Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8428

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/241
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 12 februari 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 januari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering van een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/241 8 oktober 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: B, te X,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. L. van Vliet, medewerker van verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 12 februari 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 januari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering van een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000.

Verweerder heeft op 18 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2003, alwaar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en verweerder zijn standpunt heeft doen toelichten door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

(…)

h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

i. besloten busvervoer: personenvervoer per bus, anders dan bedoeld in onderdeel h;

j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling;

k. vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)"

In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 26

1. De vervoerder die openbaar vervoer, anders dan per trein, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid."

In de Nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit is het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven als volgt nader toegelicht:

"De eis van vakbekwaamheid beoogt door inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming te waarborgen. Het predikaat "permanent" moet worden opgevat als een continue betrokkenheid bij het leidinggeven. De betrokkenheid mag niet incidenteel zijn. Indien het leidinggeven door de aard of grootte van de onderneming een voltijdse aangelegenheid is, betekent dit dat de vakbekwame niet slechts een gedeelte van de werktijd met daadwerkelijke leiding kan zijn belast. "Daadwerkelijk" geeft aan dat het om een inhoudelijke betrokkenheid bij het leidinggeven gaat. De functie van leidinggevende kan niet louter een formele status inhouden. Zo kan een bestuurder van een rechtspersoon die als vervoerder geldt de vakbekwaamheid niet inbrengen indien de leiding over het vervoer feitelijk bij een ander berust. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijkse ondernemersbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. De uitleg van het begrip permanent leidinggeven vergt tevens dat de vakbekwame ten aanzien van deze werkzaamheden naar buiten vertegenwoordigingsbevoegd is. Zonder een volmacht of mandaat om namens de vervoerder op te treden, kan de facto geen sprake zijn van leidinggeven als bedoeld in het onderhavige artikel."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft door middel van een hiertoe bestemd aanvraagformulier, gedagtekend 11 oktober 2001, een aanvraag ingediend voor een taxivergunning. Volgens opgave in deze aanvraag zal de vakbekwaamheid binnen de onderneming worden ingebracht door procuratiehouder B.

- Omtrent het procuratiehouderschap hebben appellant en B een overeenkomst gesloten, gedagtekend 29 oktober 2001. Artikel 4 van die overeenkomst luidt als volgt:

" 4.Procuratiehouder verplicht zich jegens Ondernemers om zijn diensten als procuratiehouder in ieder geval op de volgende gebieden te verlenen:

-het nemen van investeringsbeslissingen, waaronder het aangaan van leasecontracten, door Ondernemers inzake personenauto's die als taxi worden ingezet;

-het beoordelen van het onderhoud van taxi's van Ondernemers;

-de beoordeling van het voeren van de administratie van Ondernemer, waarbij tot de administratie wordt gerekend:

- financiële administratie;

- persooneels administratie;

- fiscale aangiften.

- het namens Ondernemers onderhouden van de contacten met de RVI, Belastingdienst, Bedrijfsvereniging/LISV, althans het toezicht houden op die contacten."

- Ten behoeve van de beoordeling van de vergunningaanvraag van appellant heeft B desgevraagd aan verweerder een formulier "Verklaring inbreng vakbekwaamheid", gedagtekend 7 januari 2002 en ondertekend door zowel B als appellant, doen toekomen, waarin diverse vragen zijn beantwoord omtrent de wijze waarop binnen de betreffende taxionderneming leiding zal worden gegeven.

- Verweerder heeft bij besluit van 12 maart 2002 de aanvraag van appellant afgewezen, op de grond dat niet gesproken kan worden van daadwerkelijk en permanent leidinggeven door de vakbekwame persoon zodat door de vervoerder niet aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan.

- Appellant heeft bij schrijven van 28 maart 2002, door verweerder ontvangen op 2 april 2002, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Hierbij heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn standpunt gehandhaafd dat van permanent en daadwerkelijk leidinggeven geen sprake is.

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

B treedt nog slechts in twee ondernemingen als procuratiehouder op. Ook overigens zijn wijzigingen in de taakverdeling aangebracht. Voorts bevreemdt het appellant dat het bestreden besluit is gebaseerd op beleidsregels die in december 2002 gereed zijn gekomen, terwijl zijn aanvraag van september 2001 dateert.

4. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt allereerst dat de stelling van appellant, dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte op de in december 2002 gereed gekomen (en op 29 januari 2003 in de Staatscourant gepubliceerde) beleidsregels heeft gebaseerd, feitelijke grondslag mist. Het feit dat verweerder in het bestreden besluit naar deze beleidsregels heeft verwezen, doet er immers niet aan af dat het bestreden besluit primair is gebaseerd op de beoordeling van de eis van vakbekwaamheid aan de hand van alle ten tijde van dit besluit beschikbare informatie over de verdeling van taken en bevoegdheden tussen appellant en B.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aan de eis van vakbekwaamheid is voldaan en, in het bijzonder, dat geen sprake is van daadwerkelijk en permanent leidinggeven door procuratiehouder B, omdat niet aannemelijk is dat hij inhoudelijk bij alle wezenlijke beslissingen omtrent de bedrijfsvoering van de onderneming van appellant is betrokken. Gelet op de door appellant en B gesloten procuratie-overeenkomst en de inhoud van de door hen ondertekende Verklaring inbreng vakbekwaamheid, in samenhang bezien, is dit standpunt naar het oordeel van het College juist. Uit genoemde stukken blijkt dat de taken van de procuratiehouder zich niet zullen uitstrekken over het gehele scala van leidinggevende werkzaamheden, aangezien voornamelijk sprake is van advisering en controle. Appellant heeft nog aangevoerd dat in de door verweerder bekritiseerde onderdelen van de taakverdeling tussen appellant en B verbeteringen zijn aangebracht. De door appellant aangeduide wijzigingen doen evenwel niet af aan de constatering dat geen sprake is van permanent en daadwerkelijk leidinggeven door B. Ook na deze wijzigingen is, zoals verweerder terecht en op goede gronden op pagina 5 van het bestreden besluit heeft overwogen, onvoldoende sprake van een inhoudelijke betrokkenheid bij de wezenlijke beslissingen.

Op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag om een taxivergunning heeft gehandhaafd. Het beroep is derhalve ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R. Meijer