Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO0681

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-11-2003
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 28 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen de intrekking van de vergunning van appellant ingevolge de Wet personenvervoer 2000 voor het verrichten van taxivervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/496 14 november 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. L. van der Vliet, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 28 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen de intrekking van de vergunning van appellant ingevolge de Wet personenvervoer 2000 voor het verrichten van taxivervoer.

Verweerder heeft op 14 juli 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2003, alwaar de gemachtigde van verweerder zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellant is, overeenkomstig zijn bericht, niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet Personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(..)

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken.

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van (…) vakbekwaamheid.

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis van vakbekwaamheid.

(…)"

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) bepaalt onder meer het volgende:

" Artikel 26

1. De vervoerder die (...) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

(...).

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

(...)

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft op 29 januari 2001 van appellant een aanvraag ontvangen voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

- Bij besluit van 26 april 2001 heeft verweerder, met toepassing van artikel 125 van het Besluit, appellant voor onbepaalde tijd een vergunning verleend als bedoeld in artikel 4 van de Wet, voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoergebied BTU. Aan de bij het besluit gevoegde bijlage wordt het volgende ontleend:

"(…) In deze onderneming wordt door A gebruik gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Besluit personenvervoer 2000 door het behalen van de vakbekwaamheid vóór 1 juli 2001. (…)"

- Desverzocht door verweerder heeft appellant op 17 juli 2001 een ingevuld Antwoordformulier ondernemingsvergunning taxivervoer ingediend.

- In reactie op de door appellant verstrekte informatie heeft verweerder appellant bij brief van 5 september 2001 bericht, dat het voornemen tot intrekking van zijn taxi-ondernemersvergunning wordt opgeschort tot 1 maart 2002, maar dat de vergunning alsnog zal worden ingetrokken als appellant op deze datum niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

- Bij brief van 1 maart 2002 heeft verweerder appellant mededeling gedaan van zijn voornemen de vergunning in te trekken en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daaromtrent kenbaar te maken.

- Bij brief van 5 maart 2002 heeft appellant verweerder zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

- Verweerder heeft bij besluit van 18 maart 2002 de vergunning van appellant met ingang van 11 juni 2002 ingetrokken.

- Appellant heeft hiertegen bij brief van 25 april 2002 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 25 juni 2002 heeft verweerder appellant bericht dat de intrekking van de vergunning pas in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Op 8 januari 2003 heeft een hoorzitting plaatsgehad.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is - kort samengevat - het volgende overwogen.

Omdat appellant in de periode 1 juli 1999 tot 1 december 1999 als taxiondernemer regelmatig taxivervoer heeft verricht, is de overgangsregeling van artikel 125 toegepast. Vergunning is verleend onder voorwaarde dat uiterlijk op 1 juli 2001 de vakbekwaamheid kon worden aangetoond. Appellant heeft aangegeven dit te willen doen door het behalen van een erkend vakdiploma, te weten de Algemene Ondernemers Vaardigheden (AOV) en Branchegerichte Ondernemers Vaardigheden (BOV). Omdat appellant bezig was met die opleidingen is besloten de intrekking op te schorten tot 1 maart 2002. Appellant voldeed echter op deze datum nog niet aan de eis van vakbekwaamheid en de vergunning is met ingang van 11 juni 2002 ingetrokken. Appellant is in ruime mate de tijd geboden aan de eis van vakbekwaamheid te voeldoen en hij is voldoende gewaarschuwd dat het intrekken van de vergunning een reële optie was.

Appellant moest in redelijkheid in staat worden geacht binnen een periode van anderhalf jaar aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. Gezien het grote belang dat de wetgever toekent aan de eis van vakbekwaamheid, ziet verweerder in de omstandigheid dat appellant investeringen heeft gedaan geen reden hem nogmaals uitstel te verlenen voor het behalen van de voor de vergunningverlening vereiste diploma's.

Appellant kon voorts geen waarde hechten aan de beweerdelijke mondelinge mededeling van een inspecteur van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, inhoudende dat de AOV niet belangrijk is en zou gaan verdwijnen. Evenmin kon appellant waarde hechten aan een beweerdelijke telefonische mededeling dat de inspectie niet kon bevestigen of de AOV al dan niet verplicht is. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant, naar zijn zeggen, eerst in juli/augustus 2002 met de desbetreffende inspecteur heeft gesproken en vervolgens telefonisch contact met de inspectie heeft gehad, hetgeen ruimschoots na het intrekkingsbesluit is gelegen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende aangevoerd. Bij vele instanties heeft hij geïnformeerd naar de AOV opleiding. Zijn BOV diploma heeft hij reeds behaald bij het instituut EW&L, te Nieuwegein. Dit instituut heeft appellant bericht dat geen AOV opleiding meer werd gegeven, omdat over de opleiding onduidelijkheden bestonden. Inmiddels is appellant gebleken dat de AOV opleiding is gewijzigd in MKB voor startende ondernemers. Appellant heeft de AOV opleiding bij het NTI aangevraagd en hoopt dat hem alsnog uitstel wordt verleend voor het behalen van de AOV.

5. De beoordeling van het geschil

Vast staat dat appellant niet (meer) voldoet aan alle eisen die aan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer zijn verbonden. Appellant heeft niet aangetoond dat hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid, aangezien hij niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit, ten bewijze dat hij met goed gevolg de examens AOV en BOV heeft afgelegd.

Aangezien appellant niet heeft voldaan aan het vereiste voortvloeiende uit artikel 125, onder b, van de Wet, en vanaf 1 juli 2001 geen wettelijke aanspraak op een vergunning meer bestond, was verweerder bevoegdheid om met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Wet tot intrekking van de vergunning over te gaan. Voorts kan niet met vrucht worden gesteld dat verweerder van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken. In de bijlage bij de vergunning van 26 april 2001 is uitdrukkelijk vermeld vóór welke datum appellant aan de gestelde eis diende te voldoen. Bovendien is verweerder appellant vervolgens nog tegemoet gekomen door hem na deze datum nog ruime tijd te gunnen om de tekortkoming te herstellen.

Dat het appellant, naar hij heeft gesteld, niet duidelijk was of hij wel of niet diende te beschikken over het AOV diploma kan, mede gezien het dwingend bepaalde in de Regeling vakbekwaamheid beroepspersonenvervoer, niet leiden tot het oordeel dat verweerder hierin andermaal reden voor verder uitstel had dienen te vinden. Het staat appellant vrij na het behalen van alle diploma's bij verweerder opnieuw een aanvraag voor een taxivergunning in te dienen.

Op grond van bovenstaande overwegingen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. L. van Duuren