Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8433

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 01/618
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 30 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juni 2001.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 3 december 1996 tot terugvordering van uitvoerrestituties.

Wetsverwijzingen
In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980 9
In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980 12
In- en uitvoerwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 31 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/618 15 oktober 2003

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

Cargill B.V., te Bergen op Zoom, appellante,

gemachtigde: mr. H.J. Bronkhorst, advocaat te Den Haag,

tegen

het Hoofdproductschap Akkerbouw, verweerder,

gemachtigden: drs. N.H.G. Kikke, mr. M.A.C. Visser en R.A. Verhoeks, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 30 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juni 2001.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 3 december 1996 tot terugvordering van uitvoerrestituties.

Verweerder heeft op 4 oktober 2001 een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 13 november 2001 op het verweerschrift gereageerd.

Bij brief van 17 december 2001 heeft verweerder een conclusie van dupliek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2003, alwaar de gemachtigden van partijen hun respectieve standpunten hebben toegelicht.

Na de zitting heeft verweerder het College bij brief van 31 maart 2003 desverzocht voorzien van een gespecificeerde onderbouwing van de berekeningen.

Namens appellante is bij brief van 24 april 2003 op deze onderbouwing gereageerd.

Partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

"1. Op verzoek van de belanghebbende wordt een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie uitbetaald, zodra de basisprodukten onder douanecontrole zijn geplaatst, zodat wordt gewaarborgd dat de verwerkte produkten of de goederen binnen een bepaalde termijn worden uitgevoerd.

(...)

4. De in lid 1 bedoelde uitvoerrestitutie is

a) voor verwerkte produkten, die welke geldt voor het desbetreffende verwerkte produkt

b) voor goederen, die welke specifiek is vastgesteld voor basisprodukten:

- die zijn gebruikt, of

- ingevolge de communautaire bepalingen beschouwd worden als te zijn gebruikt voor de vervaardiging van deze goederen.

(…)"

Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 25

1. Indien de exporteur zijn voornemen te kennen geeft de produkten of goederen na verwerking (…) uit te voeren met toekenning van een restitutie op grond van de in de artikelen 4 of 5 van Verordening (EEG) nr. 565/80 vastgestelde regelingen, worden die regelingen toegepast op voorwaarde dat bij de douaneautoriteiten een verklaring, hierna betalingsaangifte te noemen, wordt ingediend.

(…).

Artikel 27

1. Voor verwerkte produkten of goederen verkregen uit basisprodukten worden de restitutie (…) bepaald op grond van de verificatie van de betalingsaangifte en van het eventuele onderzoek naar de basisprodukten.

2. (…)

3. De basisprodukten moeten geheel of gedeeltelijk deel uitmaken van de uitgevoerde verwerkte produkten of goederen. Wanneer de bevoegde autoriteiten dit toestaan, kunnen de basisprodukten evenwel worden vervangen door equivalente produkten van dezelfde onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur, van dezelfde handelskwaliteit, die dezelfde technische kenmerken hebben en die aan de voorwaarden voor de toekenning van de uitvoerrestitutie beantwoorden.

(…)"

Artikel 9 van de In- en uitvoerwet (hierna: de Wet) luidt als volgt:

"1. Onze betrokken Minister kan (…) een restitutie (…) intrekken, indien de te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvrage een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

2. Een (…) restitutie welke is verleend in het kader van de uitvoering van een regeling, vastgesteld door een orgaan van de Europese Gemeenschappen, kan eveneens worden ingetrokken indien ingevolge een toepasselijk voorschrift, vastgesteld door een zodanig orgaan, geen aanspraak kan worden gemaakt op die restitutie (…)"

Het In- en uitvoerbesluit landbouwgoederen 1980 (hierna: het Besluit) bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 9

1. Restituties ter zake van de uitvoer van in de bij dit besluit behorende bijlage aangewezen goederen of van daaruit of met behulp daarvan verkregen goederen, die Nederland ingevolge een communautaire regeling gehouden of gerechtigd is te verstrekken, worden als restituties in de zin van artikel 8 verstrekt. Op zodanige restituties zijn alle andere ten aanzien van krachtens dit besluit te verstrekken restituties geldende wettelijke regelingen eveneens van toepassing.

2. Onder restitutie als bedoeld in de aanhef van het eerste lid is te verstaan elk bedrag, dat ingevolge een communautaire regeling als restitutie, als subsidie, als compenserend bedrag of onder welke andere benaming ook bij de uitvoer van een goed als in het eerste lid bedoeld moet of mag worden verstrekt.

Artikel 12

1. Onverminderd enig ander wettelijk voorschrift is hij, die een goed ten aanzien waarvan krachtens artikel 8 of 10 regelen zijn gesteld, in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf (…) uitvoert of doet uitvoeren, verplicht:

a. de door hem met betrekking tot die (…) uitvoer en met betrekking tot het (…) uitgevoerde goed verrichte handelingen, de vervaardiging van het goed daaronder begrepen, op de in zijn beroep of bedrijfstak gebruikelijke wijze in zijn administratie te verantwoorden;

b. alle desbetreffende aantekeningen en bescheiden, zoals nota's, brieven, analyserapporten en andere bewijsstukken, boeken, registers of andere hulpmiddelen, waarin de gegevens inzake die handelingen zijn vastgelegd, vanaf het tijdstip van hun opstelling of verkrijging tot het tijdstip, waarop drie kalenderjaren zijn verlopen te rekenen van het einde van het jaar, waarin (…) de uitvoer heeft plaatsgevonden, te bewaren.

(…)".

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft in de periode 1992 - 1994 maïs respectievelijk tarwe onder douanecontrole gesteld met een aanvraag van voorfinanciering van de uitvoerrestitutie. Dit is gebeurd op basis van voorafgaande toestemmingen, die voorzien in onder controlestelling van het basisproduct maïs respectievelijk tarwe, uit te voeren in de vorm van glucosestroop onder GN-code 1702 30 99.

- Blijkens een rapportage van 29 augustus 1995 van de Algemene Inspectiedienst (AID) is bij controle vastgesteld dat tarwe/tarweslurry is aangewend voor de vervaardiging van de uitgevoerde glucosestroop ter voldoening aan de verplichting verbonden aan de ondercontrolestelling van maïs én dat maïs/maïsslurry is aangewend ter voldoening aan de verplichting verbonden aan de ondercontrolestelling van tarwe.

- Verweerder heeft bij besluit van 3 december 1996 - voor zover thans van belang - terugbetaling gevorderd van f. 724.906,73. - Bij brief van 6 december 1996 is voorlopig bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 3 juli 1997 heeft appellante de gronden van haar bezwaar aangevoerd.

- Op 28 november 1997 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Namens appellante is bij verweerder op 2 december 1997 een verzoek als bedoeld in artikel 239 van het Communautair Douane Wetboek tot kwijtschelding c.q. terugbetaling van de verschuldigde invoerrechten ingediend. Verweerder heeft dit verzoek doorgeleid naar de Europese Commissie.

- Verweerder heeft bij brief van 14 juli 1998 desverzocht bericht de bezwaarprocedure te zullen aanhouden totdat op het verzoek van 2 december 1997 is beslist.

- Bij beschikking van 23 februari 2000, nr. C (2000) 485, heeft de Europese Commissie vastgesteld dat het verzoek van 2 december 1997 niet-ontvankelijk respectievelijk niet gerechtvaardigd is.

- Onder verwijzing naar voornoemde beschikking van 23 februari 2000 heeft verweerder bij besluit van 26 april 2000 beslist op het verzoek om kwijtschelding.

- Namens appellante is bij brief van 26 mei 2000 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij schrijven van 29 juni 2000 is bij het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Gemeenschappen een beroepschrift ingediend, strekkende tot nietigverklaring van de Beschikking van 23 februari 2000.

- Verweerder heeft de aanhouding van de bezwaarprocedure opgeheven, voor zover het betreft de daarin opgenomen terugvordering van uitvoerrestitutie en heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen de terugvordering ongegrond verklaard. Hiertoe is - samengevat - het volgende overwogen.

De AID heeft vastgesteld dat appellante gedeeltelijk tarwe/tarweslurry heeft aangewend ter voldoening van de verplichting verbonden aan de onder controlestelling van maïs en omgekeerd. Dat steeds voldoende maïs respectievelijk tarwe ter beschikking heeft gestaan om aan de verplichtingen te kunnen voldoen, doet niet af aan deze vaststelling. Het uit tarwe verkregen eindproduct glucose laat zich naar samenstelling, eigenschappen en kenmerken niet onderscheiden van uit maïs verkregen glucose. Maïs en tarwe zijn echter geen equivalente producten in de zin van artikel 27 van de Verordening. nr. 3665/87.

Appellantes administratie maakt het niet mogelijk om een rechtstreeks verband te leggen tussen de productie en de export in enige periode. Op basis van bescheiden en verantwoordingen uit appellantes administratie, waaronder de maandoverzichten en aanmeldingsformulieren, heeft de AID over de jaren 1992, 1993 en 1994 per maand de percentages maïs en tarwe berekend die zijn aangewend voor de productie van glucosestroop. De AID is daarbij uitgegaan van het gewogen jaargemiddelde. Appellante stelt dat hiermee de werkelijkheid geweld wordt aangedaan, doch juist het ontbreken van een partijadministratie, op basis waarvan het aandeel maïs respectievelijk tarwe per exportzending kan worden bepaald, is de aanleiding om deze methode te gebruiken.

Verweerder heeft zich gebaseerd op de door de AID berekende jaargemiddelden bij de vaststelling van de hoeveelheden glucose die in strijd met de verplichtingen zijn vervaardigd uit een andere dan de onder controle gestelde grondstof. De uitkomst van deze berekening is toegepast op de hoeveelheden glucose die onder verwijzing naar de aanmeldingsformulieren zijn uitgevoerd. De uitvoerrestituties zijn op voet van artikel 33, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening, naar rato, verhoogd met 20%, ingetrokken en teruggevorderd. Het is aan appellante om aannemelijk te maken dat deze bevindingen onjuist zijn en dat voor een of meer van de exporttransacties terecht aanspraak is gemaakt op de gevraagde restitutie.

Uit de jurisprudentie blijkt dat op appellante de verplichting rustte om een productadministratie bij te houden op grond waarvan per individuele uitvoer de grondstofsamenstelling kan worden afgeleid. Het enkele feit dat niet is voldaan aan deze verplichting is voldoende om tot intrekking en terugvordering van restituties over te gaan.

Het door appellante aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 18 december 1991 is niet relevant. Dit arrest ziet onder meer op handelingen en gedragingen van het ter zake bevoegde gezag, waar in dit geval sprake is van gedragingen en handelingen van een controledienst waarvan de bevoegdheid is beperkt tot het vaststellen van feiten. De vereisten voor toekenning van restitutie niet worden bepaald door verrichtingen van de AID, maar door de toepasselijke - in dit geval duidelijke - voorschriften. Dat de AID door haar reguliere controles op de hoogte moet zijn geweest van de gemengde productiewijze en daarover nimmer opmerkingen heeft gemaakt, kan appellante niet baten. Als al sprake zou kunnen zijn van in rechte te beschermen vertrouwen, dan zou dit gewekt moeten zijn door verweerder. Dit is niet aan de orde. Verrichtingen ten laste van het EOGFL, waaronder deze aanspraak op prefinanciering van uitvoerrestituties, zijn steeds vatbaar voor nadere controles in aanvulling op de reguliere controles. Appellante diende de handelsdocumenten die direct of indirect betrekking hebben op aanspraken op uitvoerrestitutie ten minste drie jaar, ingaande na afloop van het jaar waarin zij zijn opgesteld, te bewaren. Dat betekent dat de ondernomen transacties in ieder geval ten minste gedurende deze termijn vatbaar zijn voor controles op regelmatigheid en voor intrekking en terugvordering.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - het volgende aangevoerd.

4.1 Het besluit heeft een ondeugdelijke feitelijke grondslag en niet wordt voldaan aan de eisen die het recht en de rechtspraak stellen aan de bewijslast en -plicht. Appellante kan niet worden aangerekend dat de AID zich door het ontbreken van een partijadministratie moest baseren op jaargemiddelden. De AID heeft tot 1994 nooit een opmerking gemaakt over de inrichting van appellantes administratie. Zij mocht er derhalve van uitgaan dat haar wijze van administreren juist was. De gebruikte percentages op jaarbasis geven per definitie slechts een gemiddelde aan en zeggen niets over de situatie per individuele uitvoer. De conclusie van de AID over de samenstelling van de individuele uitvoeren van glucose is niet juist. Appellante heeft voorts steeds voldoende maïs en tarwe ter beschikking gehad om op ieder moment volledig aan verplichtingen te kunnen voldoen.

4.2 Het bestreden besluit wordt niet gedragen door zijn motivering. Appellante heeft voor het basisproduct maïs én voor het basisproduct tarwe toestemming gekregen voor de toepassing van de regeling prefinanciering. Ingevolge artikel 27, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 mag een onder controle gesteld basisproduct verwerkt worden tot het eindproduct middels (mede) gebruikmaking van een ander product. Dat is geen equivalentie, want de maïs en de tarwe vervingen elkaar niet.

Conform de Verordening is alle onder controle gestelde maïs én tarwe uitgevoerd in de vorm van glucose. Derhalve is voldaan aan de voorwaarden.

4.3 Appellante meent, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) in de zaak Plange (arrest van 5 februari 1987, zaak nr. 288/85, Jurisp. 1987, p. 611), in ieder geval aanspraak te maken op het restitutiebedrag voor de feitelijk uitgevoerde producten.

4.4 Het terugvorderen van de restituties is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellante beroept zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 1991 (BNB 1992/182). Zij mocht ervan uitgaan dat zij bij het doen vervaardigen en exporteren van glucose uit een gemengde maïs- en tarwegoederenstroom voldeed aan haar verplichtingen. Tot 1994 heeft de AID hierover nimmer een opmerking gemaakt, terwijl de productiewijze niet aan de aandacht van de AID kan zijn ontsnapt. Het vertrouwen is niet alleen door de AID opgewekt. Als de AID concludeert dat aan alle verplichtingen wordt voldaan en verweerder onderschrijft deze conclusie door geen actie te ondernemen, kan een belanghebbende daar het gerechtvaardigde vertrouwen aan ontlenen dat aan alle verplichtingen is voldaan en daar niet op zal worden teruggekomen. Het ontbreken van een verjaringstermijn doet daar niets aan af.

4.5 Er is sprake van strijd met het arrest van het Hof van 12 mei 1998 (Steff Houlberg Export, C-366/95). Ook appellante vertrouwde op het deskundige oordeel van de nationale autoriteiten en haar kan niet worden aangerekend dat dit oordeel achteraf onjuist blijkt.

5. De nadere reactie van verweerder

In zijn schrijven van 31 maart 2003 heeft verweerder, in reactie op het verhandelde ter zitting, nog het volgende aangevoerd.

Het terug te vorderen bedrag is bepaald op het verschil tussen de geprefinancierde restitutie en de op de dag van uitvoer geldende restitutie, verhoogd met 20%, met dien verstande dat per prefinancieringstransactie is uitgegaan van het laagste (dag-) restitutietarief in de periode van uitvoer. Bij narekening is een rekenfout aan het licht gekomen.

In de bij het primaire besluit gevoegde cijferopstelling heeft in de rubriek Prefinanciering 1992, onder "tarief terugvordering" een verwisseling van de toepasselijke tarieven plaatsgevonden. Bij de transactie met aanmeldingsnummer 15143 is het tarief f. 49,25 als grondslag genomen in plaats van f. 15,69 en voor transactie 15145 f. 15,69 in plaats van f. 49,25. Verweerder heeft met deze correctie het terug te vorderen bedrag voor de beide transacties tezamen en daarmee voor 1992 berekend op f.159.337,20 in plaats van f. 180.547,98.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Verweerder heeft appellante met het oog op de voorgenomen uitvoer van glucosestroop uit hoofde van de zogenoemde prefinancieringsregeling in aanmerking gebracht voor de vooruitbetaling van restitutie waarop anders eerst na uitvoer aanspraak zou hebben bestaan. Appellante heeft daartoe geïndividualiseerde partijen basisproducten maïs respectievelijk tarwe onder douanetoezicht gesteld. Aan de prefinanciering is de voorwaarde verbonden dat de uitgevoerde glucosestroop geheel uit een vooraf aangewezen geïndividualiseerde partij maïs dan wel geheel uit een aangewezen partij tarwe zal worden geproduceerd.

Op grond van door de AID uitgevoerde controles stelt verweerder zich op het standpunt dat appellante voornoemde voorwaarde niet is nagekomen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de restitutie (gedeeltelijk) ingetrokken en teruggevorderd. Appellante betwist verweerders standpunt en daarmee de intrekking en terugvordering.

6.2 Het College stelt in zijn beoordeling voorop dat appellante ingevolge artikel 12 van het Besluit gehouden was een zodanige administratie te voeren dat het verweerder mogelijk was te controleren of de productie van het eindproduct glucosestroop conform de genoemde voorwaarde heeft plaatsgevonden.

Op grond van de beschikbare stukken kan niet anders dan worden geconcludeerd dat appellante deze administratieve verplichting niet is nagekomen en dat zij in het bijzonder niet in staat is om door middel van haar administratie een verband aan te tonen tussen specifieke onder douanetoezicht geplaatste hoeveelheden basisproduct - tarwe dan wel maïs - en specifieke hoeveelheden uitgevoerd eindproduct.

Het moet er dan ook, mede gelet op de verklaringen van appellante en de wijze van inrichting van haar productieproces, voor worden gehouden dat appellante in strijd met de aan de prefinanciering verbonden voorwaarde heeft gehandeld. Dat glucosestroop gemaakt uit tarwe zich niet laat onderscheiden van glucosestroop gemaakt uit maïs en dat appellante te allen tijde voldoende hoeveelheden van beide basisproducten in bezit zou hebben gehad, doet niet af aan deze constatering.

Appellante kan geen beroep doen op artikel 27, derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 3665/87. Deze bepaling heeft betrekking op de situatie dat niet de gehele hoeveelheid onder controle gestelde basisproduct wordt benut bij het vervaardigen van het eindproduct, maar aan het einde van het productieproces een kleine hoeveelheid resteert. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor. Al evenmin kan appellante met succes verwijzen naar de eveneens onder deze bepaling vallende mogelijkheid om een onder controle gestelde basisproduct te vervangen door een equivalent basisproduct. Tarwe en maïs hebben verschillende GN-codes en zijn derhalve geen equivalente basisproducten in de zin van genoemd artikel 27, derde lid.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt evenzeer. Appellante heeft aan het optreden c.q. nalaten op te treden van de AID niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat haar wijze van produceren en administreren conform de haar opgelegde voorwaarde was. De AID is een controlerende instantie die feiten vast stelt. Slechts het handelen of nalaten van het op grond van de aldus vastgestelde feiten tot oordelen bevoegde gezag, in dit geval verweerder, zou onder omstandigheden bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen opwekken dat een en ander in orde was, zij het dat appellante zelfs in dat geval nog rekening had moeten houden met controles met een mogelijk andere uitkomst. Niet is gebleken dat verweerder zich immer op een zodanige wijze jegens appellante heeft opgesteld dat zij daar enig gerechtvaardigd vertrouwen in de door haar bepleite zin aan heeft kunnen ontlenen. Appellante's beroep op het arrest van het Hof van 12 mei 1998 (Steff Houlberg Export) slaagt al evenmin, reeds omdat geen sprake is geweest van een deskundig oordeel van de nationale autoriteiten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante de op haar rustende verplichtingen niet (geheel) is nagekomen en dat niet gebleken is van enige omstandigheid die tot het oordeel voert dat haar dit niet zou kunnen worden aangerekend.

6.3 Verweerder kan onder deze omstandigheden niet het recht worden ontzegd om, gebruikmakend van de hem in artikel 9 van de Wet, juncto artikel 9, tweede lid, van het Besluit gegeven bevoegdheid, tot (gedeeltelijke) intrekking en terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde restitutie over te gaan.

6.4 Om vast te stellen in welke mate appellante haar verplichtingen niet is nagekomen, is gebruik gemaakt van de methodiek van het gewogen jaargemiddelde. Daarbij zijn, op basis van wel beschikbare gegevens, per maand de percentages maïs en tarwe berekend die zijn aangewend voor de productie van glucosestroop. Appellante heeft aangevoerd dat deze methode geen recht doet aan de situatie per individuele uitvoer.

Gelijk het College eerder heeft overwogen staat een bestuursorgaan, indien door het ontbreken van een partijadministratie andere mogelijkheden ontbreken, het middel ten dienste van een redelijke schatting op basis van een zorgvuldige analyse van alle beschikbare gegevens en met gebruikmaking van beredeneerde aannames. Het College heeft niet vastgesteld dat de in dit geval gebruikte methodiek niet voldoet aan de daaraan in rechte te stellen eisen. Deze methode leidt tot een uitkomst die over de gehele periode 1992 - 1994 een voldoende adequaat beeld geeft, maar op het niveau van een afzonderlijke exportzending hoogstwaarschijnlijk van de werkelijkheid zal afwijken. Dat is echter een onontkoombaar gevolg van het nalaten van appellante om een voldoende inzicht verschaffende administratie te voeren. Het is aan appellante, die immers in gebreke is gebleven om een partijadministratie bij te houden, om aan te tonen dat verweerders berekeningen onjuist zijn. Daarin is zij echter niet geslaagd.

Verweerder heeft zich bij de vaststelling van de mate waarin appelante niet heeft voldaan aan haar verplichtingen en - daaruit volgend - de hoogte van het terug te vorderen bedrag dan ook mogen baseren op de door AID gebezigde aannames en berekeningen.

6.5 Uit de door verweerder overgelegde berekeningen blijkt dat, conform hetgeen het Hof in zijn arrest Plange voor recht heeft verklaard, het teruggevorderde bedrag is vastgesteld op het verschil tussen het vooruit betaalde restitutiebedrag en het restitutiebedrag dat appellante voor de feitelijk uitgevoerde glucosestroop had moeten ontvangen, vermeerderd met een sanctie van 20%. Appellante's grief dat verweerder dit heeft nagelaten ontbeert derhalve een feitelijke grondslag.

6.6 Het College constateert ten slotte evenwel dat het in het bestreden besluit teruggevorderde bedrag op onjuiste wijze is berekend, in dier voege dat bij de twee transacties uit 1992 de toepasselijke tarieven zijn verwisseld. Dat de voor de overige transacties uitgevoerde berekeningen onjuist zouden zijn, is gesteld noch gebleken.

6.7 Aangezien het terug te vorderen bedrag onjuist is berekend, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Het College zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaar gegrond verklaren. Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als in het dictum van deze uitspraak vermeld. Met inachtneming van het bepaalde in het Besluit bestuurskosten procesrecht worden de proceskosten vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het repliek, 0,5 punt voor een nadere reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,-- en een gemiddelde zwaarte van de zaak). Tenslotte bepaalt het College dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- wijzigt het besluit van 3 december 1996 in die zin dat de hoogte van het over 1992 terug te vorderen bedrag op f. 159.337,20

(€ 72.304.07) wordt bepaald;

- handhaaft het besluit van 3 december 1996 voor het overige;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 juni 2001;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellante in verband met het beroep heeft moeten maken, ten bedrage van € 966,--

(zegge: negenhonderdenzesenzestig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 (zegge:

tweehonderdenvier euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. D. Roemers en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. R. Meijer