Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8247

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-10-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/1630
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1630 2 oktober 2003

20020 Wet op de registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, registeraccountant, kantoor houdende te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 8 juli 2002,

gemachtigde: mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 9 juli 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 8 juli 2002 genomen beslissing op een klacht, op 26 juni 2001 ingediend tegen appellant door B, thans notaris te Y, (hierna: klager).

Bij een op 6 september 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 4 oktober 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij een van bijlagen voorzien schrijven d.d. 21 november 2002 heeft mr. G.W. Breuker, advocaat te Groningen, als gemachtigde van klager, een reactie gegeven op het door appellant in beroep gestelde.

Bij brief van 13 januari 2003 heeft de gemachtigde van appellant een stuk aan het College toegezonden.

Op 21 augustus 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden. Aldaar zijn verschenen appellant en klager, die hun standpunten hebben doen toelichten door eerdergenoemde gemachtigden.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht met uitzondering van één subonderdeel daarvan, gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van de zaak

3.1 Het College gaat allereerst in op hetgeen appellant heeft aangevoerd aangaande de reactie van klager, vervat in eerdervermeld schrijven van 21 november 2002, op het door appellant in beroep gestelde.

Het betoog daaromtrent van appellant houdt kort gezegd in dat klager, die zelf niet in beroep is gekomen, argumenten naar voren heeft gebracht die geen verband houden met de in beroep tegen de bestreden tuchtbeslissing aangevoerde grieven, zoals een bezwaar in verband met het bepaalde in artikel 9, vierde lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994). Ook de stelling van klager, dat aanleiding bestaat een zwaardere maatregel aan appellant op te leggen dan de raad van tucht heeft gedaan, is - aldus appellant - buiten de orde omdat, nog afgezien van de omstandigheid dat klager geen beroep heeft ingesteld, tegen de oplegging van een tuchtmaatregel als zodanig, geen beroep openstaat.

Het College overweegt hieromtrent dat klager niet in beroep is gekomen en blijkens hetgeen zijnerzijds naar voren is gebracht, ook niet heeft beoogd beroep in te stellen tegen de bestreden tuchtbeslissing. Het College beschouwt het door klager in reactie op het beroepschrift van appellant gestelde als een onderbouwing van de opvatting die klager als belanghebbende in dit geding heeft gegeven en ook kon geven, inhoudende dat de raad van tucht een juiste beslissing heeft genomen en dat de daarbij opgelegde maatregel niet als te zwaar doch eerder als te licht moet worden beschouwd.

Overigens moet in dit verband worden opgemerkt dat, voor zover klager bezwaren aan de orde heeft gesteld betreffende handelingen of gedragingen van appellant waaromtrent de raad van tucht niet heeft beslist, daarover door het College geen uitspraak kan worden gedaan, gelet op de omvang van dit geding, die wordt bepaald door de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing en de middelen van beroep die appellant daartegen heeft voorgedragen.

3.2 Appellant heeft als middel van beroep tegen de bestreden tuchtbeslissing naar voren gebracht dat de raad van tucht er bij de weergave en de beoordeling van de klacht ten onrechte van is uitgegaan dat de bezwaren van klager inhouden dat het appellant niet vrij stond in opdracht van de tegenpartij van klager in een kort geding (de maatschap C, notarissen te Z) te rapporteren over een door klager ingediend ondernemingplan.

Naar aanleiding hiervan overweegt het College dat in het klaagschrift een verwijt als evengenoemd, niet valt te lezen. Wel is daarin als grond vermeld - en nader uitgewerkt - dat appellant ten behoeve van genoemde notarismaatschap in een kort geding dat klager tegen deze maatschap had aangespannen, ten onrechte een accountantsverklaring heeft afgegeven, die volstrekt in strijd was met een eerdere door een kantoorgenoot van appellant in opdracht van klager afgegeven verklaring omtrent een ondernemingsplan.

Eerst ter zitting van de raad van tucht heeft de gemachtigde van klager betoogd dat appellant door de opdracht van de notarismaatschap niet te weigeren zich beslist niet integer heeft gedragen.

Naar het oordeel van het College betreft dit betoog een uitbreiding van de klacht. Weliswaar kan een raad van tucht een zodanige uitbreiding betrekken bij zijn beoordeling van handelingen of gedragingen van een registeraccountant tegen wie een klacht is ingediend, doch niet dan nadat de betrokken accountant voldoende in de gelegenheid is gesteld zich voor te bereiden op de uitbreiding van de klacht en zijn verdediging daarop in te richten. Hiervan is, naar op grond van de gedingstukken moet worden geoordeeld, geen sprake geweest in de procedure bij de raad van tucht.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het onderhavige middel van beroep terecht is voorgedragen.

3.3 Het College gaat vervolgens in op het middel van beroep dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 33 GBR-1994.

Ingevolge dit artikel is het de registeraccountant verboden een oordeel te geven omtrent de arbeid van een andere accountant alvorens hem in de gelegenheid te hebben gesteld inlichtingen te geven.

Aan het oordeel van de raad van tucht dat appellant heeft gehandeld in strijd met de norm die in dit voorschrift is neergelegd, ligt - samengevat weergegeven - ten grondslag (-) dat appellant in zijn rapport d.d. 25 april 2001 een kritisch oordeel heeft gegeven ten aanzien van diverse onderdelen van een rapport d.d. 6 april 2001, betreffende "indicatie winstcapaciteit notariskantoor", dat in opdracht van klager was opgesteld door de registeraccountant D, (-) dat uit hetgeen appellant heeft opgemerkt omtrent de conclusies van laatstgenoemd rapport, volgt dat appellant in zijn rapport een oordeel heeft gegeven over het werk van D, voornoemd, en (-) dat gezien de door appellant gekozen bewoordingen niet kan worden gesproken van het uitsluitend stellen van de eigen mening tegenover die van genoemde collega-accountant.

Appellant heeft ter zake van zijn bezwaren tegen voormeld onderdeel van de bestreden tuchtbeslissing naar voren gebracht dat het bij artikel 33 GBR-1994 gaat om een hoorplicht van beperkte strekking, waarbij collegiale verhoudingen tussen registeraccountants geen zelfstandige rol spelen, aangezien dergelijke verhoudingen worden beheerst door artikel 5

GBR-1994. Voor zover het aan een collega-accountant bieden van de gelegenheid tot het geven van inlichtingen geboden is voor het verkrijgen van de vereiste deugdelijke grondslag voor het rapporteren omtrent de uitkomst van accountantswerkzaamheden, verschaft artikel 11, eerste lid, GBR-1994 een voldoende waarborg.

Naar de mening van appellant betreft artikel 33 GBR-1994 slechts de uitwerking van de norm van artikel 11, eerste lid, GBR-1994 voor een specifieke situatie en moet dit artikel als overbodig worden aangemerkt. Naar uit de totstandkomingsgeschiedenis van genoemd artikel 33 blijkt, is - aldus appellant - dit artikel uitsluitend op praktische gronden gehandhaafd.

Met betrekking tot het voorafgaande overweegt het College dat in meergenoemd artikel 33 een duidelijke verbodsbepaling is geformuleerd. Naar het oordeel van het College bestaat geen grond te twijfelen aan de rechtskracht van dit voorschrift, dat ingevolge artikel 19 van de Wet op de Registeraccountants verbindend is voor registeraccountants. Niet kan worden staande gehouden dat artikel 33 een dergelijke verbindende kracht ontbeert omdat de belangen welke deze bepaling beoogt te dienen, tevens worden gewaarborgd door artikel 11, eerste lid, GBR-1994. Geoordeeld moet worden dat het bij artikel 33 gaat om een specifieke bepaling, waaraan een zelfstandige betekenis toekomt naast het meer algemeen geformuleerde en verder strekkende bepaalde in artikel 11, eerste lid, inzake de deugdelijke grondslag.

Het College is van oordeel dat artikel 33 van toepassing is op de situatie welke zich voordeed toen appellant rapporteerde aan zijn opdrachtgever, zoals hij heeft gedaan bij eerdervermeld rapport d.d. 25 april 2001. In de aanhef van dit rapport heeft appellant vermeld dat hem was verzocht om een beoordeling van de in het geschil tussen voornoemde notarismaatschap en klager ingebrachte stukken, waarbij het met name ging om rapporten van D, voornoemd, d.dis. 28 februari 2001 en 6 april 2001. Gezien deze vermelding en gelet op de inhoud van het rapport van appellant, moet worden vastgesteld dat genoemd rapport in belangrijke mate een beoordeling inhoudt van de arbeid van de registeraccountant D, neergelegd in diens eerdervermelde rapporten.

Het College overweegt, naar aanleiding van hetgeen appellant heeft betoogd omtrent het karakter van artikel 33 GBR-1994, ten slotte dat evenmin kan worden staande gehouden dat bij de beantwoording van de vraag of er gezien de omstandigheden van dit geval sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door appellant, niet in redelijkheid in aanmerking zou kunnen worden genomen dat appellant het verbod van artikel 33 heeft overtreden. Naar het oordeel van het College is hier sprake van een norm die van wezenlijke betekenis is voor het handelen van een registeraccountant die optreedt als openbaar accountant.

Het College acht derhalve het onderhavige middel van beroep ongegrond.

3.4 Het vorenoverwogene leidt het College tot de volgende conclusies.

In de eerste plaats moet worden geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat - nader - in te gaan op de vraag of de door appellant in het kader van zijn rapportage verrichte werkzaamheden berusten op een voldoende deugdelijke grondslag. Immers, de omstandigheid dat de registeraccountant D niet in de gelegenheid is gesteld inlichtingen te geven, impliceert reeds dat met betrekking tot het rapport van appellant d.d. 25 april 2001 niet kan worden gesproken van een voldoende deugdelijke grondslag.

Voorts vloeit uit het hiervoor in § 3.2 overwogene voort dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven.

In verband met de zich in dit geval voordoende feiten en omstandigheden acht het College termen aanwezig deze zaak onder toepassing van artikel 54g van de Wet op de Registeraccountants zelf af te doen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Gezien hetgeen hiervoor in § 3.3 is overwogen moet worden geoordeeld dat appellant door het verbod van artikel 33 GBR-1994 te overtreden tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

In verband met de ernst van deze overtreding acht het College het opleggen van de maatregel van een schriftelijke waarschuwing passend en geboden.

3.5 Derhalve behoort te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Deze beslissing berust op artikel 19 van de Wet op de Registeraccountants, alsmede op het bepaalde in titel II dier wet, en voorts in het bijzonder op het bepaalde in de artikelen 2, 11, eerste lid, en 33 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het betreft het in § 3.2 omschreven middel;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- legt appellant de maatregel op van een schriftelijke waarschuwing.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. J.L.W. Aerts en mr. B. van Wagtendonk, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. Th.J. van Gessel

926/01.32

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

B

wonende te Y,

klager,

gemachtigde: mr. G.W. Breuker, advocaat te Groningen;

C O N T R A:

A

kantoorhoudende te X,

betrokkene,

gemachtigde: mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam;

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- Bij brief van 26 juni 2001 heeft klager een klacht ingediend tegen betrokkene. Deze heeft zich verweerd bij verweerschrift van 7 november 2001. Klager heeft afgezien van repliek.

- De zaak is behandeld ter openbare zitting van 15 april 2002, alwaar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. Beide gemachtigden hebben een pleitnota overgelegd.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten:

1. Klager is als kandidaat-notaris in dienstverband verbonden geweest aan het kantoor van de maatschap C, notarissen te Z, hierna aan te duiden als C.

2. Vanaf september 1999 heeft klager als sollicitant de procedure voor een benoeming als notaris te Z doorlopen, zulks met de bedoeling opvolger te worden van zijn kantoorgenoot notaris E, hierna te noemen: E.

Klager heeft daartoe eind september 1999 een ondernemingsplan ter toetsing ingediend bij de Commissie van Deskundigen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, hierna te noemen: CvD. Bij het ondernemingsplan is een financiële prognose gevoegd. De prognose is op verzoek van klager opgesteld door F, hierna te noemen: F, die evenals betrokkene als accountant is verbonden aan Ernst & Young Accountants. F had al eerder in 1998 en 1999 soortgelijke bijstand aan klager verleend. In 1998 is betrokkene voor algemene adviezen over dit notariaat betrokken geweest bij de advisering door F.

3. F heeft de financiële prognose aan klager verstrekt met een brief van 17 september 1999. Daarin deelt F onder meer het volgende mee:

"In het ondernemingsplan gaat u uit van een zelfstandige voortzetting van de praktijk van notaris E, derhalve ene afsplitsing van de praktijk C. De financiële prognoses zijn gebaseerd op dit uitgangspunt. Ook de overige uitgangspunten zijn door u geformuleerd. Deze uitgangspunten zijn door ons beoordeeld. Op grond van onze werkzaamheden zijn wij van oordeel dat de toekomstverwachtingen op aanvaardbare wijze tot stand zijn gekomen en met de daarbij behorende toelichtingen op toereikende wijze zijn weergegeven. Gezien de onzekerheid die inherent is aan toekomstgerichte informatie houdt ons oordeel vanzelfsprekend niet in dat de in de prognoses weergegeven verwachte uitkomsten zullen worden gerealiseerd."

4. Klager heeft de stukken op 1 oktober 1999 bij de CvD ingediend en heeft daarvan op dezelfde dag per telegram mededeling gedaan aan C.

5. Naar aanleiding van deze mededeling aan C is klager per 2 oktober 1999 door C op non-actief gesteld. Zijn arbeidsovereenkomst is vervolgens op verzoek van C per 24 november 1999 door de kantonrechter te Assen ontbonden.

6. De CvD heeft op 9 februari 2000 een negatief advies gegeven over de sollicitatie van klager. De Commissie heeft in het advies met name verwezen naar de conflictueuze situatie waarin klager de praktijk wenste te starten.

7. Klager heeft vervolgens C en de individuele notarissen E en G wegens onrechtmatig handelen -te weten de gedragingen die hadden geleid tot het ontslag van klager- aansprakelijk gesteld voor schade, te weten inkomensschade en schade door het mislopen van de aan het protocol van notaris E toegekende waarde.

Klager heeft daartoe in april 2001 een bodemprocedure opgestart. Tevens heeft hij in die tijd een kort geding tegen de maatschap C en de beide genoemde notarissen gevoerd, strekkende tot verkrijging van een voorschot op de schadevergoeding. Klager is in dit kort geding bij vonnis van 10 mei 2001 niet-ontvankelijk verklaard.

8. Klager heeft voor het berekenen van zijn schade opdracht verleend aan Quaesitor Accountancy & Advies, hierna te noemen: Quaesitor, van welk kantoor D, hierna te noemen: D, op 28 februari 2001 en 6 april 2001 rapport aan klager heeft uitgebracht.

9. De advocaat van C heeft betrokkene verzocht de in het geschil tussen partijen ingebrachte stukken te beoordelen, in het bijzonder de rapporten van Quaesitor.

10. Betrokkene heeft bij brief van 25 april 2001 aan de advocaat van C rapport uitgebracht, hierna te noemen: het rapport van betrokkene.

In dat rapport geeft betrokkene ook zijn oordeel over het door klager ingediende ondernemingsplan en concludeert betrokkene onder meer dat ten aanzien van het ondernemingsplan gesteld kan worden dat, gezien de door betrokkene gesignaleerde risico's, de CvD gezien de in artikel 7 Wet op het Notarisambt genoemde criteria wel tot een negatief advies moest komen, ongeacht of sprake was van een harmoniemodel of niet. Betrokkene komt in zijn rapport verder tot de conclusie dat de berekening van de schade door Quaesitor eufemistisch gesteld aan de nogal hoge kant is en een niet realistische benadering vormt.

11. Het rapport van betrokkene is overgelegd in bovenvermeld kort geding.

DE KLACHT

Zoals ter zitting door de gemachtigde van klager is toegelicht en samengevat bevat de klacht de volgende verwijten:

a. het stond betrokkene niet vrij om in opdracht van klagers tegenpartij, C, te rapporteren over het door klager ingediende ondernemingsplan, waarbij betrokkenes collega F eerder, te weten op 17 september 1999, in opdracht van klager een verklaring heeft afgegeven; deze verklaring is strijdig met het eerdere rapport van F en berust niet op een deskundig onderzoek; betrokkene weigert om zijn beoordelingsverklaring/accountantsverklaring in te trekken, terwijl hij weet dat klager als gevolg van het verdere gebruik van die verklaring door derden schade lijdt.

b. betrokkene heeft een oordeel gegeven over het rapport van D van Quaesitor zonder dat hij overleg heeft gehad met deze collega.

HET VERWEER VAN BETROKKENE

Betrokkene heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Ad klachtonderdeel a:

1. Betrokkene was in het kader van de aan hem verstrekte opdracht geenszins verplicht zich te onthouden van inhoudelijke kanttekeningen bij het ondernemingsplan van klager.

2. De werkzaamheden van collega F en die van betrokkene betreffen twee separate opdrachten van verschillende aard en inhoud met verschillende opdrachtgevers, uitgevoerd door verschillende accountants, ieder onder zijn eigen verantwoordelijkheid. Tussen de uitvoering van beide opdrachten ligt een tijdsverschil van ruim anderhalf jaar.

3. De rapportages van collega F en betrokkene zijn niet met elkaar in strijd. De rapporten zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, zoals de harmonieuze afsplitsing, en verschillende feitelijke gegevens.

Ad klachtonderdeel b:

4. Het commentaar van betrokkene op het rapport van Quaesitor is gemotiveerd en gebaseerd op zijn deskundigheid als branchedeskundige notariaat.

5. De rapportages van Quaesitor en van betrokkene zijn te kenschetsen als deskundigenadvisering aan partijen in een civiele procedure aangaande schade-omvang. Het rapport van betrokkene behelst geen feitenonderzoek.

Artikel 33 GBR-1994 dient het doel van het verkrijgen van een deugdelijke grondslag door de accountant. Het artikel heeft naast artikel 11 GBR-1994 geen zelfstandige betekenis.

Artikel 33 GBR-1994 heeft betrekking op een deelaspect van het beginsel van hoor en wederhoor en strekt zich uit tot het feitenonderzoek door de accountant, maar niet tot de deskundigenadvisering op basis van de feiten.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ad klachtonderdeel a:

1. De Raad neemt in aanmerking dat betrokkene de opdracht van C, die heeft geleid tot betrokkenes rapport van 25 april 2001, heeft aanvaard in een situatie waarin diepgaande geschillen waren gerezen tussen klager en C als zijn voormalige werkgever. Het was betrokkene bekend dat klager gerechtelijke procedures tegen C had aangespannen, nu immers de opdracht aan betrokkene betrekking had op stukken die in die procedures waren overgelegd.

Verder neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene het kennelijk tot zijn opdracht heeft gerekend om in te gaan op de merites van het ondernemingsplan dat klager in het kader van zijn sollicitatieprocedure had ingediend en bij welk ondernemingsplan de verklaring van zijn kantoorgenoot F behoorde.

Ook is gebleken dat betrokkene bij eerdere soortgelijke advisering door F aan klager betrokken is geweest, ook al was dat, zoals betrokkene heeft betoogd, voor het in algemene zin adviseren over aspecten van het notariaat. Vaststaat dat klager er in 1998 kennis van heeft genomen dat betrokkene aan de advisering door F heeft bijgedragen en dat klager van dezer betrokkenheid van betrokkene kennis heeft genomen.

2. De Raad is van oordeel dat in deze omstandigheden een belangenconflict mogelijk was, hetgeen betrokkene ervan had moeten weerhouden de opdracht van C te aanvaarden. Die aanvaarding bracht immers mee dat betrokkene in opdracht van de tegenpartij van klager mede het werk van zijn kantoorgenoot C ging beoordelen.

Hieraan doet niet af dat, zoals betrokkene heeft aangevoerd, de opdracht geruime tijd na september 1999 en onder andere omstandigheden is verleend.

3. In de zin zoals hiervoor vermeld is dit klachtonderdeel gegrond. De Raad komt daardoor niet meer toe aan het laatste in het klachtonderdeel vermelde verwijt, te weten dat betrokkene weigert om zijn beoordelingsverklaring/accoun-tantsverklaring in te trekken.

4. Met betrokkene is de Raad overigens van oordeel dat met de verscherping van de verhoudingen sedert september 1999 rekening moest worden gehouden bij een beoordeling naar de situatie op 28 februari 2001. In het rapport van betrokkene staan, vooral op de bladzijden 5-8, stellingen waarvoor betrokkene ter zitting van de Raad, voor zover die zijn besproken, telkens een motivering heeft gegeven die de Raad mist in het rapport van betrokkene. Zo is ook de stelling op bladzijde 9 bovenaan dat er in Nederland plekken denkbaar zijn die qua winstpotentie uitstijgen boven de mogelijkheden in Groningen niet onderbouwd. Betrokkene noemt dit in de volgende zin een feit en doet daarop in het résumé aan het slot van zijn rapport de conclusie steunen: "Van schade kan dan ook geen enkele sprake zijn." Grond voor deze conclusie ontbreekt in het verslag van betrokkene.

Ad klachtonderdeel b.

5. Bij de totstandkoming van de GBR is ten aanzien van (destijds artikel 31 en thans) artikel 33 overwogen dat dit artikel twee aspecten heeft, te weten de noodzaak tot het vragen van inlichtingen voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor het oordelende werk en de handhaving van goede collegiale verhoudingen.

Tegen het opnemen van dit artikel is destijds oppositie gevoerd, waarbij is aangevoerd dat beide aspecten reeds elders in de GBR voldoende zouden zijn geregeld, namelijk in de artikelen 5 en 11, hetgeen aansluit bij hetgeen betrokkene tot zijn verweer heeft aangevoerd.

De Commissie Herziening Beroepsregelen heeft desondanks in het opnemen van dit artikel volhard. Dit heeft geleid tot de handhaving en vastlegging van de betreffende gedragsregel in de GBR.

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat het voorschrift van artikel 33 GBR -1994 zelfstandige betekenis heeft naast de artikelen 5 en 11 GBR-1994.

6. Hoofdstuk 3 van het rapport van betrokkene heeft in belangrijke mate betrekking op het rapport van 6 april 2001 van Quaesitor. Betrokkene geeft ten aanzien van diverse onderdelen van dat rapport een kritisch oordeel. Zo stelt hij dat door Quaesitor de indruk wordt gewekt dat er sprake zou kunnen zijn van een normkantoor, hetgeen -kennelijk naar de mening van betrokkene- niet het geval is. Voorts haalt betrokkene in dit hoofdstuk een aantal conclusies van Quaesitor onderuit. Hij stelt dat niet waar is de bewering van Quaesitor dat de relatie tussen de hoeveelheid werk en de winst van een onderneming in het notariaat recht evenredig is, wanneer het aantal akten ligt tussen 700 en 2000 per jaar. Voorts stelt betrokkene dat de conclusie dat de verwachte winstcapaciteit van het kantoor van oud-notaris Dijkhuizen minimaal f. 500.000,-- op jaarbasis zal bedragen wel erg kort door de bocht is en op geen enkele wijze de werkelijkheid van het kantoor weergeeft. Volgens betrokkene zit de kern van zijn kritiek daarnaast in het feit dat Quaesitor uitgaat van een blijvend verschil in winstcapaciteit van twee kantoren over een periode van maar liefst 18 jaar.

Uit het hier overwogene volgt dat betrokkene in zijn rapport een oordeel heeft gegeven over het werk van Quaesitor, dat is opgesteld door betrokkenes collega D. De door betrokkene gekozen bewoordingen zijn zodanig dat niet gesproken kan worden van het uitsluitend tegenover de mening van collega D de eigen mening zetten.

Blijkens het verweer van betrokkene heeft hij deze collega niet in de gelegenheid gesteld inlichtingen te geven alvorens tot de rapportage te komen.

De conclusie moet dan ook zijn dat dit klachtonderdeel gegrond is.

MAATREGEL

De Raad vindt in de aard en de ernst van de begane overtreding aanleiding de hierna vermelde maatregel op te leggen.

DE BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te 's-Gravenhage:

- gelet op het bepaalde in de artikelen 33 en 34 Wet op de Registeraccountants en de artikelen 5, 11 en 33 GBR-1994;

- verklaart klachtonderdeel a gegrond, uitgezonderd het laatste subonderdeel;

- verklaart klachtonderdeel b gegrond;

- legt aan betrokkene de maatregel op van een schriftelijke waarschuwing.

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, plv. voorzitter, C.Chr. Doolhoff RA, P.A.S. van der Putten RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, adj.- secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2002 door mr E.M.H. Pieters, voorzitter.

adj.-secretaris plv. voorzitter