Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO0885

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/1790
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants titel II, § 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1790 18 november 2003

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 3 september 2002.

1. De procedure

Bij brief van 3 september 2002 heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 3 september 2002 genomen beslissing op een klacht, bij klaagschrift van 23 maart 2001 ingediend door appellant tegen C (hierna: betrokkene).

Bij een op 30 oktober 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 13 november 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 4 december 2002 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Op 27 januari 2003 heeft het College van betrokkene een reactie, getiteld verweerschrift, op het beroepschrift ontvangen.

Op 28 januari 2003 zijn van appellant nadere stukken bij het College ingekomen, op

7 maart 2003 gevolgd door een reactie van appellant op voornoemd verweerschrift van betrokkene.

Op 3 april 2003 heeft betrokkene bij het College een dupliek ingediend.

Bij faxberichten van 28 augustus 2003 en 29 augustus 2003 heeft appellant nogmaals nadere stukken in het geding gebracht.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 16 september 2003, alwaar zijn verschenen appellant en betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam.

Bij brief van 6 oktober 2003 heeft appellant het College verzocht het onderzoek te heropenen.

Op 21 oktober 2003 heeft het College voornoemd verzoek afgewezen.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, voor zover tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft in zijn beroepschrift vijftien middelen tegen de bestreden tuchtbeslissing voorgedragen. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat het beroep hoofdzakelijk is gericht tegen, enerzijds, het oordeel van de raad van tucht dat aangezien appellant nimmer heeft beschikt over het rapport van betrokkene, niet valt in te zien dat hij op goede gronden klaagt over de wijze waarop betrokkene het onderzoek heeft uitgevoerd dan wel in zijn rapport tot onjuiste of ongenoegzaam dan wel ondeugdelijk gemotiveerde bevindingen is gekomen en, anderzijds, tegen de door de raad van tucht in de tuchtbeslissing vermelde afwijzingsgrond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op een hem tuchtrechtelijk verwijtbare wijze heeft gehandeld en heeft appellant zijn bezwaren als volgt samengevat.

4.1 De raad van tucht heeft de basis van de klachten geheel verkeerd beoordeeld door te stellen dat de klachten in hoofdzaak op het rapport van betrokkene zouden zijn gebaseerd en niet op de mededelingen en getuigenis van betrokkene.

4.2 Betrokkene heeft verwijtbaar nagelaten voldoende grondig boekenonderzoek te doen.

4.3 Betrokkene heeft in tenminste drie gevallen nagelaten voor het onderzoek belangrijke 'derde-partijen' te raadplegen.

4.4 Betrokkene heeft, ondanks de vastgestelde en ook aan hem gemelde onregelmatigheden met betrekking tot de bezorging van de 'goedkeuringsbrief', verwijtbaar nagelaten de handtekening van de obligatiecliënt op echtheid te (laten) controleren.

4.5 Betrokkene heeft in zijn onderzoek een aantal uitspraken gedaan, welke onvoldoende op grondig onderzoek werden gebaseerd.

4.6 Betrokkene heeft naar eigen zeggen de Luxemburgse (bancaire) regelgeving niet als basis voor zijn onderzoek gehanteerd. Daarmede heeft betrokkene nagelaten weer te geven op welke gronden hij tot zijn beweringen is gekomen.

4.7 Betrokkene heeft in zijn twee getuigenverklaringen tenminste negen maal gesteld dat hij 'niet heeft kunnen vaststellen'. In alle gevallen is hier sprake van een subjectieve verhindering op grond van verwijtbare tekortkomingen in het onderzoek van betrokkene.

5. Het standpunt van betrokkene

Betrokkene is van mening dat appellant in beroep de grondslag van zijn klacht heeft aangevuld met de door betrokkene - in het kader van de getuigenverhoren - gedane mededelingen. Betrokkene wijst erop dat uitbreiding van de klacht in beroep niet toelaatbaar is.

Voorts heeft appellant bij zijn reactie van 7 maart 2003 op het verweerschrift naar de mening van betrokkene onder het mom van een 'nadere categorisering' een geheel nieuwe en uitgebreide uiteenzetting van de klacht gegeven. De gelegenheid om te reageren op het verweerschrift is daarvoor niet bedoeld.

Bij faxbericht van 28 augustus 2003 heeft appellant een tweetal nieuwe stukken overgelegd, één in het Engels en één in het Frans, zonder nadere uitleg. Nu klager voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het beroep niet heeft aangegeven wat hij met deze stukken tracht aan te tonen, kan betrokkene op die stukken niet goed reageren. Bij de pleitnota die appellant ter zitting heeft gepresenteerd is nogmaals een nieuw stuk overgelegd.

Betrokkene is van mening dat hij zich op zorgvuldige wijze heeft gekweten van zijn opdracht en dat hij tijdens de getuigenverhoren naar eer en geweten heeft geantwoord, zodat de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat de door appellant aan betrokkene gemaakte verwijten ongegrond zijn.

6. De beoordeling

6.1 Appellant bestrijdt in de eerste plaats het verloop van de procedure voor de raad van tucht die te lang heeft geduurd. Dienaangaande volstaat het College met de vaststelling dat klager geen belang heeft bij de beoordeling van deze grief nu zij, indien al gegrond, slechts zou kunnen meebrengen dat deze tijdsduur in aanmerking moet worden genomen bij de beslissing omtrent een eventueel aan betrokkene op te leggen tuchtrechtelijke maatregel en niet valt in te zien dat deze leidt tot een andere beoordeling van de klacht die door appellant aan de orde is gesteld.

Daarnaast wraakt appellant dat de notulen van de openbare zitting op 27 november 2001 van de raad van tucht eerst op 24 juli 2002 zijn vastgesteld en dat daaruit niet kan worden opgemaakt hoe de zitting is verlopen. Het College stelt vast dat de Wet op de Register-accountants dienaangaande geen verplichting bevat. Een verslag van de openbare zitting is evenwel onontbeerlijk om toe te zien op de naleving van de waarborgen van een eerlijke tuchtprocedure. De enkele omstandigheid dat de betreffende notulen eerst geruime tijd na de zitting zijn vastgesteld is geen aanleiding te concluderen dat van een eerlijke tuchtprocedure geen sprake is geweest.

De stelling van appellant dat een concept beslissing op instructie van de voorzitter zou zijn herschreven biedt, zelfs als dit juist zou zijn, evenmin aanleiding te twijfelen aan een eerlijk verloop van de procedure. Uit zijn aard is een concept niet definitief en kan het meer of minder ingrijpende wijzigingen ondergaan.

Appellant verwijt de raad van tucht in de bestreden beslissing te hebben nagelaten vast te stellen dat een rekestciviel procedure werd ingesteld naar aanleiding van de overtuiging van appellant dat zijn voormalige werkgever en D zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten binnen de ontslagprocedure. Appellant heeft niet gemotiveerd waarom deze feitelijke vaststelling noodzakelijk zou zijn voor beoordeling van de klacht tegen betrokkene. De raad van tucht is slechts gehouden de feiten vast te stellen voor zover dat noodzakelijk is voor beoordeling van de klacht. Of de raad van tucht de juiste opdrachtgever heeft vermeld is voor de beoordeling van de klacht niet relevant.

Appellant meent voorts dat de raad van tucht zijn taak niet met de vereiste afwezigheid van vooringenomenheid en partijdigheid heeft vervuld. Appellant voert in dat verband aan dat de opzet en de formulering van de bestreden tuchtbeslissing overeen komen met die van het verweerschrift en dat de raad van tucht geen aandacht lijkt te hebben geschonken aan door hem ingediende stukken.

Van vooringenomenheid of partijdigheid van de raad van tucht is het College niet gebleken. De overwegingen in de bestreden tuchtbeslissing berusten voor een groot deel op het door raad van tucht ingenomen standpunt dat de klacht in hoofdzaak betrekking heeft op de inhoud van het door betrokkene vervaardigde rapport en dat, reeds omdat appellant nimmer of dit rapport heeft beschikt, niet valt in te zien dat appellant op goede gronden klaagt over de wijze waarop dat rapport tot stand is gekomen. Dat dit standpunt overeenkomt met het standpunt van betrokkene zoals dat uit het verweerschrift blijkt, kan niet tot de conclusie leiden dat de raad van tucht zich partijdig heeft opgesteld. Inherent aan een beslissing inzake een geschil tussen partijen is immers, dat één der partijen zodanig overtuigende argumenten weet aan te dragen, dat het beslissend orgaan aan die argumenten het meeste gewicht toekent.

Gelet op de vaststelling van de raad van tucht dat de klacht in hoofdzaak betrekking heeft op de inhoud van het door betrokkene vervaardigde rapport en op de opvatting van de raad van tucht dat appellant daarover niet kan klagen, ziet het College in de keuze van de raad van tucht om in zijn beslissing niet expliciet in te gaan op door appellant ter ondersteuning van zijn klacht aangedragen stukken evenmin aanwijzingen voor een vooringenomen of partijdige opstelling van de raad van tucht.

Voor zover appellant erover klaagt dat de raad van tucht het belang van appellant bij de uitkomst van het onderzoek van betrokkene heeft miskend, dat de raad van tucht de basis en de omvang van zijn klacht heeft miskend en dat de raad van tucht de foutieve stelling heeft betrokken dat het recht om te klagen afhankelijk zou zijn van de ter beschikking stelling van een accountantsrapport, verwijst het College naar het in rubriek 6.3 en verder van deze uitspraak overwogene alwaar de inhoudelijke bezwaren van appellant tegen de door de raad van tucht genomen beslissing aan de orde komen.

6.2 Alvorens de hiervoor bedoelde inhoudelijke bezwaren van appellant tegen de bestreden tuchtbeslissing te bespreken, zal het College eerst ingaan op de door betrokkene naar voren gebrachte stellingen dat appellant in beroep de klacht tegen betrokkene heeft gewijzigd, dat appellant bij zijn reactie op het verweerschrift een geheel nieuwe en uitgebreide uiteenzetting van de klacht heeft gegeven en dat appellant ten behoeve van de mondelinge behandeling van het beroep, alsmede in de pleitnota, nieuwe, in de Engelse en Franse taal gestelde stukken in het geding heeft gebracht terwijl hij niet heeft aangegeven wat hij met deze stukken tracht aan te tonen, zodat betrokkene niet goed op die stukken kan reageren.

Het College is van oordeel dat uit het beroepschrift, uit de reactie van appellant op het verweerschrift en uit de ter zitting gepresenteerde toelichting op het beroepschrift ten opzichte van de in het klaagschrift geformuleerde klacht geen nieuwe klachtonderdelen zijn te destilleren, noch een wijziging van de klacht valt te constateren. Appellant heeft zich in het onderhavige geding beroepen op al hetgeen hij in eerste instantie heeft betoogd. Uit het beroepschrift en uit de toelichting daarop blijkt dat appellant meent dat de raad van tucht in eerste aanleg tegenover alle argumenten en documentatie die appellant heeft aangevoerd en ingebracht, onzorgvuldigheid ten toon heeft gespreid en dat appellant zich tengevolge van het oordeel van de raad van tucht dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op een tuchtrechtelijk verwijtbare wijze heeft gehandeld, zich genoodzaakt heeft gevoeld om in beroep de nadruk te leggen op de feitelijke gang van zaken met betrekking tot alle aspecten van het door betrokkene uitgevoerde forensische accountantsonderzoek. Als reactie op hetgeen de raad van tucht heeft overwogen en besloten heeft appellant het kennelijk gewenst gevonden de onjuistheid van deze beslissing aan te tonen door de zijns inziens tegen betrokkene gerezen bezwaren op andere wijze te groeperen of te formuleren. Naar het oordeel van het College heeft appellant daarbij geen andere handelingen van betrokkene als tuchtrechtelijk verwijtbaar aangewezen dan die welke door appellant in de procedure bij de raad van tucht aan de orde zijn gesteld. Het beroepschrift en de reactie van appellant op het verweerschrift van betrokkene dienen derhalve te worden beschouwd als een herhaling en nadere onderbouwing van de in eerste instantie geformuleerde klachtonderdelen en grieven

Dit geldt evenzeer ten aanzien van de in beroep ingebrachte stukken in de Engelse en Franse taal. Van een situatie waarin aan betrokkene niet duidelijk zou zijn wat hem door appellant wordt verweten, omdat appellant voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het beroep niet heeft aangegeven wat hij met bedoelde stukken tracht aan te tonen en betrokkene mitsdien zijn verweer daarop niet goed zou hebben kunnen afstemmen, acht het College, gelet op de gedetailleerde wijze waarop appellant zijn klacht heeft gemotiveerd en onderbouwd, geen sprake. Naar het oordeel van het College kan derhalve niet met vrucht worden verdedigd dat betrokkene tengevolge van deze stukken in zijn recht op verweer, casu quo verdediging zou zijn geschaad en dat genoemde stukken om die reden buiten beschouwing dienen te worden gelaten bij de beoordeling van het voorliggende beroep. Voor het bij de pleitnota ingebrachte stuk is dat niet anders.

Het College ziet derhalve geen aanleiding door appellant in beroep overgelegde stukken of aangevoerde stellingen buiten beschouwing te laten. Gelet daarop dient het College in dit geding op grond van de grieven van appellant te beoordelen of de raad van tucht al dan niet ten onrechte heeft geoordeeld dat niet valt in te zien dat appellant op goede gronden klaagt over de wijze waarop betrokkene het onderzoek heeft uitgevoerd dan wel in zijn rapport tot onjuiste of ongenoegzaam dan wel ondeugdelijk gemotiveerde bevindingen is gekomen nu appellant nimmer heeft beschikt over het rapport van betrokkene, alsmede of de raad van tucht al dan niet ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen feiten of omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat betrokkene op een hem tuchtrechtelijk verwijtbare wijze heeft gehandeld. Dienaangaande overweegt het College het volgende.

6.3 Appellant heeft in zijn beroepschrift gesteld de gehele procedure in eerste aanleg aan te vechten. Met betrekking tot het oordeel van de raad van tucht dat ongegrond zijn de klachtonderdelen dat betrokkene onacceptabel traag is geweest bij de beantwoording van schriftelijke en mondelinge verzoeken, betrokkene de algemene maatschappelijke verplichtingen van de accountant heeft verzaakt en verwijtbaar partijdig is geweest heeft appellant geen specifieke grieven geformuleerd. Het College ziet ook geen aanleiding om met betrekking tot deze klachtonderdelen tot een ander oordeel dan de raad van tucht te komen.

6.4 Met betrekking tot de overige grieven van appellant stelt het College allereerst ten algemene vast dat appellant het rapport, bij de totstandkoming waarvan betrokkene volgens zijn klacht onzorgvuldig heeft gehandeld, niet heeft overgelegd. Het College stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat een klager is gehouden in eerste aanleg zijn klacht te motiveren en te substantiëren. De omstandigheid dat appellant niet de beschikking heeft gekregen over dit rapport omdat betrokkene om hem moverende redenen ervan heeft afgezien dit rapport als processtuk in de onderhavige procedure te brengen, doet niet af aan dit uitgangspunt. Dienaangaande overweegt het College dat weliswaar het met de tuchtrechtspraak gediende belang, te weten het weren en beteugelen van misslagen van registeraccountants in de uitoefening van hun beroep en van inbreuken op verordeningen van de Orde en op de eer van de stand der registeraccountants, meebrengt dat een registeraccountant gehouden is medewerking te verlenen aan het onderzoek naar de gegrondheid van een hem betreffende klacht, maar deze gehoudenheid gaat niet zo ver, dat het zonder meer de overlegging meebrengt van alle bescheiden die in verband kunnen worden gebracht met de klacht. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat voor het indienen en in behandeling nemen van een klacht met betrekking tot een registeraccountant geen bijzonder belang van klager vereist is. Wat de onderhavige zaak betreft moet in aanmerking worden genomen dat het rapport direct noch indirect mede betreft handelingen van klager in eerste aanleg en betrokkene goede redenen, te weten het beroepsgeheim, heeft aangevoerd die zich tegen openbaarmaking van het rapport in het kader van deze tuchtprocedure verzetten.

Het vorenstaande brengt mee dat het College de raad van tucht niet volgt in zijn oordeel onder 4.3 van de bestreden tuchtbeslissing dat niet valt in te zien dat appellant op goede gronden klaagt over de wijze waarop betrokkene het onderzoek heeft uitgevoerd dan wel in zijn rapport tot onjuiste of ongenoegzaam dan wel ondeugdelijk gemotiveerde bevindingen is gekomen, maar dat anderzijds wel geldt dat een en ander gevolgen heeft voor de bewijslastverdeling, in die zin dat van betrokkene in beginsel niet behoeft te worden verlangd dat hij, ter weerlegging van hetgeen klager ter motivering en substantiëring heeft aangevoerd, tot overlegging van het rapport overgaat. In de hierna volgende beoordeling moet dus volstaan worden tegenover de stellingen van appellant, los van het rapport, de al dan niet aannemelijkheid van de stellingen van betrokkene te beoordelen. Dat het betreft, zoals appellant stelt, een onderzoek naar de elementaire betrouwbaarheid van D, die getuige is in een arbeidsrechtelijk geschil tussen appellant en zijn voormalige werkgever, maakt dit niet anders. Evenmin heeft klager een contractuele aanspraak op het rapport dat centraal staat in zijn klacht op grond van de omstandigheid dat betrokkene vanwege een door klager geëntameerd getuigenverhoor vanwege zijn arbeidsrechtelijke geschil met zijn voormalige werkgever, het volle uurtarief in rekening heeft gebracht nu deze omstandigheid hoe dan ook niet meebrengt dat klager kan worden aangemerkt als opdrachtgever tot dat onderzoek.

6.5 Voor de beoordeling van de klachten van appellant is voorts van belang vast te stellen dat de omvang van de onderzoeksopdracht, naar betrokkene heeft gesteld, een beperkte is geweest. Betrokkene heeft in opdracht onderzoek gedaan naar geruchten in verband met D, met betrekking tot de tenaamstelling van rekeningnummer 110.003 en met betrekking tot een obligatietransactie om niet. Wat betreft het eerste gerucht is door betrokkene geconcludeerd dat sprake is geweest van antedatering door D van een aantal documenten, maar onderzoekers hebben niet kunnen vaststellen, dat sprake is van antedateren van openingsdocumentatie door D, noch is persoonlijke bevoordeling van D komen vast te staan.

Ter beoordeling staat derhalve of op basis van hetgeen door appellant is gesteld en dienaangaande is gesubstantieerd en gelet op het verweer dat door betrokkene is gevoerd kan worden vastgesteld of betrokkene het onderzoek met onvoldoende zorgvuldigheid heeft uitgevoerd dan wel een deugdelijke grondslag voor zijn bevindingen ontbreekt.

Appellant heeft betrokkene verweten bij de uitvoering van het onderzoek onzorgvuldig te zijn geweest doordat niet alle gehoorde personen het verslag dat van het verhoor is gemaakt, hebben ondertekend. Dienaangaande overweegt het College dat het uit zorgvuldigheidsoverwegingen geboden is dat de personen die door betrokkene zijn gehoord in staat zijn gesteld te reageren op de verslagen die hiervan zijn gemaakt. Dat deze personen bovendien het verslag ondertekenen kan nuttig zijn ten bewijze dat aan deze voorwaarde is voldaan maar is geen zelfstandige eis. Betrokkene heeft uitdrukkelijk bestreden dat niet alle personen die door hem zijn gehoord in de gelegenheid zijn gesteld hun visie te geven op het verslag dat hiervan is opgemaakt. Appellant heeft niet gespecificeerd welke personen zijn verwijt zou betreffen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat betrokkene in dezen onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat betrokkene nimmer aanleiding heeft gevonden voor aanvullende vragen aan personen die eerder door hem werden gehoord laat op zich evenmin de vaststelling toe dat hij bij het onderzoek onzorgvuldig heeft gehandeld.

Appellant heeft betrokkene voorts verweten een aantal door hem genoemde personen niet te hebben gehoord te weten E, , fiduciair F en de obligatiecliënt. Betrokkene heeft desgevraagd ter zitting gesteld dat E een schriftelijke verklaring had afgelegd waarvan hij kennis had genomen. Het horen van de fiduciair was niet noodzakelijk omdat de feitelijke situatie ten aanzien van BVI, ter zake waarvan de fiduciair volgens appellant zou kunnen verklaren, voldoende duidelijk was. Het horen van de obligatiecliënt was evenmin vereist omdat van deze cliënt een schriftelijke verklaring voorhanden is waaruit blijkt dat hij de betreffende bedragen ontvangen heeft en dat de transactie voor zover deze hem betreft correct is verlopen. Uit verklaringen van appellant ter zake van hetgeen door genoemde personen zou kunnen worden verklaard blijkt niet dat die verklaringen iets zouden toevoegen aan hetgeen betrokkene reeds wist en wijziging in zijn bevindingen zou kunnen brengen. Op basis van hetgeen door appellant is gesteld kan niet worden vastgesteld dat de bevindingen van betrokkene deugdelijke grondslag ontberen.

Ten aanzien van de gang van zaken rond het verkrijgen van de handtekening van de obligatiecliënt heeft betrokkene voorts ter zitting verklaard dat hij met betrekking tot de vraag of in contact kon worden getreden met rekeninghouders juridisch advies in Luxemburg heeft ingewonnen en dat het verkregen advies, inhoudende dat rekening-informatie als zodanig in principe niet ter beschikking staat in een onderzoek als hier aan de orde, ertoe heeft geleid dat hij niet in contact is getreden met de obligatiecliënt. Het College ziet in die verklaring evenmin grond om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van betrokkene. De stelling van appellant dat rekeninghouders in het kader van een strafrechtelijke onderzoek zouden kunnen worden gehoord doet hieraan niet af nu het onderzoek van betrokkene geen strafrechtelijk onderzoek is. Het verwijt dat betrokkene door zijn opdrachtgever zou zijn beperkt bij het horen van personen is uitdrukkelijk door betrokkene ontkend. Nu appellant dit verwijt niet met bewijzen heeft onderbouwd kan het College niet vast stellen dat het gegrond is.

Appellant heeft betoogd dat betrokkene onvoldoende aandacht heeft besteed aan tegenstellingen tussen hetgeen medewerkers van BLL tegenover hem hebben verklaard en de verklaring van D. Voorts heeft hij gewezen op tegenstellingen in de verklaringen van D. Het College stelt voorop dat niet volledig vaststaat dat de betreffende medewerkers jegens hem dezelfde verklaring hebben afgelegd als jegens betrokkene aangezien de verklaringen die jegens betrokkene zijn afgelegd niet door appellant in het geding zijn gebracht. Zelfs echter als zou worden aangenomen dat dit wel het geval is, dan blijkt uit deze stelling nog niet dat betrokkene onvoldoende aandacht aan de bedoelde discrepanties heeft besteed. Dat betrokkene bij waardering van de verschillende verklaringen fouten zou hebben gemaakt blijkt niet uit de enkele omstandigheid dat appellant op basis van deze verklaringen tot andere gevolgtrekkingen komt dan betrokkene aangezien het betreft verklaringen die tenminste op onderdelen verschillen. Daarnaast vormen de conclusies inhoudende dat niet kon worden vastgesteld dat sprake is van antedateren van openingsdocumentatie door D noch dat persoonlijke bevoordeling van D is komen vast te staan, eerder een indicatie dat betrokkene zich wel rekenschap heeft gegeven van discrepanties als door appellant aangegeven in verklaringen van verschillende betrokkenen.

Wat betreft de raadpleging van het computersysteem heeft betrokkene, zowel bij zijn verhoor als getuige in het kader van het arbeidsgeschil van appellant met zijn voormalige werkgever als ten overstaan van het College, verklaard dat een door BLL voor de migratie naar een nieuw systeem gemaakte back-up door hem is geraadpleegd. Appellant heeft dit bestreden omdat raadpleging niet mogelijk zou zijn zonder medewerking van de softwareleverancier en heeft daaraan de conclusie verbonden dat betrokkene geen grondig boekenonderzoek heeft verricht. Het College hoeft op dit punt geen beslissing te nemen. Volgens de stellingen van appellant is raadpleging noodzakelijk omdat dan zou kunnen blijken tot wanneer rekening 110.003 geopend op naam van G is blijven staan. Zo dit al kan worden vastgesteld moet het College evenwel constateren dat dit verder niet van invloed is op de conclusies van betrokkene.

Tegenover de stellingen van appellant dat eerdere en andersluidende openingsdocumenten van genoemde rekening zijn verdwenen en dat betrokkene geen aandacht heeft besteed aan het feit dat de gang van zaken rond de opening van deze rekening in strijd is met de Luxemburgse regelgeving daaromtrent, heeft betrokkene verklaard dat hij aangaande de grenzen van zijn onderzoeksbevoegdheid zowel intern als extern juridisch advies heeft ingewonnen en dat hij binnen de kaders van zijn onderzoeksopdracht en van de daarvoor geldende Luxemburgse regelgeving, alsmede binnen de kaders van voor het bankverkeer in Luxemburg geldende regelgeving, waarin heel precies is gedefinieerd wat onder openingsdocumenten wordt verstaan, behoudens het antedateren van stukken niet zijnde openingsdocumenten, geen onregelmatigheden heeft kunnen vaststellen.

Het College acht hiermee de stelling van appellant dat betrokkene geen aandacht zou hebben besteed aan de vraag of bij de opening van rekening 110.003 conform de geldende Luxemburgse regelgeving is gehandeld voldoende weersproken door betrokkene. Dat niet staande kan worden gehouden dat betrokkene geen onregelmatigheden als door appellant bedoeld heeft kunnen vaststellen, acht het College gelet op de door betrokkene geschetste grenzen en kaders onvoldoende aannemelijk gemaakt door appellant.

Appellant meent dat de onzorgvuldigheid van het onderzoek voorts blijkt doordat betrokkene onder meer geen aandacht heeft besteed aan de vraag in hoeverre door het hanteren van een koers voor obligaties die niet in overeenstemming was met de dagkoers voor de betreffende effecten een balans werd aangebracht met een eerdere transactie, zoals door D beweerd, aan cashtransacties, aan onduidelijke schending van bevoegdheden, aan schending van procedurele regels en aan de wijze waarop de obligatiecliënt met de transactie heeft ingestemd. Op basis van deze stelling kan het College evenwel niet vaststellen dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld in die zin dat onderzoek naar deze aspecten zou hebben geleid tot een betere beantwoording van de vragen die betrokkene diende te onderzoeken dan wel dat betrokkene door onderzoek naar deze aspecten achterwege te laten geen deugdelijke grondslag heeft voor zijn conclusies. Het College tekent hierbij aan dat appellant de indruk wekt te wensen dat de opdracht aan betrokkene meer omvattend zou zijn geweest, te weten de vaststelling van strafbare feiten, dan die welke door BLL is verstrekt.

Op grond van hetgeen door appellant is gesteld en bewezen en gelet op het verweer van betrokkene is derhalve niet komen vast te staan dat betrokkene bij het uitvoeren van het onderzoek in opdracht van BLL tuchtechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad van tucht heeft de hier op betrekking hebbende klachten terecht ongegrond verklaard en de grieven die appellant hiertegen heeft aangevoerd moeten derhalve worden verworpen.

6.6 Het tweede klachtonderdeel dat met het beroep aan de orde wordt gesteld betreft het oordeel van de raad van tucht dat betrokkene zich niet ten onrechte op zijn beroepsgeheim heeft beroepen. Dit oordeel betreft de stelling van appellant dat H daags voor een door hem af te leggen getuigenverklaring op 12 augustus 1999 door de directie van BLL onder druk werd gezet "zijn mond te houden" en dat betrokkene op een vraag hiernaar ontwijkend heeft geantwoord. Het College stelt vast dat uit de verslagen van beide getuigenverklaringen van betrokkene die door appellant zijn overgelegd geen vraagstelling is weergegeven terwijl verder ook niet blijkt van een dergelijke vraagstelling als door appellant bedoeld noch van een ontwijkend antwoord van betrokkene. De stelling van appellant in het beroepsschrift dat hij hierover voor het getuigenverhoor telefonisch contact heeft gehad met betrokkene en dat betrokkene hierdoor de strekking van de vraag duidelijk had moeten zijn, kan door het College niet in aanmerking worden genomen aangezien betrokkene niet kan worden verweten niet te hebben geantwoord op een vraag die hem bij het verhoor niet is gesteld. Bovendien wordt deze stelling op geen enkele wijze door stukken die uit de betreffende periode dateren bevestigd. De door appellant aangegeven passages uit de getuigenverklaring van betrokkene geven evenmin anderszins blijk dat betrokkene vragen onjuist of misleidend heeft beantwoord. Appellant heeft verder overgelegd een briefwisseling tussen hem en betrokkene op 29 september 2000 waarin betrokkene onder verwijzing naar artikel 10 GBR-1994 weigert informatie te verstrekken maar nu in het geheel niet duidelijk is waarop de overgelegde brieven betrekking hebben kan het College niet vaststellen dat betrokkene zich ten onrechte op zijn geheimhoudingsverplichting heeft beroepen. Het tweede klachtonderdeel is door de raad van tucht terecht ongegrond verklaard zodat de hiertegen gerichte grieven geen doel treffen.

6.7 Appellant bestrijdt voorts het oordeel van de raad van tucht dat de klacht dat betrokkene niet voldoende onafhankelijk is opgetreden en dat hij niet heeft gehandeld zoals een registeraccountant betaamt, ongegrond is en beroept zich op hetgeen betrokkene heeft verklaard met betrekking tot de brief aan de obligatiecliënt tijdens het tweede getuigenverhoor en waarvan appellant stelt dat de juistheid van die verklaring door H wordt betwist. Begrijpt het College het betoog van appellant goed dan bestrijdt hij dat het in afwijking van de aanvankelijke bedoeling niet aangetekend verzenden van deze brief maar bezorgen door D en H berustte op een afspraak. Betrokkene heeft zich hierbij, blijkens de getuigenverklaring, gebaseerd op verklaringen van H, D en I. Uit de enkele omstandigheid dat H een andere herinnering heeft kan niet worden afgeleid dat de verklaring van betrokkene onjuist is noch dat hij niet onpartijdig is. Nu niet is gebleken dat de raad van tucht ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de klacht met betrekking tot de onpartijdigheid van betrokkene ongegrond is moet ook het hiertegen gerichte middel worden verworpen.

Op grond van al het voorgaande is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat het beroep dient te worden verworpen. Het verzoek van appellant van 6 oktober 2003 ok het onderzoek te heropenen en de daarbij gevoegde brief van appellant van 19 september 2003 bevatten naar het oordeel van het College geen feiten of omstandigheden die, waren zij voor de sluiting van het onderzoek bekend geweest, voor het College aanleiding voor nader onderzoek hadden gevormd. Het College heeft dan ook geen aanleiding gezien het verzoek van appellant om het onderzoek te heropenen, in te willigen.

De na te melden uitspraak berust op het bepaalde in titel II, § 6 van de Wet op de Registeraccountants.

7. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.A. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins