Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8429

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 18 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 maart 2003.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellant tegen de intrekking van zijn vergunning tot het verrichten van taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/461 8 oktober 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. Taxi A, te X, appellant,

gemachtigde: B, te Y,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. L. van Vliet, medewerker van verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 18 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 maart 2003.

Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellant tegen de intrekking van zijn vergunning tot het verrichten van taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.

Verweerder heeft op 23 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft het College bij schrijven van 28 juni 2003 nadere informatie doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2003, alwaar appellant is verschenen en de gemachtigden van partijen de respectieve standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen

" Artikel 1

(…)

h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

i. besloten busvervoer: personenvervoer per bus, anders dan bedoeld in onderdeel h;

j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling;

k. vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(..)

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken. (…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)"

In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 26

1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

(..).

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

(...).

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer

voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft door middel van een door verweerder op 10 maart 2000 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

- Bij besluit van 10 januari 2001 heeft verweerder, met toepassing van artikel 125 van het Besluit, appellant voor onbepaalde tijd een vergunning verleend als bedoeld in artikel 4 van de Wet voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoergebied AZAM. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat de vakbekwaamheid vóór 1 juli 2001 moet zijn aangetoond.

- Omdat appellant op 1 juli 2001 zijn vakbekwaamheid niet kon aantonen, zoals vereist door artikel 125, onder b, van het Besluit, heeft verweerder het voornemen uitgesproken om de vergunning in te trekken.

- In reactie op de door appellant verstrekte informatie dat hij bezig is met de AOV- en BOV-opleiding, heeft verweerder appellant bij brief van 17 september 2001 bericht, dat het voornemen tot intrekking wordt opgeschort tot 1 juli 2002, maar dat de vergunning alsnog zal worden ingetrokken als appellant op deze datum niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

- Verweerder heeft bij besluit van 4 juli 2002 de vergunning van appellant met ingang van 26 september 2002 ingetrokken.

- Appellant heeft bij brief van 6 augustus 2002 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij brief van 2 september 2002 heeft verweerder appellant bericht dat de intrekking van de vergunning pas in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Op 6 februari 2003 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen.

Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken blijkt niet dat appellant vóór 1 januari 2000 al vijf jaar belast is geweest met het dagelijkse beheer van een onderneming, met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning. Hij is vanaf 1 september 1998 als zelfstandig ondernemer werkzaam. Zijn beroep op artikel 125, onder b, van het Besluit faalt derhalve. Daarnaast geldt dat een beroep op deze regeling vóór 1 juli 2001 had moeten worden ingediend

Appellant heeft de vergunning gekregen onder voorwaarde dat hij uiterlijk op 1 juli 2001 de vakbekwaamheid kon aantonen. Hij heeft aangegeven dit te willen doen door het behalen van een erkend vakdiploma, te weten de Algemene Ondernemers Vaardigheden (AOV) en Branchegerichte Ondernemers Vaardigheden (BOV). Omdat appellant bezig was met deze opleidingen, heeft verweerder hem tot 1 juli 2002 uitstel verleend. Aangezien hij ook na deze datum niet aan het vakbekwaamheidsvereiste voldeed, is de verleende vergunning met ingang van 26 september 2002 ingetrokken. De door appellant geschetste persoonlijke omstandigheden vormen geen aanleiding om een uitzondering te maken op de gehanteerde gedragslijn om in beginsel geen uitstel meer te verlenen. Het onbenut laten van de tijd is en blijft voor rekening van appellant. Bovendien kan uit de voortgang van de opleiding niet worden opgemaakt dat het diploma op korte termijn zal worden behaald.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Tijdens de hoorzitting zijn punten aan orde geweest, die in het verslag onvoldoende zijn belicht en derhalve in het bestreden besluit onvoldoende meegewogen. Appellant heeft voor het aanschaffen van de taxivergunning een lening moeten afsluiten. Na het vrijgeven van de taximarkt werd het moeilijk om een dagopbrengst te realiseren, waarmee onder meer de lening kan worden afbetaald. Appellant heeft dan ook veel uren gewerkt, hetgeen ten koste is gegaan van de studie. Appellant had ten tijde van de hoorzitting reeds een aantal BOV-certificaten behaald. Op 5 maart 2003 heeft hij het laatste certificaat gehaald, zodat hij voor de BOV is geslaagd. Hij is vervolgens onmiddellijk gestart met de AOV en zal alles in het werk stellen om dat diploma in zo kort mogelijke tijd te behalen.

Voorts is appellant van oordeel dat de vergunning op een te korte termijn is ingetrokken. Hij is voor zijn inkomen afhankelijk van het verrichten van taxivervoer. Hij heeft er op mogen vertrouwen dat hij de vergunning in ieder geval voor de komende vijf jaren zou kunnen blijven gebruiken. Appellant verwijst naar verweerders beleidsregel van januari 2003. Hij begrijpt niet waarom hem niet, gezien dat beleid, tot 1 januari 2005 de gelegenheid wordt gegeven om aan de vakbekwaamheidseisen te voldoen.

Bij brief van 28 juni 2003 heeft appellant bericht inmiddels met succes een aantal examens van de AOV te hebben afgelegd. Op 24 september 2003 doet appellant examen in twee vakken. Als hij voor deze vakken ook slaagt, heeft hij de AOV behaald en voldoet hij aan alle gestelde eisen. Appellant acht hiermee verweerders stelling dat uit de voortgang van de opleiding niet kan worden opgemaakt dat het diploma op korte termijn zal worden behaald, een stuk zwakker te hebben gemaakt.

5. De beoordeling van het geschil

Het College dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, waarbij de intrekking van appellants taxivergunning wegens het ontbreken van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit, is gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Het College dient de rechtmatigheid van dit besluit te beoordelen aan de hand van de op 17 maart 2003 bestaande situatie. Niet in geschil is dat appellant op deze datum niet beschikte over bedoeld getuigschrift. Dat appellant inmiddels bedoelde vakdiploma's (bijna) in zijn bezit heeft, doet aan deze constatering niet af.

Aangezien appellant op 17 maart 2003 niet voldeed aan het vereiste voortvloeiende uit artikel 125, onder b, van de Wet, en vanaf 1 juli 2001 geen wettelijke aanspraak op een vergunning meer bestond, kwam verweerder de bevoegdheid toe om tot intrekking van deze vergunning over te gaan. Appellant wist of kon weten welke gevolgen zouden worden verbonden aan het niet voldoen aan de gestelde voorwaarde. Hij heeft er derhalve nimmer op mogen vertrouwen dat zijn vergunning zonder meer gedurende vijf jaren zijn geldigheid zou behouden. Het College constateert dat verweerder appellant nog is tegemoet gekomen door hem na 1 juli 2001 in totaal nog bijna twee jaren te gunnen om de tekortkoming te herstellen. De door appellant geschetste omstandigheden zijn voorts niet dermate uitzonderlijk dat verweerder hierin reden voor verder uitstel had dienen te vinden.

Appellant heeft nog een beroep gedaan op de overgangsregeling die verweerder in het kader van zijn beleidsregel van januari 2003 heeft getroffen voor de groep taxiondernemers aan wie is toegestaan de vakbekwaamheid in te brengen door middel van een procuratiehouder. Appellant behoort echter niet tot deze groep ondernemers en kan zich derhalve niet beroepen op deze regeling. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht deze regeling ook op appellant toe te passen.

Ten overvloede merkt het College op dat appellant zich, nadat hij ook het laatste certificaat heeft behaald, tot verweerder kan wenden met een nieuwe aanvraag.

Op grond van vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R. Meijer