Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8979

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
27-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/1408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 17 juli 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 juli 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 april 2002, waarbij appellant onder de handelsnaam A Gipselementenzetter is geregistreerd bij het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf (hierna: het Bedrijfschap), ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1408 15 oktober 2003

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk, werkzaam voor de Stichting Belangen Organisatie Zelfstandige Zonder Personeel, gevestigd te Rotterdam,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, als rechtsopvolger van het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw en Terrazzo-/Vloerenbedrijf, verweerder,

gemachtigden: mr. B.C. Westenbroek en mr. F.Kuiper, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 17 juli 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 juli 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 22 april 2002, waarbij appellant onder de handelsnaam A Gipselementenzetter is geregistreerd bij het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf (hierna: het Bedrijfschap), ongegrond verklaard.

Op 30 september 2002 is een verweerschrift ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2003. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) is onder andere het volgende bepaald:

"Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn onttrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

a. registratie van ondernemingen en daarin werkzaam personeel, en - voorzover noodzakelijk voor de vervulling van de taak van het bedrijfslichaam - verstrekking van gegevens en inzage in boeken en bescheiden en bezichtiging van de onderneming;

(…)"

Bij Koninklijk Besluit van 28 juni 1954 is op grond van artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel destijds luidde, ingesteld het Bedrijfschap voor het Stucadoors-, het Terrazzo- en het Steengaasstellersbedrijf. Artikel 2 van dit besluit (hierna: Instellingsbesluit) luidde na de op 21 april 1961 in werking getreden wijziging als volgt:

"Artikel 2

1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin het stucadoorsbedrijf (waaronder begrepen het betonemaillebedrijf), het terrazzobedrijf (steen-, kunststeen- en houtgranietbedrijf) of het steengaasstellersbedrijf wordt uitgeoefend."

Bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 409) is onder meer artikel 67 van de Wbo gewijzigd. Als gevolg daarvan lag de bevoegdheid om een bedrijfslichaam in te stellen, nadien niet meer bij de wetgever of de Kroon, maar kon de Sociaal-Economische Raad dit voortaan bij verordening doen. Artikel XVI van de wijzigingswet bepaalde:

"1. De vervanging van wetten en algemene maatregelen van bestuur door verordeningen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, laat onverlet:

a. de rechtskracht van de door een hoofdprodukt-, een produkt-, een hoofdbedrijf- of een bedrijfschap, dan wel door een lichaam als bedoeld in artikel 110 vastgestelde verordeningen en overige besluiten;

(…)"

Op 15 januari 1999 heeft de Sociaal-Economische Raad - mede gelet op artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel te dien tijde luidde - een verordening vastgesteld, waarbij het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazo-/Vloerenbedrijf werd ingesteld. Deze Verordening (hierna: Instellingsverordening) is bij besluit van 16 maart 1999 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Economische Zaken, goedgekeurd. De relevante bepalingen van de Instellingsverordening luiden als volgt:

"Artikel 2

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw.

2. In deze verordening wordt onder stukadoors- en afbouwbedrijf mede verstaan het plafond- en wandbedrijf.

3. Deze verordening verstaat onder de uitoefening van het stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf niet:

(…)

Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw- of het terrazzo-/vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

3. (…).

Artikel 5

Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de registratie van de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld (…)."

In de Toelichting bij de Instellingsverordening wordt onder andere opgemerkt:

"De Instellingsverordening wijkt op onderdelen af van het instellingsbesluit. De belangrijkste wijzigingen betreffen de uitbreiding van de werkingssfeer met activiteiten door ondernemingen in de sfeer van het plaatsen van systeemplafonds en -wanden (…)"

Op 13 mei 1993 heeft het bestuur van het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (aan welke naam destijds de vermelding "Afbouwbedrijf" werd toegevoegd) een verordening vastgesteld, houdende regels over de registratie van de bij het bedrijfschap aangesloten ondernemingen en de verstrekking van gegevens door ondernemers (hierna: Registratieverordening). Deze luidt voorzover hier van belang:

"Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.. het Bedrijfschap: het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf:

b. de onderneming: de onderneming waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (Stb. 1954, 322) genoemd bedrijf wordt uitgeoefend:

(…)

Artikel 2.

1. Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven, waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellers bedrijf genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register waarin gegevens over ondernemingen en ondernemers worden geregistreerd.

(…)

Artikel 4

1. In het register worden gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens."

Bij Koninklijk Besluit van 5 juli 2002, gebaseerd op artikel 67 van de Wbo, zoals dat met ingang van een op 1 juli 1999 in werking getreden wijziging luidt, is met ingang van 1 januari 2003 het Bedrijfschap opgeheven en is het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud ingesteld. In artikel 21 van het besluit is het volgende bepaald:

" 1. De opheffing van de bedrijfslichamen heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van bezwaren als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht of beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van de bedrijfslichamen treedt het hoofdbedrijfschap als partij op."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In een door appellant ingevulde, en door verweerder op 7 april 2002 ontvangen, vragenlijst ten behoeve van registratie heeft appellant onder het kopje Stucadoors-, Afbouw-, Terrazzo-/Vloerenbedrijf aangegeven dat in zijn onderneming met handelsnaam "A Gipselementenzetter" hoofdzakelijk de activiteit "Bouwblokken (niet dragend) lijmen gibo/kalkzandsteen" wordt uitgeoefend.

- Bij besluit van 22 april 2002 heeft het Bedrijfschap appellant bericht dat zijn onderneming is geregistreerd als onderneming waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld.

- Tegen dit besluit tot registratie heeft appellant op 26 april 2002 een bezwaarschrift ingediend.

- Op 18 juni 2002 is appellant naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

Appellants onderneming houdt zich volgens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel bezig met het plaatsen van tussenwanden in de nieuwbouw en renovatie van gipsblokken. Dit, in combinatie met hetgeen appellant op de vragenlijst ten behoeve van registratie heeft ingevuld, betekent dat binnen appellants bedrijf werkzaamheden worden verricht die vallen onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap, zoals omschreven in artikel 2, lid 1, van de Instellingsverordening van 15 januari 1999. Appellant stelt ten onrechte dat hij geen werkzaamheden krachtens aanneming van werk verricht. De Toelichting op het Instellingsbesluit van het Bedrijfschap uit 1954 bepaalt echter dat met "krachtens aanneming van werk" wordt bedoeld "werkzaamheden ten behoeve van derden". Aangezien appellant voor derden werkt is er wel degelijk sprake van aanneming van werk.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant werkt uitsluitend als free lancer op basis van uurtarief. Daarmee werkt hij zeker niet op basis van aanneming en appellant is ook geen aannemer in de betreffende sector. De interpretatie die verweerder geeft van artikel 7A:1639 van het Burgerlijk Wetboek is kennelijk onjuist.

Ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat verweerder in het bestreden besluit voor de werkingssfeer van het Bedrijfschap verwijst naar het bepaalde in de Instellingsverordening. Registratie vond plaats op basis van de Registratieverordening. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft inmiddels vastgesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de Registratieverordening na de inwerkingtreding van de Instellingsverordening in 1999 onverkort is blijven gelden. De Registratieverordening is uitsluitend van toepassing op die ondernemingen die onder de werkingssfeer van het Instellingsbesluit vallen. Appellants onderneming valt niet onder de werkingssfeer van dit Instellingsbesluit en dus is de onderneming ten onrechte geregistreerd.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast, dat het Bedrijfschap de registratie van appellants onderneming heeft verricht op grond van en met inachtneming van hetgeen in de Registratieverordening terzake bepaald is.

Naar aanleiding van deze vaststelling overweegt het College, onder verwijzing naar onder meer zijn, aan partijen bekende, uitspraak van 19 februari 2003 in de zaak 01/621, het volgende.

Uit de in rubriek 2.1 aangehaalde artikelen - in onderling verband gelezen - kan het College niet anders opmaken dan dat deze verordening slechts de registratie mogelijk maakt van die ondernemingen, waarin een in het Instellingsbesluit genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

In de onderhavige zaak gaat het om de registratie van een onderneming waarin - naar tussen partijen niet in geschil is - niet een dergelijk in het Instellingsbesluit genoemd bedrijf wordt uitgeoefend. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag of in het bedrijf van appellant werkzaamheden worden verricht krachtens aanneming van werk. Bij bevestigende beantwoording van die vraag zou vervolgens de vraag aan de orde komen of het bedrijf valt onder de in artikel 2, tweede lid, van de Instellingsverordening aan het begrip stukadoors- en afbouwbedrijf gegeven uitbreiding, met andere woorden of het hier gaat om een plafond- en wandbedrijf.

Ook als die vraag bevestigend beantwoord zou moeten worden, kan dat er niet toe leiden dat verweerder ingevolge de Registratieverordening bevoegd zou zijn om tot registratie over te gaan. Daarvoor zou appellants bedrijf gelet op hetgeen in artikel 2 van de Registratieverordening uitdrukkelijk bepaald is, onder het Instellingsbesluit moeten vallen.

Ten onrechte neemt verweerder het standpunt in dat, nu de Registratieverordening na de inwerkingtreding van de Instellingsverordening in 1999 onverkort is blijven gelden, zij zonder een daartoe strekkende aanpassing toepasselijk zou zijn op de registratie van ondernemingen die eerst sedertdien onder het Bedrijfschap vallen. De tekst van artikel 2 van de Registratieverordening biedt voor een dergelijke interpretatie van de regelgeving geen grondslag. Hetgeen in de toelichting op de Instellingsverordening is overwogen, maakt dit niet anders.

Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de reden van de vernietiging kan verweerder, wanneer hij opnieuw op het bezwaar beslist, slechts tot gegrondverklaring daarvan beslissen en het primaire besluit herroepen. Om redenen van proceseconomie zal het College, zelf voorziende, deze beslissing daarom nu in verweerders plaats nemen.

Het College ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van deze procedure die aan de kant van appellant worden vastgesteld op € 644,00.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaarschrift gegrond en herroept het besluit van 22 april 2002;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 109,00

(zegge: honderdennegen euro) vergoedt;

- veroordeelt het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud in de kosten van de procedure welke worden vastgesteld op €

644,00 ( zegge: zeshonderdvierenveertig euro).

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. J.A. Hagen en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz