Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN9037

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
AWB 00/344
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 1 mei 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2000. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de intrekking en terugvordering van restituties bij uitvoer van kaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/344 22 oktober 2003

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

Bataafsche Overzee Export Maatschappij B.V., te Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr. H.J. Bronkhorst, advocaat te Den Haag,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 1 mei 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2000. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de intrekking en terugvordering van restituties bij uitvoer van kaas.

Verweerder heeft op 5 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 augustus 2000 heeft appellante gerepliceerd. Verweerder heeft bij brief van 20 september 2000 te kennen gegeven geen behoefte te hebben om te dupliceren.

Bij brief van 10 januari 2003 heeft appellante haar beroep nog van nadere opmerkingen voorzien.

Op 22 januari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Het beroep is gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 00/345, 00/346, 00/347, 00/352 en 00/353.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op grond van artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB L148, blz. 13) kan, om de uitvoer van in dit artikel bedoelde producten mogelijk te maken, het verschil tussen de prijzen van die producten in de internationale handel en die in de Gemeenschap door een restitutie bij uitvoer worden overbrugd.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de In- en uitvoerwet kan een restitutie die is verleend in het kader van de uitvoering van een regeling vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, worden ingetrokken indien ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie.

Op grond van artikel 11 van deze wet is de bevoegdheid tot toekenning en intrekking van restitutie voor - onder meer - boter bij de artikelen 85 en 118 van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen overgedragen aan verweerder.

Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (Pb L351, blz. 1) luidt, voorzover hier en ten tijde van belang, als volgt:

"Artikel 16

1. In geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naar gelang van de bestemming, wordt de restitutie slechts betaald als de in de artikelen 17 en 18 vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld.

(…)

Artikel 17

1. Het produkt moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Onder de in artikel 47 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegekend.

2. Als produkten die in ongewijzigde staat zijn ingevoerd, worden aangemerkt produkten ten aanzien waarvan op geen enkele manier blijkt dat be- of verwerking heeft plaatsgevonden.

(…)

3. Het produkt wordt als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.

Artikel 18

1. Het bewijs dat deze douaneformaliteiten zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van:

a) het desbetreffende douanedocument, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan, welke hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door een officiële instantie van het betrokken derde land, hetzij door een officiële instantie van een Lid-Staat voor eensluidend is gewaarmerkt,

of b) het certificaat van inklaring, opgesteld op een formulier van het in bijlage II opgenomen model in een of meer officiële talen van de Gemeenschap en in een in het betrokken derde land gebruikte taal,

of c) enig ander door de douanediensten van het betrokken derde land geviseerd document waarin de produkten worden geïdentificeerd en de bedragen worden aangegeven en waaruit blijkt dat de produkten in dat land in het vrije verkeer zijn gebracht.

(…)"

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Pb L94, blz. 13) treffen de Lid-Staten, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om - onder meer - de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 12 maart 1993 (Z 965305) en 18 maart 1993 (Z 965303) met aanspraak op restitutie aangifte ten uitvoer gedaan voor twee partijen kaas met als bestemming Bulgarije.

- Verweerder heeft de restitutie voor de twee partijen op respectievelijk 24 maart 1993 en 21 april 1993 aan appellante betaald.

- Naar aanleiding van een verzoek van het Zollkriminalamt te Keulen in september 1993 is door de FIOD te Arnhem in Nederland een onderzoek ingesteld naar de export van boter en kaas door Nederlandse bedrijven, waaronder appellante, naar Bulgarije en Libanon in de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993. Uit dit onderzoek is, aldus het rapport van de Afdeling Recherche van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (AID) van 20 juli 1998, gebleken dat de goederen op papier naar Libanon en Bulgarije werden geëxporteerd, maar in werkelijkheid op de Griekse markt werden afgezet.

- Bij besluit van 19 januari 1999 heeft verweerder op basis van de bevindingen van de AID ter zake van voormelde partijen kaas geconcludeerd dat het bewijs van invoer in Bulgarije als bedoeld in artikel 18 van de Verordening niet is geleverd en zijn de in 1993 betaalde uitvoerrestituties ingetrokken en teruggevorderd, verhoogd met 15% wegens betaling bij wijze van voorschot (in totaal f 151.437,69).

- Appellante heeft tegen dit besluit bij brief van 20 januari 1999 bezwaar gemaakt. Zij is op 25 januari 2000 over het bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en hiertoe het volgende overwogen:

" I. Het aantal dozen kaas vermeld op de Bulgaarse uitvoerdocumenten komt overeen met de hoeveelheid vermeld op de Bulgaarse invoerdocumenten. Het Bulgaarse uitvoerdocument verwijst bovendien naar het nummer van het invoerdocument. De door Juvaco overgelegde enquête-formulieren vormen een onvoldoende basis om te veronderstellen dat de wederuitgevoerde netto-hoeveelheden kaas zouden afwijken van de in het rapport vermelde hoeveelheid. De formulieren zijn te weinig concreet om hieraan gevolgen te verbinden. Het bestreden besluit is voornamelijk gebaseerd op de bij het rapport van de AID gevoegde documenten. De in het rapport opgenomen getuigenverklaringen vormen slechts een ondersteuning van de feitelijke gang van zaken.

II. Het CBB is van oordeel (zie o.m. de uitspraak in de zaak 97/1097 S2 G. van den Bergh B.V./Productschap Zuivel) dat het feit dat, anders dan in de zaak Boterlux, in het onderhavige geval restitutie wordt ingetrokken en teruggevorderd, alleen in uitzonderlijke omstandigheden (vermeld in het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Stef Houlberg) van belang is. Ook de verwijzing naar de Verordeningen 1469/95, 745/96 en 313/97 acht het CBB niet van belang, omdat, afgezien van de betekenis die aan deze verordeningen door Van den Bergh werd toegekend, de feiten waarop die zaak betrekking had plaatsvonden vóór de inwerkingtreding van genoemde verordeningen. In het onderhavige geval geldt het voorgaande eveneens.

III. De Bataafsche miskent dat het bestreden besluit niet berust op de ondeugdelijkheid van het betrokken Bulgaarse invoerdocument, maar op het feit dat de kaas daadwerkelijk uit Bulgarije is wederuitgevoerd naar de Lid-Staat Griekenland. De Bataafsche stelt dat zij volledig vertrouwde op de beoordeling van de documenten door het productschap. Het CBB heeft in de zaak Jongviand B.V. tegen het Productschap Vee en Vlees d.d. 10 december 1997 (zaak nr. 96/0575/011/006) met betrekking tot invoerbewijzen het volgende overwogen:

"Nu op appellante de verantwoordelijkheid rustte het bewijs te leveren van de invoer ten verbruike in Egypte van de gehele door haar geëxporteerde partij en zij met de kennelijke pretentie dat bewijs te leveren het bewuste Egyptische douanedocument overgelegde, lag het op haar weg zich ervan te vergewissen of dit document inderdaad voor dat doel dienst kon doen. Indien zij met het oog hierop het in het Arabisch gestelde document zou hebben moeten laten vertalen, heeft appellante door het achterwege te laten het risico genomen dat zij verweerder voorzag van onjuiste gegevens waarvan later zou kunnen blijken dat deze het tegendeel uitwezen van hetgeen appellante pretendeerde te bewijzen. Nu dat risico zich heeft gemanifesteerd, behoren de gevolgen niet voor rekening van verweerder doch van appellante te komen. Hieraan doet niet af dat verweerder het betrokken document aanvankelijk niet uitgebreid heeft onderzocht, aangezien de controletaak van verweerder niet in mindering komt op de bewijsplicht van appellante. Appellante komt daarom geen beroep toe op de bovengenoemde beginselen van behoorlijk bestuur." (vertrouwensbeginsel en rechtzekerheidsbeginsel)

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verantwoordelijkheid voor overlegging van het juiste invoerdocument lag bij De Bataafsche, ongeacht het feit dat het productschap bij aanvankelijke beoordeling van het document niet heeft onderkend dat de kaas voor wederuitvoer bestemd was.

IV. Ten tijde van de onderhavige uitvoertransacties was er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat betrokken partijen werden wederingevoerd in de Gemeenschap. Deze feiten kwamen pas later aan het licht. De Bataafsche is op 3 november 1993 door de FIOD op de hoogte gesteld van de (mogelijke) wederinvoer van de onderhavige partij boter in de Gemeenschap. De stelling dat de exporteurs te laat zijn geïnformeerd is dan ook onjuist.

V. De bepalingen van Verordening (EG) nr. 800/1999 zijn niet van toepassing op de onderhavige transacties. Bovendien is het bestreden besluit niet gebaseerd op de ondeugdelijkheid van het overgelegde invoerbewijs, maar op het bewijs dat de goederen naar de EU zijn wederuitgevoerd.

VI. Indien de terugvordering van restitutie al kan worden aangemerkt als een beperking van het eigendomsrecht, dan rechtvaardigen die EU-voorschriften terzake, alsmede het doel hiervan - kortweg: het tegengaan van financiële benadeling van de Gemeenschap - de conclusie dat deze beperking geschiedt in het algemeen belang (zie de uitspraak van het CBB in de zaak F. Noordhoek & Zoon B.V. d.d. 5 januari 2000, zaak nr. AWB 98/317 S2).

VII. Er is in gevallen als het onderhavige geen mogelijkheid om te toetsen aan de beginselen van redelijkheid en billijkheid. De communautaire voorschriften staan dit niet toe."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Het besluit is niet naar behoren met redenen omkleed. Er is onvoldoende vast komen te staan dat appellante niet aan de uitvoerverplichtingen heeft voldaan.

Het kan niet als vaststaand worden beschouwd dat de door appellante uitgevoerde kazen vanuit Bulgarije naar Griekenland zijn geëxporteerd. De verklaringen die door de verdachten en getuigen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek van de FIOD noch de overgelegde documenten bieden hiervoor bewijs. Anders dan verweerder stelt, wijzen de documenten uit dat de netto uit Nederland uitgevoerde en in Griekenland ingevoerde hoeveelheden van alle kaaspartijen samen niet gelijk zijn. Er is namelijk een verschil van 38.681 kg. Ook overigens bevatten de onderzoeken belangrijke hiaten. Zo heeft de eerste zending van appellante betrekking op 1520 kartons. Blijkens het Bulgaarse uitvoerdocument zijn er 2726 (1520 en 1206) kartons uit Bulgarije naar Griekenland uitgevoerd. De 1206 kartons zijn nergens terug te vinden. Bovendien ontbreken bij beide zendingen de invoerdocumenten uit Griekenland. Alle door appellante geëxporteerde kazen hadden een eigen identificatienummer. Hiervan is bij het traceren van de kazen geen gebruik gemaakt. Ten slotte wijst appellante op het onderzoek dat Juvaco door een detectivebureau heeft laten verrichten. Dit onderzoek heeft een aantal zeer concrete verklaringen opgeleverd waaruit blijkt dat de (in gemerkte dozen door Juvaco uitgevoerde) kazen een aantal malen op verkoopplaatsen in Bulgarije zijn herkend en derhalve daar op de markt moeten zijn gebracht.

4.2 Er bestaat geen bevoegdheid om de uitvoerrestituties terug te vorderen wegens de goede trouw van appellante, de onzorgvuldigheid van de nationale autoriteiten en het grote tijdsverloop.

Verweerder beroept zich ten onrechte op het arrest Boterlux. In de zaak Boterlux ging het om de weigering om uitvoerrestituties te betalen, terwijl het hier gaat om terugvordering van reeds betaalde restituties. Deze situaties moeten van elkaar worden onderscheiden, zoals met name blijkt uit het arrest Emsland-Stärke. Uit dat arrest blijkt dat na de toekenning van de restitutie niet meer het bewijs mag worden verlangd dat de goederen in het derde land van bestemming in het vrije verkeer zijn gebracht indien misbruik wordt vermoed of vaststaat, tenzij de goederen enkel en alleen het grondgebied van de EG hebben verlaten om uitvoerrestituties te ontvangen.

Voorts blijkt uit het arrest Steff-Houlberg dat in het geval de zekerheden reeds zijn vrijgegeven, terugbetaling van restitutie bij frauduleuze herinvoer geen absolute regel is. In het onderhavige geval zijn er, anders dan verweerder stelt, wel degelijk uitzonderlijke omstandigheden, zoals aan de orde in het arrest Steff-Houlberg. Op de eerste plaats is appellant te goeder trouw: appellante valt ter zake niets te verwijten. Op de tweede plaats is sprake van onzorgvuldig handelen van de nationale autoriteiten. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Verweerder was als officieel orgaan kennelijk slecht op de hoogte van de codes op de documenten. Indien navraag was verricht, had verweerder kunnen afleiden dat de goederen weer zouden worden uitgevoerd. In dat geval zou appellante de uitvoerrestituties niet hebben ontvangen en, zoals contractueel was vastgelegd, niet de verplichting hebben gehad door te betalen aan de afnemer DTC. Van onzorgvuldig handelen van de nationale autoriteiten is ook sprake, nu de FIOD reeds in 1993 een verzoek tot het doen van onderzoek in Nederland in verband met vermeende fraude heeft ontvangen. Nu appellante niet is gewaarschuwd en evenmin een voorbehoud bij de betaling is gemaakt, hebben de Nederlandse autoriteiten appellante bewust in de positie gebracht waarin de uitvoerrestituties moeten worden teruggevorderd. Appellante beroept zich ter zake tevens op het arrest De Haan. Op de derde plaats wijst appellante erop dat tussen het uitbetalen van de door appellante aangevraagde uitvoerrestituties en het onderhavige besluit een periode van vijf jaar ligt. De grote tijdspanne tussen acceptatie van de invoerdocumenten en het herziene standpunt ter zake van het bewijs ontneemt appellante de mogelijkheid om correcte invoerdocumenten te produceren.

4.3 Het besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellante heeft na goedkeuring door verweerder van het eerste document erop mogen vertrouwen dat de volgende evenzo opgestelde juist waren en recht gaven op restitutie.

4.4 Het terugvorderingsbesluit is in strijd met artikel 52, vierde lid, van Verordening (EG)

nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (Pb L102, blz. 11). Artikel 54, eerste lid, van deze verordening vormt geen beletsel voor toepassing van artikel 52, vierde lid, nu toepassing van laatstgenoemde bepaling toepassing van Verordening (EEG) nr. 3665/87 in het geheel niet in de wielen rijdt. Bovendien was Verordening (EG) nr. 800/1999 van toepassing op de datum van het nemen van de beslissing op bezwaar.

4.5 Het terugvorderingsbesluit is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Omdat sprake is van terugvordering van definitief uitbetaalde restituties, is feitelijk sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht van appellante zoals bedoeld in het Eerste Protocol bij het EVRM. Het terugvorderingsbesluit kan de proportionaliteitstoets niet doorstaan: het besluit heeft aanzienlijke financiële gevolgen voor appelante, zij kan de schade niet verhalen nu DTC heeft opgehouden te bestaan, zij is te goeder trouw geweest en de Nederlandse autoriteiten hebben bij de controle van de documenten onzorgvuldig gehandeld.

4.6 Het terugvorderingsbesluit is ook overigens onredelijk. Het terugvorderingsbesluit kan na toetsing aan de Nederlandse beginselen van redelijkheid en billijkheid niet in stand blijven. In het bijzonder staan de financiële gevolgen voor appellante niet in verhouding tot vermelde omstandigheden met betrekking tot het opgewekt vertrouwen en het handelen van verweerder.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat van een bevoegdheid tot terugvordering van restitutie eerst sprake kan zijn, indien de restitutie onverschuldigd is betaald. In het onderhavige geval gaat het om goederen waarvoor een gedifferentieerde restitutievoet geldt. Dit brengt mee dat voor de betaling van restitutie niet alleen de algemene voorwaarden gelden van de artikelen 4 e.v. van Verordening (EEG) nr. 3665/87, maar ook de bijkomende voorwaarden als bedoeld in de in rubriek 2.1 weergegeven artikelen 16 tot en met 18 van deze Verordening. Ingevolge laatstgenoemde bepalingen is voor de betaling van gedifferentieerde restitutie vereist dat de exporteur het bewijs van invoer in het derde land levert.

Het College is van oordeel dat de door appellante overgelegde Bulgaarse invoerdocumenten niet als bewijs van invoer in Bulgarije kunnen dienen. Op deze invoerdocumenten is in vak 37 immers code 8024 vermeld. Deze code geeft aan, zoals blijkt uit de brief van de Bulgaarse douaneautoriteiten van 20 maart 1994 (dossierstuk D/029 van het rapport van de AID) en door partijen niet is betwist, dat de goederen tijdelijk worden ingevoerd met de bedoeling ze weder uit te voeren.

Appellante heeft het vereiste bewijs van invoer evenmin anderszins geleverd. Voorzover appellante van opvatting is dat dit bewijs wel is geleverd, omdat op grond van het door Juvaco ingestelde onderzoek moet worden aangenomen dat de kazen niettemin (voor een deel) daadwerkelijk de markt van Bulgarije hebben bereikt en aldaar in de handel zijn gebracht, deelt het College deze opvatting reeds om feitelijke redenen niet. De overgelegde enquête-formulieren zijn immers, zoals verweerder terecht heeft gesteld, te weinig concreet om hieraan gevolgen te verbinden.

Nu appellante het bewijs van invoer niet heeft geleverd en aldus niet aan (één van de) voorwaarden voor betaling is voldaan, is de restitutie reeds hierom onverschuldigd betaald en was verweerder ingevolge artikel 9, tweede lid, van de In- en uitvoerwet tot terugvordering bevoegd.

Het College dient vervolgens te beoordelen of verweerder er rechtens van af had behoren te zien om van bedoelde bevoegdheid tot terugvordering gebruik te maken.

5.2 Appellantes stelling dat het terugvorderingsbesluit meer dan vier jaar na toekenning van de restituties is meegedeeld en daarom in strijd is met artikel 52, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 800/1999 kan het College niet onderschrijven, omdat deze bepaling in het onderhavige geval niet van toepassing is. In artikel 54, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 800/1999 is immers uitdrukkelijk bepaald dat Verordening (EEG) nr. 3665/87, waarvan Verordening (EG) nr. 800/1999 de opvolger is, wordt ingetrokken, doch van toepassing blijft op de uitvoer waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard vóór het van toepassing worden van Verordening (EG) nr. 800/1999, te weten 1 juli 1999. Aangezien de aangiften ten uitvoer van onderhavige partijen kaas vóór laatstgenoemde datum zijn aanvaard, is op deze partijen niet Verordening (EG) nr. 800/1999 van toepassing, doch Verordening (EEG) nr. 3665/87. Dat het besluit tot terugvordering ná 1 juli 1999 is genomen, kan niet afdoen aan het feit dat (ook) dit besluit betrekking heeft op de uitvoer waarvoor de aangiften vóór 1 juli 1999 zijn aanvaard.

5.3 Het College oordeelt vervolgens over appellantes grief dat er geen bevoegdheid tot terugvordering bestaat wegens de goede trouw van appellante, de onzorgvuldigheid van de nationale autoriteiten en het grote tijdsverloop.

Appellante heeft zich in het kader van deze grief allereerst beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van 14 december 2000 in de zaak Emsland-Stärke (C-110/99; Jur. 2000, blz. I-11595). Indien al moet worden aangenomen dat dit arrest, dat niet-gedifferentieerde restitutie betreft, (onverkort) kan worden toegepast op onderhavige zaak, waarin het om gedifferentieerde restitutie gaat, staat vast dat in onderhavige zaak, anders dan in de zaak Emsland-Stärke, juist niet aan de (formele) voorwaarden voor betaling is voldaan. Het College verwijst ter zake naar hetgeen onder punt 5.1 is overwogen.

Appellante heeft zich voorts beroepen op het arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1998 in de zaak Steff-Houlberg (C-366/95; Jur. 1998, blz. I-2661) en ter zake gewezen op haar goede trouw, het onzorgvuldig handelen van de nationale autoriteiten en de grote tijdspanne tussen de aanvaarding van de documenten en de terugvordering.

De goede trouw van de ontvanger van de onverschuldigd betaalde restitutie is, zoals onder meer uit het arrest Steff-Houlberg blijkt, een absolute voorwaarde om van terugvordering te kunnen afzien, maar biedt op zich nog geen grond om daadwerkelijk van terugvordering af te zien.

Onzorgvuldig handelen door de nationale autoriteiten kan onder omstandigheden grond bieden voor de conclusie dat in redelijkheid niet meer van een bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde restitutie gebruik kan worden gemaakt. De omstandigheden in het onderhavige geval nopen evenwel niet die conclusie. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Dat verweerder in het onderhavige geval onzorgvuldig heeft gehandeld door de overgelegde Bulgaarse invoerdocumenten als bewijs van invoer te accepteren en de restitutie uit te betalen, zonder zich hierbij te hebben vergewist van de betekenis van code 8024 in vak 37, brengt nog niet mee dat verweerder in redelijkheid niet meer tot terugvordering heeft kunnen overgaan. De ernst van het onzorgvuldige handelen in relatie tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante is hiervoor te gering. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt immers dat Hogendoorn namens verweerder eind 1992 contact heeft opgenomen met de Bulgaarse ambassade omdat uit de Bulgaarse invoerdocumenten niet kon worden opgemaakt of de goederen daadwerkelijk waren ingevoerd tot verbruik. Op grond van de verkregen informatie verkeerde verweerder, naar achteraf is gebleken ten onrechte, in de veronderstelling dat op grond van de documenten tot betaling kon worden overgegaan, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied. Dat verweerder als officieel orgaan voor de beoordeling van de documenten kennelijk slecht op de hoogte was van de betekenis van de codes, zoals appellante heeft gesteld, kan in gelijke mate worden opgemerkt ten aanzien van appellante als professionele marktdeelnemer. Bovendien is de exporteur zelf de eerstverantwoordelijke voor het overleggen van een deugdelijk bewijs van invoer en voor de in het document vermelde codes.

Appellante is van mening dat ook van onzorgvuldig handelen van de nationale autoriteiten sprake is, nu de FIOD reeds in 1993 een verzoek tot het doen van onderzoek in Nederland in verband met vermeende fraude heeft ontvangen en deze wetenschap er niettemin niet toe heeft geleid dat appellante is gewaarschuwd of een voorbehoud bij de betaling is gemaakt, zodat appellante bewust in de positie is gebracht waarin de uitvoerrestituties moeten worden teruggevorderd. Deze grief kan appellante niet baten, reeds niet omdat alle betalingen van onderhavige restituties zijn verricht vóórdat het Zollkriminalamt te Keulen in september 1993 de FIOD te Arnhem om onderzoek in Nederland heeft verzocht.

Appellante heeft zich voorts beroepen op het tijdsverloop. In bepaalde omstandigheden kan de terugvordering van definitief verleende uitvoerrestituties als hier in geding na verloop van tijd in strijd geraken met algemene rechtsbeginselen zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Hoewel de restituties pas na bijna zes jaar zijn ingetrokken en teruggevorderd, is naar het oordeel van het College van strijd met deze beginselen geen sprake. Appellante is immers reeds op 3 november 1993 door de FIOD op de hoogte gesteld van de (mogelijke) wederinvoer in de Gemeenschap. Zij behoorde er dus reeds vanaf dat moment rekening mee te houden dat de verleende restituties ingetrokken en teruggevorderd zouden kunnen worden, indien zou komen vast te staan dat de restituties ten onrechte zouden zijn uitbetaald. Dat ook na 3 november 1993 het besluit nog lange tijd is uitgebleven, rechtvaardigt niet de verwachting dat verweerder ter zake geen besluit meer zou nemen. Appellante wist immers, althans kon weten, dat het tijdsverloop grotendeels samenhing met het wachten op de resultaten van de lopende onderzoeken. De AID heeft uiteindelijk op 18 juli 1998 rapport uitgebracht, op grond waarvan verweerder relatief kort daarna het primaire besluit heeft genomen.

5.4 Appellantes grief dat het besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat zij er na goedkeuring door verweerder van het eerste document op heeft mogen vertrouwen dat de volgende evenzo opgestelde juist waren en recht gaven op restitutie, faalt evenzeer. Het vertrouwensbeginsel reikt niet zover dat appellante aan de betaling van restitutie op grond van een kennelijk onjuiste beoordeling door verweerder van een door appellante zelf overgelegd invoerdocument de rechtens te honoreren verwachting kan ontlenen dat niet meer tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde restitutie zal worden overgegaan. Appellante is, zoals hiervoor is overwogen, als exporteur die de restitutie heeft aangevraagd, zelf verantwoordelijk voor het overleggen van een deugdelijk bewijs van invoer en derhalve voor de in de daartoe strekkende documenten vermelde codes. Het lag dan ook op de weg van appellante zich er van te vergewissen of het door haar overgelegde document inderdaad tot bedoeld bewijs kon dienen en derhalve of de hierin vermelde codes niet juist wijzen op het tegendeel van hetgeen appellante beoogt te bewijzen. Het enkele feit dat appellante vooraf bij verweerder heeft geïnformeerd of het te overleggen document voldoet, brengt niet mee dat zij geacht kan worden van haar eigen verplichtingen ter zake te zijn gekweten. Dit geldt te minder nu gesteld noch gebleken is dat zij zich destijds tot verweerder heeft gewend met de specifieke en uitdrukkelijke vraag naar de betekenis van de code in vak 37. Door onderzoek naar die betekenis achterwege te laten, heeft appellante het risico genomen dat die code wijst op goederen die tijdelijk worden ingevoerd en voor wederuitvoer zijn bestemd, zoals nadien is gebleken. De gevolgen hiervan dienen voor rekening van appellante te komen.

5.5 Dat het terugvorderingsbesluit in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, vermag het College niet in te zien. Indien het terugvorderen van onverschuldigd betaalde restitutie al kan worden aangemerkt als het beperken van eigendom, dan rechtvaardigen de Europese voorschriften ter zake alsmede het doel hiervan - kortweg: het tegengaan van financiële benadeling van de Gemeenschap - de conclusie dat deze beperking geschiedt in het algemeen belang. Het College ziet niet in waarom de verplichting tot terugbetaling van restitutie waarop geen aanspraak bestaat een onevenredig grote last op de betrokken aanvrager zou leggen. Om dezelfde reden kan ook appellantes laatste grief, zoals verwoord onder punt 4.6, niet het door haar gewenste resultaat hebben.

5.6 Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaa