Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1004

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-11-2003
Datum publicatie
24-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/531
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Voor een beschrijving van het verloop van de procedure tot 23 januari 2003 verwijst het College naar rubriek 1 van zijn uitspraak van die datum (AWB 02/603; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF3408).

Op 9 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit op appellants bezwaar tegen verweerders besluit van 16 oktober 2001. Bij laatstbedoeld besluit is afgewezen het verzoek van appellant om een verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 2:179, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voor het oprichten van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/531 27 november 2003

24200 Verklaring van geen bezwaar rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

A, wonende te X, appellant,

gemachtigde: mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigden: J. van den Broek en mr. E.B.M.H. de Brouwer, beiden werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Voor een beschrijving van het verloop van de procedure tot 23 januari 2003 verwijst het College naar rubriek 1 van zijn uitspraak van die datum (AWB 02/603; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF3408).

Op 9 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit op appellants bezwaar tegen verweerders besluit van 16 oktober 2001. Bij laatstbedoeld besluit is afgewezen het verzoek van appellant om een verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 2:179, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), voor het oprichten van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Bij brief van 6 juni 2003 heeft verweerder gereageerd op het beroepschrift en stukken ingezonden.

Bij brieven van 7 en 24 juli 2003 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

Bij besluit van 23 september 2003 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2001 (opnieuw) ongegrond verklaard.

Bij brief van gelijke datum heeft verweerder dit besluit en nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 8 oktober 2003 heeft appellant stukken ingezonden.

Bij brief van 9 oktober 2003 heeft appellant zijn beroepschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2003. Aldaar waren aanwezig de hierboven genoemde gemachtigden van partijen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een weergave van relevante wetgeving en beleidsregels verwijst het College naar § 2.1 van zijn bovengenoemde uitspraak van 23 januari 2003.

2.2 Voor een opsomming van voor het College vaststaande feiten en omstandigheden wordt allereerst verwezen naar § 2.2 van de uitspraak van 23 januari 2003. Voorts zijn voor het College, op grond van de gedingstukken in het onderhavige dossier en het onderzoek ter zitting op 21 oktober 2003, de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Bij brief van 31 januari 2003 heeft verweerder de Hoofdofficier van Justitie te X onder meer het volgende geschreven:

"(…)

In aansluiting op uw brief van 4 februari 2002 (…) verzoek ik u mij te willen inlichten over de stand van zaken in het onderzoek naar A.

(…)

Ik verzoek u (…) mij - voor zover mogelijk - zo concreet mogelijk te willen aangeven

a. wat de verdenkingen tegen A zijn,

b. waaruit deze verdenkingen blijken (rapporten, getuigenverklaringen etc…),

c. of u voornemens bent binnen afzienbare tijd het onderzoek af te ronden,

d. of u A verder gaat vervolgen.

(…)."

- Bij brief van 12 maart 2003 heeft de Hoofdofficier van Justitie verweerder onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

Ten eerste kan uit de uitspraak van het College opgemaakt worden dat er een misverstand bestaat over de criminele antecedenten van A.

Onder parketnummer (…) heeft een strafrechtelijk onderzoek gelopen tegen A in verband met de verdenking van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk drugshandel en opzetheling. Deze strafzaak is op 31 januari 1995 geëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging onder voorwaarden, een beslissing die feitelijk opgevat en gelijkgesteld moet worden met een transactie als bedoeld in artikel 74 Sr. Voorwaarde voor de niet verdere vervolging betrof het afzien van het eisen van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 591, 591a en 89 Sv of enig ander artikel alsmede afstand van een geldbedrag van 77.000 gulden. Als tegenprestatie heeft het openbaar ministerie gemeend de zaak te seponeren vanwege de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (overschrijding redelijke termijn).

Ten aanzien van de huidige strafzaken is het opsporingsonderzoek afgerond en is het parket X in een afrondende fase voor wat betreft de verdere vervolgingsbeslissingen. De verwachting is dat voor 1 april van dit jaar nadere informatie gegeven kan worden over het voortzetten van het onderzoek. Gelet op het feit dat de huidige vorderingen van het gerechtelijk vooronderzoek een scheef beeld zouden geven van de omvang van de strafzaak en de uiteindelijke voor vervolging in aanmerking komende feiten (er vallen zowel feiten af als dat er één feit vermoedelijk bijkomt) acht ik het nog niet opportuun u deze gegevens toe te zenden en aan te wenden in de procedure waar u thans mee bezig bent. In het verlengde hiervan acht ik het ook niet mogelijk u meer informatie te verstrekken over de inhoud van de strafzaak en de bewijsmiddelen. (…)

(…)."

- Op 16 mei 2003 heeft verweerder de brief van 12 maart 2003 van de Hoofdofficier van Justitie aan appellant gezonden en hem in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

- Bij faxbericht van 29 mei 2003 heeft appellant verweerder onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

Niet is voldaan aan de definitie bedoeld in artikel 74 Wetboek van Strafrecht. Daar waar in geval van een transactie "het Openbaar Ministerie zich ervan dient te vergewissen dat het een zaak betreft waarin een vervolging uit zowel feitelijke als juridisch oogpunt succesvol zou zijn" (zie Tekst & Commentaar Wetboek van Strafrecht) staat hier vast dat hiervan geen sprake kan zijn. Immers, in de brief d.d. 12 maart 2003 geeft het Parket zelf weer dat het Openbaar Ministerie in geval van vervolging niet-ontvankelijk zou zijn verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De gestelde overeenkomst ("kennisgeving van niet verdere vervolging onder voorwaarden") draagt ook niet de titel van transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht, nog daargelaten dat aan voornoemde kennisgeving een geheimhoudingsbeding was gekoppeld en u zich dus niet op de inhoud hiervan kunt beroepen.

Ten slotte zij benadrukt dat de voorwaarden van artikel 74 lid 2 Sr limitatief zijn opgesomd. Het in voornoemde brief gestelde "afzien van het eisen van schadevergoeding" en/of het "afstand doen van een geldbedrag (…)" valt daar niet onder.

Ten aanzien van de door Uw Minister te nemen nieuwe beslissing op bezwaar persisteert cliënt derhalve bij zijn standpunt dat zijn bezwaar gegrond dient te worden verklaard.

(…)."

- Bij brief van 7 juli 2003 heeft verweerder appellant in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van 4 februari 2002 van de Officier van Justitie.

- Bij faxbericht van 17 juli 2003 heeft appellant naar voren gebracht dat de brief van 4 februari 2002 zeer summier is en heeft hij uitdrukkelijk betwist dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de in die brief opgesomde delicten. Voorts heeft appellant verweerder medegedeeld dat de bevindingen van de gerechtelijke vooronderzoeken, die zouden zijn geopend op 27 september 1999 en 4 januari 2002, naar de stellige overtuiging van de advocaat die appellant terzake bijstaat geen aanleiding zullen geven tot verdere vervolging.

- Op 12 augustus 2003 zijn de gerechtelijke vooronderzoeken gesloten.

- Op 22 september 2003 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen de Officier van Justitie te X en een medewerker van verweerder.

- Vervolgens heeft verweerder het in rubriek 1 van deze uitspraak genoemde besluit van 23 september 2003 genomen.

- Op 6 oktober 2003 is appellant een kennisgeving van verdere vervolging toegezonden.

3. Het besluit van 23 september 2003 en het verweer

In zijn besluit van 23 september 2003 heeft verweerder, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

Verweerder onderschrijft de stelling van appellant dat de beslissing op het verzoek lang op zich heeft laten wachten. Appellant heeft er echter zelf voor gekozen de beslissing op dit verzoek af te wachten en geen gebruik te maken van de mogelijkheid op de voet van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bezwaar te maken.

Ter zitting van 21 oktober 2003 heeft verweerder hieraan toegevoegd dat hij na de uitspraak van het College van 23 januari 2003 het nodige onderzoek heeft verricht, appellant van de voortgang van dit onderzoek op de hoogte heeft gehouden en hem in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de verkregen informatie. Desondanks heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit op bezwaar.

Vaststaat en niet betwist wordt dat appellant een transactieaanbod heeft aanvaard, welk aanbod is gedaan wegens vermeende overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Deze transactie levert een crimineel antecedent op als bedoeld in de Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Staatscourant 1985, 227), zoals gewijzigd bij besluit van 10 september 1998 (Staatscourant 1998, 195; hierna: Richtlijnen 1998).

Valsheid in geschrift, in het geval van appellant bestaande uit het plegen van faillissementsfraude, zal zich volgens verweerder ook binnen de op te richten vennootschap kunnen voordoen. Het betreft hier een strafbaar feit dat iets zegt over de betrouwbaarheid van appellant, omdat het aangeeft dat hij niet juist omgaat met geschriften die dienen tot bewijs van enig feit. Het siert appellant dat hij een aantal benadeelden schadeloos heeft gesteld. Deze omstandigheid vormt evenwel onvoldoende aanleiding de verklaring van geen bezwaar alsnog af te geven, in aanmerking genomen de ernst van de gedraging waarop de transactie betrekking heeft en de hoogte van het transactiebedrag, dat wijst in de richting van een niet gering feit.

Gelet op de uitspraak van het College van 23 januari 2003 heeft verweerder opnieuw bezien of sprake is van feiten en omstandigheden, de recente persoonlijke ontwikkeling van appellant daaronder begrepen, die aanleiding vormen de verklaring van geen bezwaar alsnog af te geven.

Uit de brief van 12 maart 2003 van de Hoofdofficier van Justitie te X blijkt dat tegen appellant een strafrechtelijk onderzoek heeft gelopen, dat op 31 januari 1995 is beëindigd. In zijn reactie van 29 mei 2003 stelt appellant dat geen sprake is van een transactie als bedoeld in artikel 74 Sr. Dit doet er niet aan af dat ook een kennisgeving van niet verdere vervolging op grond van de Richtlijnen 1998 wordt aangemerkt als een crimineel antecedent dat relevant is voor de besluitvorming over de afgifte van een verklaring van geen bezwaar.

Bij het beoordelen van de recente persoonlijke ontwikkeling van appellant is voorts van belang dat hij onderwerp is geweest van twee gerechtelijke vooronderzoeken, die in augustus 2003 zijn gesloten. De Officier van Justitie kon over de strafzaak geen verdere mededelingen doen, maar heeft op 22 september 2003 desgevraagd wel telefonisch medegedeeld dat hij voornemens is door te gaan met de vervolging van appellant.

Ter zitting van 21 oktober 2003 is van de zijde van verweerder in dit verband verklaard dat appellant volgens de Officier van Justitie zal worden vervolgd wegens verdenking van de in de brief van 4 februari 2002 genoemde strafbare feiten, met uitzondering van deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr).

Gelet op het geheel van deze antecedenten ziet verweerder geen plaats voor het oordeel dat aanleiding bestaat de verklaring van geen bezwaar (alsnog) af te geven. Volgens verweerder dient ook de kennisgeving van niet verdere vervolging d.d. 31 januari 1995 in de beoordeling te worden betrokken. Verweerder concludeert dat sprake is van twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant, ook omdat de verschillende antecedenten in elkaars verlengde liggen en sprake lijkt te zijn van een soort rode draad.

Ter zitting van 21 oktober 2003 heeft verweerder naar voren gebracht dat op enig moment een besluit moet worden genomen, dat onvermijdelijk is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zich tot op dat moment hebben voorgedaan. Indien later bijvoorbeeld zou blijken dat de strafvervolging tegen appellant toch niet wordt doorgezet of dat hij wordt vrijgesproken, ontstaat een nieuwe situatie en valt de beslissing op een eventuele nieuwe aanvraag om een verklaring van geen bezwaar wellicht anders uit.

4. Het standpunt van appellant

Door appellant is in beroep met name het volgende aangevoerd.

Het gaat niet aan dat verweerder ook thans geen enkele consequentie verbindt aan de zeer lange behandelingsduur van het verzoek van appellant. Na de uitspraak van 23 januari 2003 heeft het opnieuw zeer lang geduurd voordat een besluit is genomen. De verklaring van geen bezwaar is aangevraagd in oktober 1998, zodat iedere redelijke termijn van besluitvorming is verstreken. Verweerder heeft meer dan voldoende tijd genomen voor zijn besluitvorming. Appellant verzoekt het College dan ook, na gegrondverklaring van het beroep, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de verklaring van geen bezwaar moet worden afgegeven en het onderzoek te heropenen met het oog op een nadere beslissing op appellants verzoek om schadevergoeding.

In zijn uitspraak van 23 januari 2003 is het College ten onrechte voorbijgegaan aan een aantal door appellant aangevoerde argumenten. Appellant betreurt dat het College zich niet kritischer heeft opgesteld tegenover verweerder.

De brieven van 22 februari 2000, 17 april 2000, 4 februari 2002 en 12 maart 2003 van het Openbaar Ministerie vormen volstrekt onvoldoende grond om verweerders twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant te rechtvaardigen. De brieven uit 2000 bevatten geen inhoudelijke informatie. Dit geldt evenzeer voor de brief van 4 februari 2002. Laatstgenoemde brief mag bovendien niet in de besluitvorming worden betrokken, omdat dit in strijd is met het verbod van reformatio in peius.

De inhoud van de brief van 12 maart 2003 verschaft geen duidelijkheid over de toen nog lopende gerechtelijke vooronderzoeken. Uit deze brief blijkt voorts dat vervolging naar aanleiding van het op 31 januari 1995 beëindigde onderzoek zou zijn uitgemond in niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien bevat de brief van 12 maart 2003 onjuiste informatie: het op 31 januari 1995 beëindigde onderzoek is niet uitgemond in een transactie.

Ook overigens beschikt verweerder nog steeds niet over voldoende informatie om de twijfel aan de betrouwbaarheid van appellant te rechtvaardigen. Ook het thans bestreden besluit is derhalve onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering. Appellant wijst in dit verband op de uitspraak van 4 juni 2002 van het College (AWB 01/368; LJN-nummer AE5147).

Appellant maakt bezwaar tegen het gebruik van de term "strafbare feiten" en "rode draad" door verweerder. Appellant heeft nimmer strafbare feiten gepleegd: hij is nimmer strafrechtelijk veroordeeld en hij is ook nooit gedagvaard. De kennisgeving van verdere vervolging is naar moet worden aangenomen slechts uitgegaan teneinde het recht op strafvervolging niet definitief te verwerken. Het Openbaar Ministerie heeft het echter niet aangedurfd appellant te dagvaarden.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Het College stelt voorop dat het belang van appellant bij een uitspraak op zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit op bezwaar is komen te vervallen, nu verweerder alsnog op dat bezwaar heeft beslist. Gelet hierop zal het College het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.

Wel acht het College termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant terzake van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zijnde de kosten van de door zijn gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 80,50 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,25).

5.2 Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 september 2003. Met betrekking tot het beroep tegen dat besluit overweegt het College het volgende.

5.3 In zijn uitspraak van 23 januari 2003 heeft het College geoordeeld dat niet rechtens onjuist is te achten dat verweerder het door appellant aanvaarde transactieaanbod in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van het verzoek om een verklaring van geen bezwaar. Het College heeft in dit verband overwogen dat de transactie, totstandgekomen op 17 december 1998 en betrekking hebbend op een vermoeden van valsheid in geschrift in januari 1992, niet dusdanig ver in het verleden ligt dat verweerder daaraan voorbij had moeten gaan bij de beoordeling van het verzoek om een verklaring van geen bezwaar. Voorts heeft het College in de uitspraak van 23 januari 2003 overwogen dat, gelet op het tijdsverloop sinds de transactie en met name de vermeende feiten waarop zij betrekking heeft, in dit geval groot gewicht toekomt aan de ontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan en dat verweerder er bij het nemen van het besluit van 16 juli 2002 in dit verband terecht niet aan voorbij heeft gezien dat appellant op dat moment onderwerp was van twee lopende gerechtelijke vooronderzoeken.

Omdat appellant niet in kennis was gesteld van de brief van 4 februari 2002 van de Officier van Justitie en (dus ook) niet in de gelegenheid was gesteld daarover te worden gehoord, alsmede omdat verweerder geen nadere informatie had ingewonnen over de actuele stand van zaken met betrekking tot de (destijds) lopende gerechtelijke vooronderzoeken, heeft het College bij de uitspraak van 23 januari 2003 het beroep van appellant gegrond verklaard, verweerders besluit van 16 juli 2002 vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.

Ter zitting van 21 oktober 2003 heeft appellant naar voren gebracht dat hij het in een aantal opzichten niet eens is met de uitspraak van 23 januari 2003. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding (gedeeltelijk) terug te komen van zijn uitspraak van 23 januari 2003.

5.4 Het College stelt vast dat verweerder bij brief van 31 januari 2003 bij het Openbaar Ministerie aan de hand van een aantal concrete en gerichte vragen heeft geïnformeerd naar de stand van zaken in de (toen nog) lopende gerechtelijke vooronderzoeken. Blijkens de brief van 12 maart 2003 heeft het Openbaar Ministerie over deze onderzoeken geen inhoudelijke informatie kunnen of willen verstrekken en tijdens het telefoongesprek van 22 september 2003 heeft hij dat volgens verweerder desgevraagd evenmin willen doen. Het College acht dit laatste niet onaannemelijk, nu zowel uit de brief van 12 maart 2003 als de brief van 4 februari 2002 van het Openbaar Ministerie blijkt dat deze instantie niet of nauwelijks bereid is en/of mogelijkheden ziet, verweerder inhoudelijk te informeren over meerbedoelde twee gerechtelijke vooronderzoeken. Onder deze omstandigheden heeft verweerder er naar het oordeel van het College van kunnen afzien zich nogmaals met een schriftelijk verzoek om informatie tot het Openbaar Ministerie te wenden alvorens opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

Zoals ook kan worden afgeleid uit de uitspraak van 23 januari 2003, volgt het College appellant niet in zijn stelling dat verweerder de brief van 4 februari 2002 niet in zijn besluitvorming heeft mogen betrekken. Verweerder heeft in beginsel de vrijheid aan een besluit op bezwaar nieuwe of andere argumenten ten grondslag te leggen dan aan een besluit in primo. Verweerder heeft de brief van 4 februari 2002 ook voor commentaar aan appellant voorgelegd.

Van strijd met het verbod van reformatio in peius is naar het oordeel van het College geen sprake. De gevraagde verklaring van geen bezwaar is bij besluit van 16 oktober 2001 geweigerd en bij het thans bestreden besluit op bezwaar is deze weigering gehandhaafd. Het besluit van 23 september 2003 heeft appellant dus niet in een nadeliger positie gebracht dan die waarin hij als gevolg van het besluit in primo verkeerde.

Het argument van appellant dat in de brief van 12 maart 2003 ten onrechte is gesteld dat het op 31 januari 1995 beëindigde strafrechtelijk onderzoek is uitgemond in een transactie of een daaraan gelijk te stellen handeling, leidt het College niet tot het oordeel dat aan deze brief geen betekenis toekomt, nu deze brief wel (enige) informatie bevat over onder meer het desbetreffende onderzoek en verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook een kennisgeving van niet verdere vervolging relevant kan zijn bij het beoordelen van een verzoek om een verklaring van geen bezwaar.

5.5 De enig andere mogelijkheid voor verweerder om meer informatie te verkrijgen over de lopende gerechtelijke vooronderzoeken was het stellen van nadere vragen aan appellant.

In zijn uitspraak van 23 januari 2003 heeft het College overwogen dat appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord naar aanleiding van de brief van 4 februari 2002 van de Officier van Justitie. Het College stelt vast dat verweerder appellant weliswaar alsnog in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te reageren op deze brief en op meergenoemde brief van 12 maart 2003, maar verweerder heeft appellant niet alsnog in de gelegenheid gesteld (mondeling) te worden gehoord.

Nu appellant hiertegen geen grief heeft aangevoerd en zijn gemachtigde ter zitting van 21 oktober 2003 desgevraagd heeft verklaard dat appellant weliswaar bereid zou zijn geweest nadere vragen van verweerder te beantwoorden, maar dat appellant het nut van een nader gesprek of een nieuwe hoorzitting zelf niet inziet, ziet het College geen aanleiding het besluit van 23 september 2003 te vernietigen omdat appellant in strijd met artikel 7:9 Awb niet in de gelegenheid is gesteld (opnieuw) mondeling te worden gehoord.

5.6 Het College ziet geen plaats voor het oordeel dat verweerder de grenzen van de hem toekomende (beperkte) beoordelingsruimte heeft overschreden door zich in het besluit van 23 september 2003 op het standpunt te stellen dat, gelet op het totaal van de op grond van artikel 2:179, tweede lid, BW en de Richtlijnen 1998 in aanmerking te nemen criminele antecedenten van appellant, twijfel bestaat aan diens betrouwbaarheid en dat om die reden gevaar bestaat dat de vennootschap die appellant wenst op te richten zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden. Hierbij neemt het College het volgende in aanmerking.

Vaststaat dat appellant verschillende keren onderwerp is geweest van strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van ernstige strafbare feiten. Dat appellant nooit strafrechtelijk is veroordeeld of gedagvaard, impliceert niet dat het in artikel 2:179, tweede lid, BW bedoelde gevaar van gebruik van de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden niet aanwezig kan worden geacht. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van 23 januari 2003, ziet het College geen plaats voor het oordeel dat alleen een strafrechtelijke veroordeling of dagvaarding twijfel zou kunnen doen rijzen aan de betrouwbaarheid van degene die het beleid binnen een te richten vennootschap (mede) zal bepalen en dat alleen dergelijke antecedenten de conclusie kunnen wettigen dat het gevaar bestaat dat zodanige vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden.

In zijn uitspraak van 23 januari 2003 heeft het College uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat de transactie d.d. 17 december 1998 en de ten tijde van het toen bestreden besluit van 16 juli 2002 nog lopende gerechtelijke vooronderzoeken terecht door verweerder in de besluitvorming zijn betrokken.

Ten tijde van het thans bestreden besluit van 23 september 2003 waren deze onderzoeken gesloten en bestond het voornemen appellant verder te vervolgen. Dat niet zeker is dat het tot dagvaarding en vervolgens ook veroordeling van appellant zal komen, kan er op zichzelf niet aan afdoen dat de jegens appellant gerezen strafrechtelijke verdenkingen voor het Openbaar Ministerie vooralsnog voldoende ernstig zijn om appellant verder te (willen) vervolgen, hetgeen hoe dan ook niet in het voordeel van appellant spreekt.

Dat een nieuwe situatie zou ontstaan indien appellant uiteindelijk niet zou worden gedagvaard of veroordeeld, regardeert de rechtmatigheid van het besluit van 23 september 2003 niet.

Aan het in de brief van 12 maart 2003 van de Hoofdofficier van Justitie genoemde strafrechtelijk onderzoek, beëindigd op 31 januari 1995, komt naar het oordeel van het College beperkte betekenis toe, reeds nu niet duidelijk is hoever de vermeende feiten waarop dit onderzoek betrekking had in het verleden liggen. Dit laat onverlet dat ook dit (niet eerder aan verweerder bekende) gegeven niet in het voordeel van appellant spreekt.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het besluit van 23 september 2003 voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom een relatie tussen de antecedenten van appellant in de zin van de Richtlijnen 1998 en de doeleinden van de op te richten vennootschap in dit geval aanwezig kan worden geacht. Op dit punt heeft appellant ook geen grieven aangedragen.

De omstandigheid dat over de verschillende strafrechtelijke verdenkingen jegens appellant niet of nauwelijks inhoudelijke informatie voorhanden is, leidt het College niet tot een andere slotsom. Behalve hetgeen reeds in § 5.4 en § 5.5 van deze uitspraak is overwogen, is in dit verband van belang dat appellant zelf geen informatie heeft kunnen of willen verstrekken die de ernst van de strafrechtelijke verdenkingen in een ander licht stelt. Ook overigens heeft appellant niet gewezen op bijzondere omstandigheden, zijn recente persoonlijke ontwikkeling daaronder begrepen, die tot een andere slotsom moeten leiden. Het is de eigen keuze van appellant geweest, zich te beperken tot een afwachten welke informatie het onderzoek van verweerder zou opleveren en het geven van een reactie op die informatie, en niet op eigen initiatief mogelijk relevante feiten of omstandigheden aan te dragen.

De door appellant getrokken vergelijking met de zaak waarin het College op 4 juni 2002 uitspraak heeft gedaan, gaat niet op, reeds nu de appellant in die zaak (AWB 01/368) in tegenstelling tot appellant geen transactie is aangegaan.

5.7 De omstandigheid dat de wettelijke beslistermijnen bij herhaling zijn overschreden en dat het na de uitspraak van 23 januari 2003 nog eens acht maanden heeft geduurd voordat een nieuw besluit op bezwaar is genomen, leidt niet tot de slotsom dat de verklaring van geen bezwaar alsnog moet worden afgegeven, reeds nu zulks in het onderhavige geval in strijd zou zijn met artikel 2:179, tweede lid, BW. Het College overweegt in dit verband nog dat het geen plaats ziet voor het oordeel dat een meer voortvarende besluitvorming door verweerder tot een andere uitkomst zou hebben geleid. In dat geval zou immers minder tijd zijn verstreken sinds het strafrechtelijk onderzoek dat op 17 december 1998 is uitgemond in een transactie, zodat aan die transactie een zwaarder gewicht zou moeten worden gehecht dan thans het geval is. Met betrekking tot de situatie dat vóór 17 december 1998 een besluit in primo zou zijn genomen, geldt dat appellant toen nog was verwikkeld in de desbetreffende strafrechtelijke procedure, zodat een andere uitkomst evenmin kan worden aangenomen.

5.8 Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, voorzover het zich richt tegen het besluit van 23 september 2003 van verweerder.

5.9 Reeds nu het beroep van appellant niet gegrond zal worden verklaard, komt zijn verzoek om heropening van het onderzoek met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, Awb niet voor inwilliging in aanmerking.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voorzover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit op

appellants bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2001 van verweerder;

- verklaart het beroep ongegrond, voorzover het zich richt tegen het besluit van 23 september 2003 van verweerder;

- wijst het verzoek om heropening van het onderzoek af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellant terzake van het beroep tegen het niet tijdig nemen

van een besluit, welke kosten worden vastgesteld op € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die genoemd bedrag moet vergoeden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. C.J. Borman en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen