Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8956

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
27-11-2003
Zaaknummer
AWB 97/190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 22 januari 1997 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 januari 1997, kenmerk 6680/25939. Bij dit besluit is beslist op een bezwaar van appellante tegen een uitnodiging tot betaling van landbouwheffing van 26 januari 1996 (met invorderingnummer 611.005I).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 97/190 15 oktober 2003

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigden: mr. F.L.J. van Wersch en mr. N.J. Helder, advocaten te Rotterdam,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Brouwer, inspecteur van de Belastingdienst douane/district Arnhem.

1. De procedure

Op 22 januari 1997 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 januari 1997, kenmerk 6680/25939. Bij dit besluit is beslist op een bezwaar van appellante tegen een uitnodiging tot betaling van landbouwheffing van 26 januari 1996 (met invorderingnummer 611.005I).

Op 23 december 1997 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Op 14 april 1998 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 30 oktober 1998 heeft appellante een conclusie van repliek ingediend.

Op 16 februari 1999 heeft verweerder een conclusie van dupliek ingediend.

Bij brieven van 11, 14 en 18 maart 2003 heeft appellante nadere stukken ingediend.

Bij brief van 18 maart 2003 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Op 26 maart 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 2 van de tot 1 januari 1994 geldende Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (Pb. 1987, L 201), luidde, voorzover hier van belang:

"1. Er ontstaat een douaneschuld bij invoer:

(…)

c.) wanneer aan de rechten bij invoer onderworpen goederen onttrokken worden aan het douanetoezicht dat de voorlopige opslag van deze goederen of het plaatsen ervan onder een douaneregeling met douanetoezicht met zich brengt

(…)."

Artikel 4 van de eveneens tot 1 januari 1994 geldende Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld (Pb. 1988, L 102), luidde, voorzover hier van belang:

" 1. Wanneer een douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 2, lid 1, onder c) van Verordening (EEG) nr. 2144/87, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken.

Eveneens zijn overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden:

a) de personen die aan de onttrekking hebben deelgenomen, alsmede personen die het betrokken goed hebben verworven of in bezit hebben gehouden

b) alle andere personen die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het feit dat het goed aan het douanetoezicht is onttrokken.

(…)."

Artikel 5b van de In- en uitvoerwet luidde van 1 januari 1993 tot 1 juni 1996:

" 1. Voor de krachtens deze wet opgelegde heffingen, voor zover deze bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, is hoofdelijk mede-aansprakelijk:

a. degene, door wiens toedoen de heffing ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is opgelegd (…);

b. degene, door wiens toedoen de heffing aan een ander is opgelegd wegens de niet-zuivering of gedeeltelijke zuivering van een douanedocument of een vrijstellingsrekening op diens naam als bedoeld in de Wet inzake de douane;

c. (…)

d. degene, die onder omstandigheden als omschreven in artikel 121 of 124d van de Wet inzake de douane met betrekking tot een aan een heffing onderworpen goed een handeling als aldaar omschreven verricht.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens aankoopbevestiging van 22 december 1993 heeft appellante 25.000 kg magere melkpoeder spray, ADMI extra kwaliteit, met als oorsprong GOS/Baltische Staten, gekocht van C, te D (hierna: C) voor een prijs van fl. 370,-- per 100 kg. Als levertijd is vermeld: "op 21.12.1993 geleverd".

- In de aankoopbevestiging is als leveringsconditie vermeld "franko midden Nederland, ingeklaard in de EEG" en als bijzonderheid "Goederen zijn vrij verhandelbaar in de EEG".

- Bij factuur van 21 december 1993 heeft C aan appellante een bedrag in rekening gebracht voor de levering van 24.461 kg melkpoeder.

- Bij proces-verbaal van 7 juli 1995 hebben een rechercheur van de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie en een ambtenaar van de Belastingdienst verslag gedaan van bevindingen met betrekking tot mogelijke melkpoederfraude.

- Verweerder stelt zich op het standpunt dat de 24.461 kg aan appellante geleverde melkpoeder van een Litouwse leverancier afkomstige melkpoeder betreft, die aan de Duitse oostgrens onder de regeling extern douanevervoer is geplaatst door afgifte - op 17 december 1993 - van een T1-document met het nummer 1563. Bij besluit van 26 januari 1996 heeft verweerder overwogen dat wegens het onttrekken van deze hoeveelheid melkpoeder aan het douanetoezicht een douaneschuld is ontstaan, waarvoor verweerder appellante aansprakelijk acht op grond van artikel 203 CDW dan wel Verordening EEG nr. 2144/87 en Verordening EEG nr. 1031/88. Bij vermeld besluit heeft verweerder appellante uitgenodigd om, voorzover hier van belang, fl. 76.369,60 aan landbouwheffing te betalen.

- Bij brief van 1 februari 1996, aangevuld bij brief van 5 juni 1996, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze uitnodiging tot betaling.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen:

" De UTB is gebaseerd op artikel 203 CDW. (…)

Uit de processen-verbaal van het zogenoemde fipola-onderzoek (een gecombineerd onderzoek van financiën, politie en landbouw) blijkt dat, in de periode van december 1993 tot en met april 1994, door de dadergroep waartoe de leverancier (C) van belanghebbende behoorde diverse zendingen melkpoeder aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Het betreft hier processen-verbaal van verklaringen van de onttrekkers (de dadergroep), van getuigen, waaronder transporteurs en medewerkers van belanghebbende, van observaties door fipola-medewerkers, van telefoontaps,

etc. Uit o.a. deze stukken blijkt de modus operandi van de dadergroep en daarmee de verkoop aan en ontvangst door belanghebbende van de aan het douanetoezicht onttrokken melkpoeder. De zendingen melkpoeder zijn voor vervoer met bestemming in de Gemeenschap onder geleide van een T-document geplaatst. In Nederland is de zending melkpoeder aan het douanetoezicht onttrokken door hem, als ware hij vrij van heffingen, aan de afnemer (belanghebbende) af te leveren. De levering aan belanghebbende heeft plaatsgevonden door het afleveren van de melkpoeder bij een opslagfaciliteit van F te G. (…)

De douaneschuld ontstaat op basis van artikel 203 CDW op het tijdstip van waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Hierboven is aangegeven dat de onttrekking plaatsvond op het tijdstip dat de goederen werden afgeleverd bij belanghebbende. De grondslag voor de berekening van de verschuldigde belasting is de bij de afnemer ingeslagen hoeveelheid kilogrammen. (…)

Belanghebbende is als persoon die de goederen, die aan het douanetoezicht zijn onttrokken, heeft verworven of onder zich heeft gehad, dan wel als persoon die heeft deelgenomen aan de onttrekking aan het douanetoezicht, (hoofdelijk) schuldenaar op grond van artikel 203 CDW. Belanghebbende heeft, als kenner van de markt, grote hoeveelheden melkpoeder van oorsprong uit Oost-Europa ingekocht, voor dermate lage prijzen, van onbekenden in de melkpoederhandel en deze onder zodanige omstandigheden geleverd gekregen, dat hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat deze melkpoeder aan het douanetoezicht was onttrokken. Het handelen van belanghebbende omvat meer dan het enkel verwerven of onder zich hebben van de melkpoeder. Hij heeft o.a. afspraken gemaakt in zake het vervoer en de aflevering van de melkpoeder met zowel de onttrekkers als de opslaghouder. Door deze handelingen van belanghebbende is het de daders mogelijk gemaakt de goederen aan het douanetoezicht te onttrekken door de uiteindelijke aflevering van de melkpoeder bij de opslaghouder. Anders dan in het bezwaarschrift gesteld, heb ik nimmer gesteld, dat ik de aansprakelijkheid van belanghebbende enkel op art. 203, lid 3, derde gedachtenstreepje, CDW baseer. Wel heb ik aangegeven dat als ik de feiten kwalificeer, ik als eerste aan die bepaling denk. Ik heb daar evenwel aan toegevoegd, dat ik op basis van de feiten een kwalificatie onder een van de andere gedachtenstreepjes van artikel 203, lid 3 CDW niet uitsluit.

Niet enkel persoonlijk handelen van belanghebbende gericht op het onttrekken aan het douanetoezicht is basis voor een aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 203 CDW. (…) Ook een zodanig nalaten, dat belanghebbende er zelf aan meegewerkt heeft dat hij onwetend bleef, valt onder onttrekking aan het douanetoezicht. In de genoemde uitspraak moest deze belanghebbende mede door zijn beroepservaring zich ervan bewust zijn geweest, dat zijn handelwijze tot een onjuiste invoer kon leiden. Op basis van de hierna genoemde feiten en omstandigheden, valt onder aansprakelijkheid voor de onttrekking aan het douanetoezicht het achterwege laten door belanghebbende van de normale achterdocht die van een deskundige mag worden verwacht.

Belanghebbende kocht op 22 december 1993 magere melkpoeder tegen een prijs van f 3,70/kg. (…)

In een AID-onderzoek, gehouden in het kader van de steunregeling van Vo. 1725/79, worden (…) de volgende conclusies getrokken (…):

- belanghebbende heeft met de fipola-zendingen voor de branche onwaarschijnlijk grote marges behaald, enerzijds door inkoopcontracten af te sluiten voor bedragen die ongeveer f 0,60/kg onder de gemiddelde marktprijs lagen, anderzijds door op deze lage inkoopprijs nog allerlei kortingen toe te passen waardoor de gemiddelde inkoopprijs op ongeveer nog f 0,25/kg lager kwam te liggen;

- hierbij werden een aantal kortingen op de verkoper verhaald die normaliter ten laste van de koper komen, met name verliezen tijdens het verdere verwerkingsproces (2%) werd op de verkoper afgewenteld;

- de verkoopprijs van belanghebbende, f 0,05/kg beneden de marktprijs, is voldoende laag om de concurrentie af te troeven.

Belanghebbende voert aan dat de aan hem verkochte melkpoeder afkomstig kan zijn uit partijen die de verkoper in het verleden goedkoop heeft ingekocht en in de periode dat de heffing laag was (april 1993 tot en met juli 1993) heeft ingeklaard. Ook dit verweer gaat niet op. Aan de hand van de bekende produktiedata (zoals vermeld op de melkpoederzakken) af te leiden dat de op enig contract aan belanghebbende geleverde melkpoeder over het algemeen binnen één tot drie maanden na produktie afgeleverd werd (…). Maximaal was de melkpoeder zes en een halve maand oud. Hieruit volgt dat geen van de door belanghebbende van zijn leverancier afgenomen partijen melkpoeder in een periode van lage wereldmarktprijzen gevolgd door een periode van lage heffingen gekocht zijn (…).

Belanghebbende heeft bij de daders, die overigens allen totaal onbekenden in de melkpoederhandel waren, een in de branche volstrekt ongebruikelijke wijze van betalen toegepast. De betaling op deze wijze te weten bij aflevering direct 90% van de factuur en na de uitslag van het laboratoriumonderzoek betaling van de rest van het factuurbedrag, werd mijns inziens mede ingegeven door de twijfels die belanghebbende had omtrent zijn handelspartners en hun mores. (…)

Belanghebbende heeft verzuimd nader te onderzoeken of van de aan hem geleverde melkpoeder inderdaad de heffingen werden voldaan. Het heeft belanghebbende, als kenner van de markt, onder deze omstandigheden duidelijk moeten zijn dat voor de melkpoeder die van deze verkoper werd betrokken de heffingen niet betaald werden. Op basis hiervan ben ik primair van mening dat het handelen van belanghebbende te rangschikken valt onder artikel 203, lid 3, derde gedachtenstreepje CDW. Secundair ben ik van mening dat het handelen van belanghebbende te rangschikken valt onder artikel 203, lid 3, tweede gedachtenstreepje CDW. Hierboven heb ik reeds aangegeven dat het handelen van belanghebbende mijns inziens meer omvat dan het enkel verwerven of onder zich hebben van de melkpoeder."

In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt:

" Voor het geval dat voor de aangiften (documenten) gedaan in 1993 het CDW niet van toepassing mocht zijn, zijn in de UTB ook Verordening EEG nr. 2144/87 (…) en Verordening EEG nr. 1031/88 (…) genoemd.

Artikel 4, lid 1, van Verordening EEG nr. 1031/88 bepaalt daarbij welke personen gehouden zijn tot betaling van de in artikel 2, lid 1, onder c, van Verordening EEG nr. 2144/87 genoemde douaneschuld:

(…)

Voorzover deze verordening (…) uitwerking behoeft in de nationale wetgeving, is dit geregeld in artikel 5b van de In- en uitvoerwet. Hier wordt als hoofdelijk mede-aansprakelijke genoemd hij door wiens toedoen de belasting niet is geheven. Appellante heeft daarbij, als kenner van de markt, nagelaten zich ervan te vergewissen dat de heffingen daadwerkelijk betaald werden. Gezien onder andere de hoogte van de ten tijde van de invoer geldende heffingen, de wereldmarktprijs en de kosten van vervoer had appellante moeten begrijpen dat de heffingen in casu niet betaald werden. Door haar beroepservaring moest zij zich ervan bewust zijn geweest, dat haar handelwijze tot een onjuiste invoer kon leiden.

(…)

Voorzover van toepassing is appellante tevens schuldenaar op basis van de (nationale) bepalingen van de In- en uitvoerwet.

(…)

Hierboven onder redenen aansprakelijkstelling appellante heb ik reeds uitvoerig aangegeven dat appellante wist althans redelijkerwijs had moeten weten dat de door haar verworven melkpoeder onttrokken was aan het douanetoezicht. Daarbij heeft appellante aan de daders aangegeven hoe en waar zij de melkpoeder konden afleveren. De melkpoeder werd immers op instigatie van appellante "vrij van heffingen" afgeleverd bij Jansen Op- & Overslag. Daarom heb ik appellante terecht aangemerkt als douaneschuldenaar op basis van artikel 203, lid 3 CDW.

(…)

Appellante moet wel degelijk worden gekwalificeerd als toedoener in de zin van artikel 5b In- en uitvoerwet en artikel 124e WD. Daarbij heeft zij niet te goeder trouw gehandeld. (…)"

In zijn conclusie van dupliek merkt verweerder op:

" (…) grondslag aansprakelijkheid

Appellante heeft, als kenner van de markt, nagelaten zich ervan te vergewissen dat de heffingen daadwerkelijk betaald werden. Gezien de hoogte van de ten tijde van de invoer geldende heffingen, in het bijzonder de feiten en omstandigheden genoemd onder de feiten "leveringen melkpoeder met een vetgehalte > 1,5%", de ten tijde van de invoer geldende wereldmarktprijs en de kosten van vervoer wist appellante of had zij redelijkerwijze moeten weten dat de aan haar geleverde melkpoeder aan het douanetoezicht was onttrokken.

Appellante heeft (…) toegegeven (hoezeer dat ook usance is in het handelsverkeer) dat haar handelen meer heeft omvat dan het zuiver passief ontvangen van de goederen. Daarmee heeft zij tevens toegegeven dat zij (actief) handelingen heeft verricht ter zake der aflevering van de melkpoeder. Hierboven (en in mijn vertoogschrift) heb ik reeds aangetoond dat appellante had moeten begrijpen dat voor de door haar gekochte melkpoeder de rechten niet waren voldaan. Daarmee is volledig voldaan aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria inzake "toedoen" in de zin van artikel 124e van de Wet inzake de douane.

Daarbij heeft appellante alle melkpoeder die door de daders aan haar werd aangeboden, ook van hen afgenomen, zulks ongeacht de kwaliteit en hoeveelheid. Ook hierom kan appellante worden gekwalificeerd als toedoener in de zin van artikel 124e WD. Immers appellante had zich niet alleen op basis van de prijsstelling, etc. bewust moeten zijn dat de melkpoeder werd onttrokken aan het douanetoezicht, maar daarnaast kan op basis van de feiten en omstandigheden vastgesteld worden dat appellante niet zozeer is opgetreden als een normale handelaar die tevoren nauwkeurig op de hoogte is geweest van de aard en hoeveelheid van te kopen goederen, doch veeleer als degene die voor de organisatie van H ongezien de afzet van de aan het douane-toezicht onttrokken partijen garandeerde en, door feitelijk te regelen waar de partijen konden worden afgeleverd, H de mogelijkheid heeft verschaft die partijen via haar in de reguliere markt af te zetten, waartoe H zelf - gelet op de wijze waarop de partijen in Nederland waren terechtgekomen -hoogstwaarschijnlijk niet in staat zou zijn geweest. (…)

Voor de in 1993 ontstane douaneschuld vindt de aanwijzing van de douaneschuldenaar plaats in de WD; te weten op basis van artikel 5b In- en Uitvoerwet respectievelijk de artt. 124e en 130a WD."

