Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8430

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/1071
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 3 juni 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders berekening van schadevergoeding aan appellant.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1071 8 oktober 2003

40010 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Zuiver schadebesluit

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Natuurbeheer, Landbouw en Voedselkwaliteit, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 3 juni 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders berekening van schadevergoeding aan appellant.

Bij schrijven van 5 juli 2002 heeft appellant zijn beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft op 31 juli 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 6 augustus 2003, alwaar de gemachtigden van partijen hun respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij uitspraak van 20 februari 2002, in de zaak AWB 01/790 tussen partijen heeft het College het beroep van appellant tegen de beslissing van verweerder waarbij het bezwaar van appellant van 28 januari 2000 tegen het besluit van verweerder van 22 december 1999 gegrond werd verklaard onder toekenning aan appellant van een schadevergoeding ten belope van € 191.427,54 alsmede van een bedrag aan wettelijke rente ten belope van € 83.625,28, gegrond verklaard en het bestreden besluit van 24 september 2001 vernietigd. Verweerder diende met inachtneming van het in de uitspraak overwogene opnieuw te beslissen.

In deze uitspraak heeft het College onder meer het volgende overwogen:

"Gelet op het beroepschrift en het schrijven van 3 januari 2002 beperkt appellant het beroep tot de vraag of hem wettelijke rente toekomt over de periode vanaf 1 september 1999 tot 22 december 1999. Weliswaar verzoekt appellant om het besluit van 24 september 2001 te vernietigen voorzover hem daarin vergoeding over de periode van de wettelijke rente over de periode 12 september 1999 tot 22 december 1999 wordt onthouden, maar de datum van 12 september 1999 moet als een kennelijke verschrijving worden gezien. Appellant noemt immers in zijn beroep en ook later in zijn brief van 3 januari 1999 de datum van 1 september 1999, waarvan ook verweerder steeds uitgaat."

2.2 Op grond van de stukken, waaronder de stukken in de zaak AWB 01/790, en het onderzoek ter zitting, zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- Het College neemt hier over de feiten en omstandigheden, vermeld onder rubriek 2 van de uitspraak van 20 februari 2002, no. AWB 01/790.

- Bij het besluit van 22 december 1999 heeft verweerder aan appellant een schadevergoeding en een bedrag aan wettelijke rente toegekend ten belope van € 199.534,21, hierbij - zoals blijkt uit de feiten en omstandigheden, vermeld onder 2 van de uitspraak van 20 februari 2002 - ervan uitgaande dat de berekening van de schadevergoeding aanvangt op 10 juni 1993 en dat wettelijke rente is verschuldigd tot 1 september 1999. Het desbetreffende bedrag is op 4 januari 2000 aan appellant uitbetaald.

- Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2001 is het besluit van 22 december 1999 herroepen. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld geen wettelijke rente verschuldigd te zijn over de periode van 1 september tot 22 december 1999.

- Bij schrijven van 13 maart 2002 heeft verweerder aan appellant onder meer het volgende medegedeeld.

"Bij het berekenen van de wettelijke rente is ontdekt dat reeds een hoger bedrag door het ministerie aan schadevergoeding en wettelijke rente is betaald, dan A gelet op de uitspraak van het College recht op heeft. Dit volgt uit een berekening die is gemaakt en die is bijgevoegd bij deze brief. Het lijkt duidelijk dat bij berekening van de bedragen ten behoeve van het besluit van 24 september 2001 een rekenfout is gemaakt."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat hij bij de berekening, ten grondslag liggende aan het bedrag als toegekend in het besluit van 24 september 2001, een fout heeft gemaakt aangezien hij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betaling aan appellant op 4 januari 2000 consequenties heeft voor de berekening van de wettelijke rente vanaf dit moment. Voorts acht verweerder het bij nader inzien niet reëel dat in de berekening van de wettelijke rente ervan uit is gegaan dat het schadevergoedingsbedrag ad € 27.346,79 op 17 juli 1992 in zijn geheel vrijkwam.

De besluiten van 22 december 1999 en 24 september 2001 hebben nimmer formele rechtskracht gekregen. Het besluit van 24 september 2001 is vernietigd, waardoor de bezwaarfase met betrekking tot het besluit van 22 december 1999 is heropend. Van reformatio in peius in de bezwaarfase is hier geen sprake nu artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht ( hierna : Awb ) slechts met zich brengt dat de indiener van een bezwaarschrift niet in een slechtere positie wordt gebracht dan hij zonder zijn bezwaarschrift zou zijn geweest, hetgeen als gevolg van het besluit van 26 april 2002 niet het geval is.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in redelijkheid niet kan worden ontkend dat een rekenfout is gemaakt. Voorts heeft hij gesteld dat bij nader inzien geen grondslag valt aan te wijzen voor zijn beslissing dat bij de berekening van de wettelijke rente er niet van uitgegaan dient te worden dat het schadevergoedingsbedrag ad € 27.346,79 op 17 juli 1992 in zijn geheel vrijvalt.

4. Het standpunt van appellant

Het beroep van appellant beperkte zich, zoals het College in zijn uitspraak van 20 februari 2002 terecht heeft overwogen, tot niet-toekenning van wettelijke rente over de periode 1 september 1999 tot 22 december 1999.

Het staat appellant vrij om de omvang van een geschil te beperken tot bepaalde onderdelen van een besluit.

De eerder in de besluiten van 24 september 2001 en 22 december 1999 vastgestelde en toegekende bedragen staan naar de mening van appellant vast, nu deze niet tot het geschil in beroep behoorden. Het verbod van reformatio in peius geldt ook voor de beroepsfase.

Weliswaar dient na vernietiging een volledige heroverweging plaats te vinden maar met in achtneming van het in de uitspraak overwogene. Aangezien de uitspraak slechts overwegingen inhoudt met betrekking tot de betaling van de wettelijke rente van 1 september tot 22 december 1999, had de nieuwe beslissing op bezwaar slechts op dit punt dienen te worden aangepast.

Voorzover al onverschuldigd betaald zou zijn, hetgeen niet het geval is, is een nieuw primair besluit tot terugbetaling noodzakelijk.

Appellant is er altijd vanuit gegaan dat hem de wettelijke rente zou worden voldaan over 7 keer de kilovergoeding per jaar ad f 0,35 vanaf de datum der primaire beslissing tot aan de dag der algehele vergoeding. Hiervan uitgaande is hem te weinig betaald. Het beroepschrift van appellant is echter niet gericht tegen de hoogte van het hem uit te betalen bedrag.

5. De beoordeling van het geschil

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 februari 2002 beperkte appellant zijn beroep tot de vraag of hem wettelijke rente toekwam over de periode vanaf 1 september 1999 tot 22 december 1999. Appellant heeft met betrekking tot de hem toegekende bedragen zelf geen gronden aangevoerd. Ook verweerder heeft deze bedragen in het kader van de zaak onder no. AWB 01/790 niet ter discussie gesteld. Dit betekent dat het College in deze zaak van deze bedragen diende uit te gaan.

Het College heeft in de uitspraak van 20 februari 2002 bepaald dat verweerder opnieuw diende te beslissen met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. Waar in die uitspraak slechts overwegingen zijn gewijd aan de kwestie dat rente is verschuldigd over de periode 1 september 1999 tot 22 december 1999, dient een nieuw te nemen beslissing op bezwaar zich ook hiertoe te beperken. Anders wordt immers getreden buiten de uitspraak.

Het besluit van 26 april 2002 kan niet worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar nu hierin door verandering van het bedrag, toegekend bij besluit van 24 september 2001 wordt getreden buiten voormelde, door het College in de uitspraak van 20 februari 2002 getrokken grenzen. Het is een geheel nieuwe beslissing waaraan ook een niet tijdens bezwaar en beroep getoetste nieuwe motivering ten grondslag ligt. Deze beslissing kan dan ook niet anders worden geduid dan als een nieuwe primaire beslissing. Verweerder heeft derhalve ten onrechte onder dit besluit het College als beroepsinstantie vermeld.

Het College zal, gelet op het boven overwogene, het door appellant ingestelde beroep aan verweerder doorzenden als zijnde een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 april 2002.

Nu verweerder in het besluit van 26 april 2002 een verkeerde beroepsclausule heeft opgenomen, acht het College termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

Tevens acht het College het onder deze omstandigheden aangewezen dat met toepassing van artikel 8:74, lid 2, van de Awb de Staat de Nederlanden het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

6. De beslissing

Het College:

- zendt het beroepschrift van appellant van 3 juni 2002 door naar verweerder ter fine van beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,- wordt vergoed door de Staat der

Nederlanden;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, begroot op € 644,-- onder aanwijzing

van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan appellant vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. M.J. Kuiper in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R. Meijer