidieregeling ten grondslag liggende doelstelling, nu zij met behulp van B een voor haar onderneming nieuwe technologie heeft kunnen invoeren.

5. De beoordeling van het geschil

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn standpunt heeft gehandhaafd dat de door appellante als projectleider van haar vernieuwingsproject kennismanagement in dienst genomen B niet kan worden aangemerkt als kennisdrager in de zin van de Subsidieregeling.

Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Hoewel aan appellante kan worden toegegeven dat in de definitiebepaling van het begrip kennisdrager geen relatie wordt gelegd tussen de aard van de bij de kennisdrager aanwezige kennis en de bij de subsidie-aanvrager toe te passen - voor hem nieuwe - technologie, ligt een dergelijk verband wel ten grondslag aan de Subsidieregeling.

Dit volgt naar het oordeel van het College uit het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder i, waarin is bepaald dat de technologische vernieuwing zal worden ingevoerd "met behulp van een kennisdrager", artikel 2, aanhef en onder c, waaruit volgt dat de ondernemer de kennisdrager arbeid laat verrichten "tot het uitvoeren van het vernieuwingsplan" en tenslotte uit de toelichting bij de Subsidieregeling, zoals hiervoor in rubriek 2.1 is weergegeven. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient een ondernemer derhalve een kennisdrager in dienst te nemen die beschikt over kennis die verband houdt met de voor de ondernemer nieuw in te voeren technologie.

Vaststaat dat de afgeronde HBO-opleiding van B betrekking heeft op "leisure management", welke opleiding geen enkele relatie heeft met het vernieuwingsproject kennismanagement waarvoor appellante subsidie heeft aangevraagd. Uit de aanvraag blijkt voorts dat de technische kennis, nodig voor de uitvoering van het project, is ingebracht door andere medewerkers van appellante of door externen.

De conclusie van het vorenstaande kan dan ook geen andere zijn, dan dat door appellante met het in dienst nemen van B niet is voldaan aan - de doelstelling van - de Subsidieregeling en dat zij derhalve niet voor subsidie in aanmerking kon komen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De omstandigheid dat B in de praktijk in staat is gebleken - mede als gevolg van een training die hij van de leverancier van de voor het project benodigde software heeft gekregen - het project op een goede manier uit te voeren, kan aan het vorenstaande niet af doen. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat het doel van de Subsidieregeling is dat een kennisdrager kennis inbrengt bij de ondernemer bij wie hij in dienst treedt en niet dat hij die kennis tijdens de uitvoering van het project opdoet.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.S. Hoppener