Ter zitting op 26 maart 2003 heeft verweerder overeenkomstig zijn pleitnota opgemerkt:

" Hieronder wil ik nogmaals kort aangeven waarom belanghebbende door mij beschouwd wordt als douaneschuldenaar. (…)

Belanghebbende heeft willens en wetens grote hoeveelheden melkpoeder afgenomen terwijl zij wist, althans op haar klompen had kunnen aanvoelen (redelijkerwijze had moeten weten) dat de voor door haar van de fraudeurs afgenomen melkpoeder de rechten bij invoer niet betaald waren. Daarom is belanghebbende terecht door mij aangemerkt als douaneschuldenaar op basis van artikel 203 CDW, c.q. artikel 4 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 jo. artikel 5b van de In- en uitvoerwet.

(…)

Ten aanzien van het hoofdelijk schuldenaar zijn van belanghebbende merk ik het volgende op.

Anders dan artikel 130a van de Wet inzake de douane, stelt artikel 5b van de In- en uitvoerwet niet de eis dat (…) door diens toedoen de gehele of gedeeltelijk niet-zuivering heeft plaatsgevonden. Bij artikel 5b van de In- en uitvoerwet is enkel van belang dat er een heffing aan een ander is opgelegd en dat het feit dat er een heffing is opgelegd (mede) aan het toedoen van diegene is te wijten. Aangezien belanghebbende ervoor gezorgd heeft dat de daders hun melkpoeder in het reguliere circuit kwijt konden, moet zij voor de in 1993 ontstane douaneschuld wel degelijk als toedoener in de zin van dit artikel worden aangemerkt."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, voorzover thans van belang, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten aanzien van het onderhavige T1-document is artikel 203 CDW niet van toepassing, aangezien dit document en de inslag bij F dateren van vóór 1 januari 1994. De wél van toepassing zijnde artikelen 3 en 4 van Verordening (EEG) nr. 1031/88 stellen aansprakelijkheid van personen die onttrokken zaken hebben verworven of onder zich hebben, afhankelijk van hiertoe strekkende nationale bepalingen. De indertijd geldende terzake relevante nationale bepaling was artikel 5b van de In- en uitvoerwet. Deze bepaling vereist voor aansprakelijkheid dat de heffing tengevolge van een toedoen van de aansprakelijk te stellen persoon niet of niet volledig is opgelegd. Van een "toedoen" door appellante is geen sprake. Blijkens literatuur en jurisprudentie zou hiervan slechts sprake kunnen zijn, indien het handelen door of vanwege appellante gericht was op het ontduiken van rechten bij invoer. Hiervan was geen sprake.

5. De beoordeling van het geschil

De douaneschuld waarvoor verweerder appellante aansprakelijk heeft gesteld, is ontstaan in december 1993. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aansprakelijkheid van appellante voor deze schulden gebaseerd op het per 1 januari 1994 in werking getreden artikel 203 CDW. Naar het College eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 3 november 1999, AWB 97/1555 tot en met 1562), komt aan de betrokken materiële bepalingen van het CDW evenwel geen terugwerkende kracht toe. Ten onrechte is dus het CDW aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Reeds om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien in het verweerschrift tevens artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 1031/88 als grondslag voor de aansprakelijkheid is vermeld, ziet het College aanleiding te beoordelen of een besluit dat deze bepaling als grondslag zou hebben vermeld, stand zou kunnen houden.

Met verweerder is het College van oordeel dat artikel 4, eerste lid, tweede alinea, van evengenoemde Verordening nadere uitwerking behoeft in nationale regelgeving. Verweerder wenst, naar ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk is verklaard, de aansprakelijkheid van appellante slechts te baseren op artikel 5b, eerste lid, aanhef en onderdelen a dan wel b, van de In- en uitvoerwet, waarbij - naar hij ter zitting evenzo heeft verklaard - onderdeel b als meer specifieke bepaling het meest aangewezen lijkt. Beide onderdelen stellen voor mede-aansprakelijkheid het vereiste dat sprake is van een "toedoen" van de aansprakelijk gestelde: onderdeel a eist dat door toedoen van de betrokkene de heffing ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is opgelegd; onderdeel b eist - voorzover hier van belang - dat door toedoen van de betrokkene de heffing aan een ander is opgelegd wegens de niet-zuivering van een douanedocument, bij welke ander verweerder in het bijzonder doelt op de aangever. Verweerder acht toedoen in de zin van beide onderdelen aanwezig, omdat appellante de melkpoeder heeft gekocht, terwijl zij, gelet op de hoogte van de geldende landbouwheffing, de wereldmarktprijs en de kosten van vervoer, had moeten begrijpen dat de verschuldigde heffingen niet waren voldaan. Appellante had zich volgens verweerder als kenner van de markt ervan moeten vergewissen dat de heffingen daadwerkelijk waren betaald. Bovendien heeft appellante afspraken gemaakt inzake het vervoer en de aflevering van de melkpoeder met zowel de onttrekkers als de opslaghouder.

Het College is van oordeel dat de aldus door verweerder vermelde omstandigheden niet de gevolgtrekking rechtvaardigen, dat appellante degene is door wiens toedoen heffing is opgelegd aan - in het bijzonder - de aangever van de betrokken zending (onderdeel b) c.q. degene is door wiens toedoen de heffing niet is opgelegd (onderdeel a). In dit verband overweegt het College dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 5b van de In- en uitvoerwet beoogd wordt degene mede-aansprakelijk te stellen die "bewerkstelligt" dat de heffing niet wordt opgelegd (onderdeel a) c.q. aan een ander wordt opgelegd (onderdeel b) (TK 1984-1985, 19137, nrs. 1-3, blz. 30). Tot de voorbeelden van onder de onderdelen a of b te brengen situaties die in de Memorie van Toelichting en Memorie van Antwoord op het voorstel voor artikel 5b van de In- en uitvoerwet worden vermeld, behoort niet een situatie als de onderhavige. Van belang acht het College voorts dat degene die verweerder als de werkelijke "onttrekker" aanmerkt - H - de niet-zuivering van de documenten in feite heeft veroorzaakt. Het College sluit aldus aan bij de overwegingen van de Hoge Raad in diens arrest van 7 maart 2003 (nr. 34332) ten aanzien van artikel 130a, eerste lid, van de Wet inzake de douane.

Op grond van de bepalingen die verweerder blijkens zijn uitdrukkelijke verklaring uiteindelijk bij uitsluiting aan de heffing ten grondslag wenst te leggen, bestaat dus geen mede-aansprakelijkheid van appellante voor de betrokken douaneschuld. Het College vindt hierin aanleiding zelf in de zaak te voorzien en, met toepassing van 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de uitnodiging tot betaling van 26 januari 1996 op nihil te stellen.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige door appellante aangedragen grieven geen bespreking.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.207,50 (één punt voor het indienen van een beroepschrift, 0,5 punt voor een repliek en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1,5 en een bedrag van € 322 per punt). Hetgeen appellante heeft aangevoerd, geeft het College geen aanleiding om op grond van bijzondere omstandigheden met toepassing van het derde lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht af te wijken van het eerste lid van deze bepaling. Het College volgt appellante voorts niet in haar opvatting dat een hogere vergoeding geïndiceerd zou zijn voorzover de door verweerder geschonden rechtsregel zou worden ontleend aan het gemeenschapsrecht.

6. De beslissing

Het College:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-stelt de uitnodiging tot betaling van 26 januari 1996 op nihil;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.207,50 onder aanwijzing van de Staat als

rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

-bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,50 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.A. van der Ham en mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand