Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO0900

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/595
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 8 april 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 februari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder, na de gedeeltelijke vernietiging door het College van zijn eerdere besluit op het bezwaar, dat appellante had gemaakt tegen verweerders beslissingen van 29 maart 1999 en 2 augustus 1999 op grond van de In- en uitvoerwet, dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/595 29 oktober 2003

23030 In- en uitvoerwet

In- en uitvoervergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Reiss, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 8 april 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 februari 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder, na de gedeeltelijke vernietiging door het College van zijn eerdere besluit op het bezwaar, dat appellante had gemaakt tegen verweerders beslissingen van 29 maart 1999 en 2 augustus 1999 op grond van de In- en uitvoerwet, dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 2 juli 2002 een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft bij die gelegenheid de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het College toegezonden.

Bij brief van 15 juli 2002 heeft appellante het College een repliek doen toekomen.

Op 20 augustus 2002 heeft verweerder een dupliek ingediend

Op 17 september 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft het woord doen voeren door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. G.W. Bontenbal en

drs. M.V. Dorigo. Appellante werd vertegenwoordigd door haar directeur C en

mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de artikelen 2a, zesde lid, en 13, tweede lid, van de In- en uitvoerwet (zoals deze bepalingen luidden van 27 april 2001 tot en met 31 juli 2002) is het volgende bepaald:

"Artikel 2a

6. Indien er aanwijzingen bestaan dat bepaalde goederen, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben en waarvoor geen verbod op de uitvoer zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken geldt, na te zijn uitgevoerd in het land van bestemming zullen of kunnen worden gebruikt om bij te dragen tot de ontwikkeling, de produktie, de behandeling en bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de identificatie of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of tot de ontwikkeling, de produktie, het onderhoud of de opslag van raketten, die dergelijke wapens naar een doel kunnen voeren, kan Onze voornoemde minister bij beschikking bepalen dat de uitvoer van die goederen zonder vergunning is verboden.

Artikel 13

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de in artikel 2a, vierde lid, bedoelde beschikking van de Minister van Economische Zaken beschouwd als een beslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de procedure ter voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van een ingevolge die beschikking vereiste vergunning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 29 maart 1999 heeft verweerder appellante ervan in kennis gesteld, dat hem medegedeeld was, dat appellante voornemens was een hoge druk compressor, type V 17 5518 L, 40-K, gefabriceerd door de Oostenrijkse onderneming LMF uit de Gemeenschap naar Pakistan uit te voeren. Verweerder heeft daarbij aangegeven over aanwijzingen te beschikken dat dit goed in Pakistan kan worden gebruikt om bij te dragen tot de ontwikkeling en/of de productie van massavernietigingswapens of raketten die dergelijke wapens naar een doel kunnen voeren. In verband hiermee heeft hij de uitvoer van dit goed met toepassing van -volgende toen geldende nummering - artikel 2a, vierde lid, van de In- en uitvoerwet zonder vergunning verboden.

- Appellante heeft vervolgens bij brief van 18 mei 1999 en door haar ingevuld formulier van 25 mei 1999 de aldus benodigde vergunning aangevraagd.

- Bij besluit van 2 augustus 1999 heeft verweerder de vergunning geweigerd. Daarbij heeft hij overwogen, dat de afwijzing voortvloeit uit het risico dat deze transactie kan bijdragen tot de ontwikkeling en/of productie van (ballistische) raketten die massavernietigingswapens naar een doel kunnen vervoeren. Daarbij heeft hij verwezen naar het gestelde in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 3381/94 en de richtsnoeren bedoeld in artikel 4 van Besluit 94/942/GBVB (Pb EG L 367/1994).

- Op 19 augustus 1999 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Appellante heeft op 2 november 1999 het bezwaarschrift op een hoorzitting toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder op 30 december 1999 op het bezwaarschrift besloten.

- Appellante is tegen dit besluit bij het College in beroep gekomen.

- Bij uitspraak van 27 juni 2001 heeft het College voorzover hier van belang geoordeeld dat het beroep, voorzover gericht tegen de beslissing het vergunningvereiste te stellen, ongegrond was, maar dat het besluit om vervolgens de gevraagde vergunning ook te weigeren niet berustte op een deugdelijke, bij de bekendmaking van de beslissing vermelde, motivering. Het besluit is dan ook gedeeltelijk vernietigd.

- Verweerder heeft appellante daarop in de gelegenheid gesteld op 11 september 2001 over haar bezwaar gehoord te worden.

- Appellante heeft vervolgens een commentaar op het hoorzittingsverslag bij verweerder ingediend en - later - een rapport van prof.dr. Karl.M. Kautz te Clausthal, Duitsland.

- Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt samengevat het volgende in.

Eerst wordt uiteengezet dat de in de aanvraag om uitvoervergunning als eindgebruiker genoemde D gelieerd is met een Pakistaans instituut, dat werkt aan de productie van massavernietigingswapens en ballistische raketten. Er zijn aanwijzingen dat D in het verleden als valse eindgebruiker is opgetreden voor goederen die een andere eindbestemming in Pakistan hadden. De compressor, waar het om gaat, heeft zowel civiele als militaire toepassingen. Appellante heeft de compressor gekocht van een persoon, die banden heeft met de leider van het Pakistaanse instituut. Verwezen wordt naar diverse stukken die het voorgaande ondersteunen.

Verweerder wijst erop, dat de compressor al sinds februari 1999 in een explosievrije container staat opgeslagen. De opslag wordt betaald door de verkoper. De compressor is al vóór 1998 besteld. Ook aan de verkoper, die eerst zelf naar Pakistan wilde exporteren is een vergunningplicht opgelegd, waarna de compressor aan appellante verkocht is.

De compressor is uitermate geschikt voor gebruik bij Ghauri-raketten, zoals die in het Pakistaanse raketprogramma worden gebruikt. Genoemde raketten vliegen op vloeibare brandstoffen. Verweerder berekent, dat het brandstofvat daarvan door de compressor in maximaal twaalf minuten gevuld kan worden. Verweerder kan zich niet vinden in het door appellante overgelegde technische rapport, waarin onder andere een substantieel drukverlies tijdens het transport voorspeld wordt.

Verweerder geeft vervolgens aan dat het opgegeven eindgebruik van de compressor is het ontslakken van plaatstaal tijdens het walsen van staalplaten. Verweerder heeft zich bij de hoogovens en staalfabrieken van E uitgebreid laten voorlichten over het gebruik van compressors in de staalproductie. Zijn conclusie is dat voor een compressor met dat doel een explosievrije container, zoals de onderhavige compressor die heeft, niet nodig kan zijn. De inrichting van de container met een luchtgekoelde compressor en daarnaast een separate geforceerde luchtkoeling, die in de wand van de container is ingebouwd, lijkt verweerder veeleer te stroken met gebruik van de unit op verschillende locaties, dan met gemakkelijk transport naar een vaste locatie als een walserij.

Tenslotte is uit het bezoek bij E naar voren gekomen dat een compressor voor gebruik bij een ontslakkingsproces geen einddruk van 400 bar nodig heeft. Een einddruk van 160 bar is daarvoor voldoende.

Verweerder meent dat de compressor bedoeld is voor gebruik in verband met de Pakistaanse Ghauri-raket.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep samengevat het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Zij wijst erop, dat de compressor niet op de lijst van militaire of strategische goederen staat. De compressor is ook niet geschikt voor toevoer of verwerking van vloeibare brandstoffen, dus voor het door verweerder veronderstelde doel. Dit wordt bevestigd in een op verzoek van appellante door prof. Dr. Karl. M. Kautz te Clausthal opgemaakt deskundigenrapport. Zulks stemt overeen met de verklaringen van D en de handleiding van de leverancier.

Voorts neemt verweerder zonder goede grond aan dat het productieproces in Pakistan vergelijkbaar is met het productieproces bij E te B. Op die verschillen gaat het rapport van genoemde deskundige eveneens in.

Appellante maakt er bezwaar tegen dat verweerder zich nu op artikel 2a, zesde lid, van de In- en uitvoerwet beroept, terwijl het eerdere besluit gebaseerd was op artikel 2a, vierde lid van die wet.

Het feit, dat F verbonden is geweest aan verschillende Pakistaanse staatsondernemingen rechtvaardigt niet het verbod om op zichzelf onschuldige goederen naar Pakistan uit te voeren. Verweerder beroept zich ten onrechte op informatie van het Wisconsin project. Dit is een secundaire informatiebron, die onjuiste informatie oplevert. Zo is de vermelding over de heer G "jailed one year" niet juist. Hij heeft nooit in de gevangenis gezeten.

De normale procedure is raadpleging van het Federal Register bij het Bureau of Export Administration te Washington. Op basis daarvan zou de export van de compressor naar Pakistan zonder meer kunnen plaatsvinden.

Omdat H een fiks verlies genomen heeft, is de compressor voor Pakistan bijzonder goedkoop. Daarom willen appellante en D de verkoop nog steeds doorzetten. Appellante gaat het bovendien om haar plaats in de exportmarkt naar Pakistan en het verdere achterland.

5. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt allereerst dat appellante er ten onrechte over klaagt, dat verweerder zich bij de onderhavige besluitvorming op een ander artikellid baseert, dan bij zijn eerdere besluit van 30 december 1999 het geval was. De regelgeving is inmiddels gewijzigd en daardoor is het destijds aan het besluit ten grondslag liggende artikel 2a, vierde lid, nu het zesde lid van genoemde bepaling geworden. Waar verweerder de nieuwe beslissing op bezwaar, behoudens zich hier niet voordoende uitzondering, moest baseren op de ten tijde van die beslissing geldende regelgeving, heeft verweerder de juiste bepaling aangehaald.

Het College overweegt vervolgens dat verweerder - in vergelijking met hetgeen geconstateerd moest worden in de procedure, die leidde tot de uitspraak van het College van 27 juni 2001 - zijn stellingen nu naar behoren heeft onderbouwd. Enerzijds heeft verweerder gepreciseerd hoe hij zich een gebruik ten behoeve van het onderhoud van raketten voorstelt en anderzijds heeft hij aangegeven waarom het minder aannemelijk te achten is dat D de compressor voor eigen gebruik besteld zou hebben. Wat het eerste punt betreft heeft verweerder verduidelijkt welke functie de compressor wellicht zou kunnen spelen bij het op druk brengen van een drukvat met perslucht van een mobiele raket en het vullen van die raket op de lanceerplek met vloeibare brandstof. In de zin van artikel 2a, zesde lid, van de In- en uitvoerwet heeft verweerder zulks aangemerkt als een mogelijke bijdrage aan het onderhoud van een raket die chemische, biologische of nucleaire wapens naar een doel vervoert.

Op het andere punt heeft met name het onderzoek bij E de nodige helderheid geschapen. De compressor heeft niet de juiste specificaties voor het door D daarvoor opgegeven gebruik. Ook de inrichting van de container met een luchtgekoelde compressor en daarnaast een separate geforceerde luchtkoeling, die in de wand van de container is ingebouwd, lijkt van geen belang als de compressor bedoeld is om op een vaste plaats in het ontslakkingsproces van plaatstaal te fungeren.

Verweerder heeft het gestelde in het rapport van prof.dr. Karl. M. Kautz gemotiveerd tegengesproken.

De conclusie van het College is dan ook dat er tenminste zeer gerede twijfel bestaat of de compressor na uitvoer zal worden gebruikt voor het door appellante opgegeven doel.

Wat betreft de vraag of het op druk brengen en vullen van brandstoftanks van een raket als onderhoud van die raket in de zin van artikel 2a, zesde lid, van de In- en uitvoerwet aangemerkt kan worden, overweegt het College dat het, naar verweerder ter zitting overtuigend heeft uiteengezet, noodzakelijke handelingen zijn om een raket gebruiksklaar te hebben en te houden, en dat zij behoren tot het normale onderhoud- en testprogramma.

Al het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven, zodat het daartegen gerichte beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.J. Borman en mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand