Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1030

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 16 juni 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 mei 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant had gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om registratie van overdracht van een referentiehoeveelheid ingevolge de Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling).

Wetsverwijzingen
Regeling superheffing 1993 3
Regeling superheffing 1993 6
Regeling superheffing 1993 9
Regeling superheffing 1993 15
Regeling superheffing 1993 18
Regeling superheffing 1993 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/658 29 oktober 2003

10720 Regeling superheffing 1993

overdracht

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. F.W. van Dijk, advocaat te Wageningen,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. F.G.P. Diermanse en P. Scheening, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 16 juni 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 mei 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant had gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om registratie van overdracht van een referentiehoeveelheid ingevolge de Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling).

Op 7 juli 2003 is een aanvullend beroepschrift ingekomen.

Op 28 juli 2003 is een verweerschrift ingekomen.

Op 17 september 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (Pb EG 1992, L 405/1) luidt als volgt:

" Artikel 7

1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de Lid-Staten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria en, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. (…)"

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (Pb EG 2001, L 187/19; hierna: de Verordening) luidt als volgt:

"Artikel 3

1. De in artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde kenmerken van de melk, waaronder het vetgehalte, zijn de kenmerken van de op 31 maart 2002 beschikbare individuele referentiehoeveelheid.

Wanneer de individuele referentiehoeveelheid na de in het eerste alinea bedoelde datum wordt gewijzigd, zijn de bepalingen van de leden 2 tot en met 6 van toepassing.

(…)

4. Bij toepassing van de artikelen 6 en 7 (…) van Verordening (EEG) nr. 3950/92 wordt het representatieve vetgehalte overgedragen met de bijbehorende referentiehoeveelheid.

(…)

6. In de in (…) de leden 4 en 5, bedoelde gevallen is het daaruit resulterende representatieve vetgehalte gelijk aan het gemiddelde van het oorspronkelijke en het overgedragen of omgezette representatieve vetgehalte, gewogen aan de hand van de oorspronkelijke en de overgedragen of omgezette referentiehoeveelheid.

(…)"

De Regeling houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 3

1. De producent is ter zake van een levering aan een koper van een hoeveelheid melk, of een equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid voor fabrieksleveranties overschrijdt, een heffing verschuldigd.

(…)

Artikel 6

1. De heffingvrije hoeveelheid van de koper is gelijk aan het totaal van de referentiehoeveelheden of gedeelten daarvan, welke ten name van de koper bij het productschap is geregistreerd in de vorige heffingsperiode, in voorkomend geval gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.

2. De heffingvrije hoeveelheid van de koper wordt met inachtneming van de EG-verordeningen en het bepaalde in het derde lid gewijzigd, indien de producent te zamen met de betrokken kopers opgave doet aan het productschap van de toedeling van zijn referentiehoeveelheid aan een andere koper.

3. De in het tweede lid bedoelde opgave wordt gedaan vóór een door het productschap vast te stellen datum volgens daartoe door het productschap te stellen regelen.

Artikel 9

De vaststelling van het representatieve vetgehalte vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 1392/2001. Het productschap is belast met de uitvoering hiervan.

§ 6. Overdracht van een referentiehoeveelheid

Artikel 15

1. Een referentiehoeveelheid kan worden overgedragen in samenhang met de overdracht van voor de melkproductie gebruikte grond, niet zijnde een geheel bedrijf, als overeengekomen door betrokken partijen met inachtneming van de hierna volgende bepalingen.

(…)

3. De over te dragen referentiehoeveelheid omvat minimaal 20 000 kg. (…)

Artikel 18

1. Degenen die een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15 (…) hebben verworven respectievelijk overgedragen, geven daarvan binnen een termijn van zes weken gezamenlijk kennis aan het productschap op een daartoe door het productschap voorgeschreven formulier, volgens daartoe door het productschap gestelde voorschriften. Bij dit formulier worden de door het productschap voorgeschreven documenten met betrekking tot de overdracht van de referentiehoeveelheid en de bijbehorende grond gevoegd.

2. Er kan eerst een aanspraak op een referentiehoeveelheid worden gemaakt vanaf de registratie door het productschap.

(…)

§ 8. Vaststelling, oplegging en inning van de heffing

Artikel 30

Voor de vaststelling en oplegging van de heffingen, bedoeld in de artikelen 2, 3, en 4 wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van de omstandigheden dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen, dat zij achterwege zouden zijn gebleven indien daarmede niet de vaststelling of oplegging voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk gemaakt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens een aan appellant gerichte mededeling 'Registratie fabrieksquotum heffingsperiode 2001/2002' van verweerders Centrale Organisatie Superheffing (hierna ook te noemen: verweerder) van 31 maart 2002, stond op naam van appellant voor de heffingsperiode 2001/2002 een (referentie-/gebruiks)quotum geregistreerd van 265.899 kg melk, met 4,10 % vet.

- In de loop van deze heffingsperiode heeft appellant in een aantal transacties zijn gehele quotum overgedragen. Blijkens een door verweerder op 10 december 2002 ontvangen meldingsformulier 'overdracht quotum met grond/geheel bedrijf', genummerd 171439, heeft op 1 december 2002 de laatste overdrachtstransactie plaatsgevonden van het op dat moment nog resterende quotum van appellant van 5.899 kg melk, met 4,10% vet. In dezelfde heffingsperiode heeft appellant tijdelijk, voor die periode, in het totaal 657.002 kg quotum geleasd.

- Bij brief van 25 oktober 2002 heeft appellant verweerder er onder meer op gewezen dat hij onvoldoende quotum heeft om zijn bedrijfsplannen te kunnen realiseren, dat het oorspronkelijke quotum grotendeels, met teruglease, is verkocht ten behoeve van investeringen in zijn bedrijf en dat hij eerder dat jaar (2002) had besloten, gezien de verwachting dat een bij Brabant Water ingediende schadeclaim in 2002 zou worden uitbetaald, waarmee melkquotum zou kunnen worden teruggekocht, om zijn bedrijf niet in te krimpen. Appellant heeft er hierbij voorts op gewezen dat de schadeclaim nog niet was uitbetaald, weshalve hij met het verzoek is gekomen om, gelet op de uitzichtloze situatie waarin hij zich bevindt, toe te staan voor het jaar 2002 een zodanig groot melkquotum te laten leasen dat hij dat jaar kan "overleven".

- Bij brief van 13 december 2002 heeft Campina B.V., de melkfabriek waaraan appellant melk levert, verweerder onder meer medegedeeld dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat het huidige quotum van appellant wordt verkocht en dat in de lopende superheffingsperiode 2002/2003 uiteindelijk een nieuw quotum overblijft van 20.000 kg melk, met 7,73% vet.

- Onder verwijzing naar onder meer de brieven van appellant van 25 oktober 2002 en van Campina B.V. van 13 december 2002, heeft verweerder appellant bij brief van 19 december 2002 het volgende medegedeeld:

"De door u bedoelde transacties van quotum met grond hebben kennelijk ten doel om het momenteel op uw bedrijf beschikbare representatieve vetgehalte van 4,10% te vervangen door een hoog vetgehalte (7,74%) dat niet representatief is voor de situatie op uw bedrijf.

Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1392/2001 wordt het representatieve vetgehalte gewijzigd, indien het quotum wordt verhoogd als gevolg van permanente of tijdelijke overdrachten van fabrieksquotum. In de door u geschetste situatie is daarvan in feite geen sprake. Het gevolg van de voorgestelde transacties is dat uw fabrieksquotum in de heffingsperiode 2002/2003 (aanzienlijk) lager is dan thans het geval is.

Wij zullen derhalve niet overgaan tot registratie van meldingen die een dergelijke constructie tot gevolg hebben."

- Blijkens een aan appellant gerichte 'beschikking registratie fabrieksquotum heffingsperiode 2002/2003' van verweerder van 20 december 2002 is op naam van appellant voor de heffingsperiode 2002/2003 een quotum geregistreerd van 0 kg melk.

- Op 27 december 2002 heeft verweerder een 'meldingsformulier overdracht quotum met grond/geheel bedrijf', gedateerd 20 november 2002, met nummer 175923 ontvangen. Door middel van dit formulier hebben C en appellant verzocht om registratie van de overdracht van fabrieksquotum van 20.000 kg melk, met 7,73% vet, van C, als vervreemder, aan appellant, als verkrijger.

- Op 31 januari 2003 heeft verweerder een 'meldingsformulier tijdelijke overdracht fabrieksquotum', gedateerd 29 januari 2003, met nummer 287523 ontvangen. Door middel van dit formulier hebben C en appellant verzocht om registratie van tijdelijke overdracht van voormeld fabrieksquotum van 20.000 kg melk, met 7,73% vet.

- Bij besluit van 31 januari 2003 heeft verweerder het registratieverzoek van 27 december 2002 afgewezen op grond van de volgende overweging:

"In samenhang met de eerdere verkoop van uw gehele fabrieksquotum heeft de betrokken transactie kennelijk ten doel het voor uw bedrijf geldende representatieve vetgehalte (4,10%) te vervangen door een hoog vetgehalte (7,73%) dat niet representatief is voor de situatie op uw bedrijf. Daarom is besloten het verzoek tot registratie af te wijzen."

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 februari 2003 bezwaar gemaakt. Hierbij heeft appellant tevens verzocht de door hem in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift gemaakte kosten te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

- Bij beschikking 'registratie fabrieksquotum heffingsperiode 2002/2003' van 28 februari 2003 heeft verweerder, conform het verzoek van 31 januari 2003, de tijdelijke overdracht van fabrieksquotum van 20.000 kg melk, met 7,73% vet, geregistreerd.

- Op 19 maart 2003 heeft appellant zijn bezwaar mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is onder meer als volgt overwogen en beslist:

"De melding door middel van formulier nr. 175923 van een overdracht aan uw cliënt van 20.000 kg quotum (de minimale hoeveelheid die in het kader van artikel 15 Regeling superheffing 1993 kan worden overgedragen), met een vetgehalte dat ver boven het landelijk gemiddelde ligt, vond plaats op het moment dat geen aan het bedrijf gerelateerde referentiehoeveelheid in de administratie van de COS was geregistreerd.

Het standpunt van de COS is dat vorenbedoelde transactie, in samenhang met de daaraan voorafgaande verkooptransacties, kennelijk ten doel heeft gehad om, op oneigenlijke wijze, het voor het bedrijf van uw cliënt geldende representatieve vetgehalte te vervangen door het hoge vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de vervreemder.

Mede gelet op artikel 30 Regeling superheffing 1993, is daarom besloten om niet op naam van uw cliënt een referentiehoeveelheid van 20.000 kg met 7,73% vet te registreren.

De registratie van de tijdelijke overdracht, overeenkomstig het verzoek van uw cliënt en de vervreemder, betekent dat het bestreden besluit geen gevolgen heeft voor de in de heffingsperiode 2002/2003 verschuldigde superheffing.

Reeds voor de aanmelding van de aankooptransactie, in een brief van 19 december 2002, heeft de COS uw cliënt geïnformeerd, dat in een dergelijke situatie niet tot registratie van een overdracht zal worden overgegaan. Ook overigens is van de zijde van de COS geen toezegging gedaan of vertrouwen gewekt dat het verzoek tot registratie zou worden gehonoreerd.

Gezien het vorenstaande worden de bezwaren ongegrond verklaard.

Wij zijn bereid de met formulier nr. 175923 aangemelde overdracht te registreren, met ingang van heffingsperiode 2003/2004, met een vetgehalte van 4,35%. Voorwaarde hiervoor is dat uw cliënt en de vervreemder schriftelijk verklaren daarmee in te stemmen.

Dit vetgehalte is berekend door, voor de in artikel 3 Verordening (EG) nr. 1392/2001 bedoelde middeling met de overgedragen hoeveelheid, het aan het begin van heffingsperiode 2001/2002 ten name van uw cliënt geregistreerde quotum, groot 265.899 kg met een mtv van 4,10%, aan te merken als het oorspronkelijke representatieve vetgehalte en de oorspronkelijke referentiehoeveelheid."

Hieraan heeft verweerder ter zitting nog het volgende toegevoegd.

Naast artikel 30 van de Regeling ligt aan het bestreden besluit mede ten grondslag artikel 3 van de Verordening, gecombineerd met artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3950/92, waarin de bedrijfsgebondenheid van de referentiehoeveelheid tot uiting komt. In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat appellant via een aantal partiële transacties de gehele aan zijn bedrijf gebonden referentiehoeveelheid, met het daaraan gekoppelde vetgehalte, aan het bedrijf heeft onttrokken, waarna hij vervolgens, op het moment dat geen referentiehoeveelheid voor dit bedrijf was geregistreerd, quotum heeft aangekocht met een hoog vetgehalte. Er is dan ook in die zin sprake van een schijnconstructie, als bedoeld in artikel 30 van de Regeling, dat appellants bedrijf wordt gecontinueerd, terwijl de gehele referentiehoeveelheid hieraan is onttrokken, en dat het voorheen voor appellants bedrijf geldende representatieve vetgehalte op oneigenlijke wijze is vervangen door een hoger vetgehalte.

Aangezien appellant het ook niet eens zou zijn geweest met registratie van de onderhavige overdracht met een vetgehalte van 4,35%, is ervoor gekozen deze overdracht niet reeds bij het bestreden besluit te registreren, doch bij dit besluit de bereidheid daartoe uit te spreken. Weliswaar had de overdracht met voormeld vetgehalte kunnen worden geregistreerd, doch appellant zou dan slechter af zijn geweest dan thans het geval is. Immers, door registratie van de tijdelijke overdracht van 20.000 kg quotum met 7,73% vet, gold dit vetgehalte voor het verkoopseizoen 2002/2003.

De term "oorspronkelijke", in artikel 3, zesde lid, van de Verordening, wordt normaliter uitgelegd als: op het moment waarop de melding van overdracht wordt gedaan. Voor het onderhavige geval zou dit betekenen dat, indien appellant op het moment waarop de overdracht van 20.000 kg quotum met 7,73% vet werd gemeld nog het in december 2002 verkochte quotum van 5.889 kg met 4,10% vet had gehad, laatstbedoeld quotum met het daaraan gekoppelde vetgehalte zou zijn aangemerkt als oorspronkelijke referentie-hoeveelheid/vetgehalte, in de zin van voormelde bepaling. Het quotum van 5.889 kg was echter ten tijde van de melding van vorenbedoelde overdracht reeds verkocht. Omdat appellant met deze en alle daaraan voorafgaande verkooptransacties op oneigenlijke wijze heeft getracht het representatieve vetgehalte te vervangen door een hoger vetgehalte, moet in zijn geval als oorspronkelijke referentiehoeveelheid/vetgehalte worden aangemerkt: het quotum dat appellant had op 31 maart 2002, met het op dat moment voor zijn bedrijf geldende vetgehalte. Hierbij kan er niet aan voorbij worden gezien dat acceptatie van de door appellant gevolgde constructie het gevaar in zich bergt dat anderen op dezelfde manier te werk kunnen gaan, met als gevolg dat op oneigenlijke wijze de heffingsvrije hoeveelheid melk van Nederland gigantisch wordt verhoogd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat, onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De onderhavige overdracht van 20.000 kg fabrieksquotum met 7,73% vet voldoet aan de in artikel 15 van de Regeling neergelegde eisen waaraan quotumtransacties moeten voldoen. Deze en de daaraan voorafgaande (verkoop)transacties zijn met inachtneming van de toepasselijke voorschriften uitgevoerd, zodat geen sprake is van het op oneigenlijke wijze vervangen van het voor appellants bedrijf geldende representatieve vetgehalte. Niet relevant is met welke intenties de quotumtransacties zijn verricht. Voormelde overdracht had dan ook, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving, waarvan in het bijzonder de Verordening, als permanente overdracht moeten worden geregistreerd.

Nu de onderhavige overdracht niet tot gevolg heeft dat vaststelling of oplegging van heffingen geheel of gedeeltelijk onmogelijk wordt gemaakt, heeft verweerder zich ten onrechte beroepen op artikel 30 van de Regeling.

De Verordening, noch de Regeling biedt ruimte voor verweerders kennelijke opvatting, dat de in artikel 3, zesde lid, van de Verordening gebezigde term "oorspronkelijke" impliceert dat teruggevallen mag worden op de in het verleden op naam van appellant geregistreerde referentiehoeveelheden, met de daarbij behorende vetgehalten, zelfs al zijn deze hoeveelheden niet meer op zijn naam geregistreerd. Bovendien komt deze benadering neer op willekeur: verweerder bepaalt immers met welke referentiehoeveelheid wordt gemiddeld. In dit verband wijst appellant er nog op dat zijn situatie ten tijde van de onderhavige overdracht in feite hetzelfde is als die van een nieuwe producent op wiens naam nimmer melkquotum is geregistreerd.

Appellant wenst de door hem in verband met de behandeling van zijn bezwaar en beroep gemaakte proceskosten vergoed te zien. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten onrechte, impliciet, geweigerd de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

Appellant heeft schade geleden door het bestreden besluit en wenst deze schade op grond van artikel 8:73 Awb vergoed te zien. Om hem in de gelegenheid te stellen de schade nader te onderbouwen, wordt verzocht om voor de behandeling van het schadeverzoek de behandeling ter zitting aan te houden.

5. De beoordeling van het geschil

In dit geding primair behoeft beantwoording de vraag of verweerder zijn besluit tot afwijzing van het verzoek om registratie van de overdracht van fabrieksquotum van 20.000 kg melk, met 7,73% vet, van C aan appellant, in bezwaar op goede gronden heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

Verweerder heeft in het onderhavige geval toepassing gegeven aan artikel 30 van de Regeling omdat, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in dit geval sprake is geweest van een schijnconstructie, in de in rubriek 3 omschreven zin. Het College overweegt ter zake allereerst dat artikel 30 van de Regeling handelt over de vaststelling en oplegging van de heffingen als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling en niet over de overdracht van een referentiehoeveelheid, welke in de artikelen 15 e.v. van de Regeling is geregeld. Bovendien heeft verweerder overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een schijnconstructie c.q. dat het voorheen voor appellants bedrijf geldende representatieve vetgehalte op oneigenlijke wijze door een hoger vetgehalte is vervangen. Gesteld noch gebleken is immers dat de door appellant verrichte overdrachtstransacties niet of niet ten volle zijn geëffectueerd. Dat artikel 3, zesde lid, van de Verordening zich tegen registratie verzet, vermag het College evenmin in te zien. De in deze bepaling gebezigde term "oorspronkelijke" kan in samenhang met de leden 1 en 4 niet anders worden verstaan dan (en wordt blijkens mededeling van verweerder ter zitting, door hem ook verstaan) dat oorspronkelijke betekent voorafgaande aan het registratieverzoek. Dit brengt met zich dat ten tijde van het registratieverzoek van 27 december 2002 het oorspronkelijke vetgehalte nihil was en het overgedragen vetgehalte 7,73 %. Een andere lezing zou tot de onbegrijpelijke conclusie leiden dat de eerdere overdrachten na 31 maart 2002 er niet toe zouden doen. Het enkele feit dat appellants quotum en bijbehorend vetgehalte ten tijde van het registratieverzoek nihil was, maakt niet dat de term "oorspronkelijke" dan anders moet worden verstaan.

Het College komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd.

In artikel 7:15, tweede lid, Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge het derde lid van dit artikel zal verweerder bij de nieuw te nemen beslissing op appellants bezwaar tevens (opnieuw) moeten beslissen op het door appellant bij zijn bezwaarschrift van 21 februari 2003 gedane verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (één punt voor het indienen van een beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1 en een bedrag van € 322,- per punt).

Appellant heeft ter zitting verzocht verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade. Daarover kan echter eerst een besluit genomen worden wanneer verweerder opnieuw op appellants bezwaar zal hebben beslist. Het College gaat ervan uit dat verweerder bij zijn besluitvorming het door appellant gedane verzoek om schadevergoeding mede zal betrekken.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellant van 21 februari 2003, met inachtneming van het

in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- (zegge: honderd zestien

euro) vergoedt;

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. W.E. Doolaard en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens