Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO0902

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1352
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 10 juli 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 29 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1352 12 november 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, te Goes,

tegen

de Minster van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 juli 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 29 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Op 13 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 7 mei 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

Tevens zijn verschenen drs. M. Honig van GeoRas, die ter ondersteuning van verweerders standpunt een toelichting heeft gegeven op satellietopnames die ter zitting zijn weergegeven, en C, werkzaam bij het Bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze ten tijde van belang luidde, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

(…)

l. akkerland:

a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik was;

(…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 15 mei 2001 een "Aanvraag oppervlakten/Gebruik gewaspercelen 2001" bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor 3.50 ha mais (percelen 1 en 2), 6.65 ha overige granen (percelen 3 en 4). Tevens heeft appellant hierbij een oppervlakte van 6.75 ha grasland (percelen 8 tot en met 11) opgegeven als voederareaal.

- Bij brief van 20 december 2001, met bijlage, is aan appellant medegedeeld dat gewasperceel 4 ter grootte van 3.50 ha niet voldoet aan de definitie akkerland.

- Bij brief van 3 januari 2002 heeft appellant gereageerd en verzocht om ook voor perceel 4 de gevraagde akkerbouwsteun te verlenen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat genoemd perceel, welk hij begin jaren zeventig heeft aangekocht, als akkerland dient te worden aangemerkt, voert appellant in deze brief aan dat hij op zijn bedrijf een systeem van vruchtwisseling hanteert zodat er op enig moment in de periode tussen 1987 en 1991 wel een akkerbouwgewas moet hebben gestaan. Voorts heeft appellant bij deze brief een aantal bankafschriften uit 1990 overgelegd betreffende diverse betalingen voor akkerbouwgewassen.

- Bij besluit van 21 januari 2002 is de aanvraag van appellant voor een akkerbouwsubsidie voor de gewasgroep "overige granen" afgewezen.

- Tegen dit besluit is namens appellant bezwaar gemaakt bij brief van 28 januari 2002.

- Op 17 april 2002 heeft verweerder appellant gehoord ter zake van zijn bezwaar. Ter zitting van deze hoorcommissie heeft appellant een gedeelte uit een bemonsteringsboekje van C van het Bedrijfslaboratorium voor grond- en gewasonderzoek (hierna: Blgg) overgelegd. In dit boekje is de aantekening opgenomen dat op 20 oktober 1987 voor rekening van appellant een bodemmonster is genomen van een perceel aan X, waarbij onder het kopje "gebruik grond" staat vermeld "bw" en onder het kopje "bemonsterde laag" melding wordt gemaakt van "0-25".

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en daartoe onder meer als volgt overwogen:

" Door middel van teledetectie is gebleken dat de door u opgegeven perceelsgegevens niet overeenkomen met de door LASER vastgestelde situatie. Het perceel met volgnummer 4, perceelsnummer 15922.42596, voldoet niet aan de definitie akkerland. LASER heeft voor de gewasgroep overige granen een verschil van 3,50 hectare tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte vastgesteld. Uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte is dit 111,11%. Als het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, dan vervalt geheel het recht op een subsidie.

(…)

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder aanhef, van de Regeling dient, om in aanmerking te komen voor subsidieverlening op grond van de Regeling, elk perceel afzonderlijk te voldoen aan de definitie akkerland zoals opgenomen in artikel 1, onder l, van de Regeling.

Om satellietfoto's te weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Ten aanzien van het perceel met volgnummer 4 (perceelsnummer 15922.42596), met een aangevraagde oppervlakte van 3,50 hectare, dient u aan te tonen dat het perceel in één van de jaren 1987 tot en met 1991 is gebruikt voor de teelt van een akkerbouw- of tuinbouwgewas, en derhalve voldoet aan de definitie akkerland uit artikel 1, onder l, van de Regeling.

Het door u overgelegde bewijsmateriaal, welke door LASER is ontvangen op 11 januari 2002 en op de hoorzitting d.d. 17 april 2002, is als onvoldoende beoordeeld. De verscheidene bankafschriften van de Rabobank te Alphen uit het jaar 1990, met betrekking tot onder andere de levering van maïs en granen, tonen niet op perceelsniveau aan dat het betreffende perceel in de referentiejaren met een akkerbouwgewas beteeld is geweest. Er blijkt alleen uit dat u onder andere maïs en granen heeft geteeld, maar er blijkt niet uit dat dit op het perceel met volgnummer 4 is geweest.

(…)

Uit het bemonsteringsboekje grond van C uit het jaar 1987, in samenhang met zijn verklaring d.d. 14 april 2002, blijkt inderdaad dat op 20 oktober 1987 een grondmonster bouwland is genomen van het perceel 'X'. Echter uit het bewijsmateriaal blijkt niet dat het perceel 'X' het perceel met volgnummer 4 betreft, zodat ook dit bewijsmateriaal niet aantoont dat het perceel met volgnummer 4 in één van de jaren 1987 tot en met 1991 is gebruikt voor de teelt van een akkerbouw- of tuinbouwgewas, en derhalve voldoet aan de definitie akkerland uit artikel 1, onder l, van de Regeling."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het gaat om perceel vier. De minister beweert dat dit perceel niet voldoet aan de definitie akkerland. Dit is onjuist. Door middel van het overlegde bemonsteringsboekje van C is aangetoond dat het Blgg op 20 oktober 1987 een bodemmonster voor bouwland heeft genomen. Een dergelijk monster wordt genomen in de maanden oktober tot en met maart voor de teelt in het aansluitend seizoen. Omdat het hier een uitgebreid monster betreft, wat in het geval van voorgenomen gebruik als grasland geen enkele waarde heeft, is het zeer waarschijnlijk dat er in 1988 bieten op perceel 4 hebben gestaan. Wel is het zo dat hij op zijn bedrijf al sinds jaar en dag een systeem van vruchtwisseling hanteert, zodat het niet anders kan dan dat er in enig jaar in de periode van 1987 tot 1991 wel een akkerbouwgewas op perceel 4 moet hebben gestaan.

Gelet op het tijdsverloop is hij niet meer in het bezit van andere perceelsgebonden bewijzen.

Uit de door verweerder overgelegde satellietbeelden kan hij niet opmaken of er op het betrokken perceel steeds gras heeft gestaan, waarbij de op deze foto's weergegeven kleuren overigens steeds verschillen. Hij twijfelt sterk aan de betrouwbaarheid van genoemde foto's.

5. De beoordeling van het geschil

In geding is de vraag of het betrokken perceel 4 door verweerder terecht als blijvend grasland is aangemerkt.

Gezien de uitleg die Honig van GeoRas ter zitting van het College heeft gegeven aan de hand van een aldaar overgelegde kleurenweergave van de satellietopnames genomen in de referentieperiode 1987 tot en met 1991, heeft verweerder naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat blijkens die opnames perceel 4 op de betrokken data permanent met gras begroeid is geweest.

Appellant heeft weliswaar in algemene zin de geldigheid in twijfel getrokken van (de datering van) de overgelegde satellietopnames en de analyse van deze satellietopnames door GeoRas, maar geen concrete feiten of argumenten aangevoerd, die objectieve twijfel doen rijzen aan de geldigheid van genoemde satellietopnames.

Voorts komt aan de stellingen van appellant en de door hem overgelegde verklaringen onvoldoende gewicht toe om de hiervoor bedoelde, door verweerder uit genoemde satellietopnames getrokken conclusie ter zijde te stellen. Immers, het door appellant genoemde, in zijn opdracht genomen grondmonster van een perceel aan X, geeft slechts blijk van een voornemen. Appellant heeft geen bewijs geleverd dat hij dat voornemen ook in praktijk heeft gebracht.

De stelling van appellant dat hij op zijn bedrijf sinds jaar en dag een systeem van vruchtwisseling hanteert en het dus waarschijnlijk is dat op het onderhavige perceel 4 op enig moment in de referentieperiode een akkerbouwgewas zal hebben gestaan, kan hem bij gebreke van een objectief verifieerbare onderbouwing evenmin baten.

De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand