Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8165

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
14-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/1912
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 28 november 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering van de verklaring als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de - inmiddels ingetrokken - Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

No. AWB 02/1912 16 oktober 2003

27650 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. A, te X, appellante,

gemachtigde: H. Dommerholt, werkzaam bij Stenvert Pactum Installatietechniek Deventer BV,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr. F.J.B.A. Duijnstee en mr. W. Brinkman, beiden werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 28 november 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering van de verklaring als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de - inmiddels ingetrokken - Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Bij brief van 31 januari 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevoerd.

Op 5 maart 2003 heeft verweerder ter zake van dit beroep een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van het College, gehouden op 4 september 2003, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan ƒ 3900 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek);

(…)

14. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;

b. (…)."

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: Uitvoeringsregeling) (Stcrt. 1996, nr. 248; nadien gewijzigd) waarin onder meer is bepaald:

"Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."

Onder categorie B, code 1.2.D. van de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: Energielijst 2000; Stcrt 1999, 251), die overeenkomt met code 121103 in de brochure Energie-investeringen 2000, wordt onder meer het volgende bepaald:

"Warmtepomp of warmtepompboiler bestemd voor het opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardiger warmte, waarbij hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend voor processen, met uitzondering van omkeerbare systemen die voor meer dan 50% buitenlucht als warmtebron gebruiken.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, door het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst te Breda ontvangen op 5 januari 2001, heeft appellante een verzoek gedaan om een verklaring dat de daarbij gemelde investeringen in het bedrijfsmiddel, genoemd onder de code 121103 in de brochure Energie-investeringen 2000, investeringen zijn, die zijn aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energieverklaring). De bedoelde investeringsverplichtingen zijn aangegaan op 16 oktober 2000.

- Op 27 juni 2001 heeft appellante aan verweerder op diens verzoek nadere stukken toegezonden.

- Bij besluit van 5 februari 2002 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat niet is voldaan aan de omschrijving onder code 121103 en dat derhalve geen energieverklaring kan worden afgegeven.

- Bij brief ontvangen door verweerder op 15 maart 2002 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellante binnen de door verweerder gestelde termijn, de gronden van haar bezwaar aan verweerder doen toekomen.

- Op 27 juni 2002 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Op 16 juli 2002 heeft verweerder aan appellante schriftelijke vragen gesteld. Deze brief is door appellante bij brief van 21 augustus 2002 beantwoord.

- Op 1 oktober 2002 heeft verweerder bij appellante een bedrijfsbezoek gebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

"Op 5 januari 2001 heb ik uw verzoek om een verklaring in het kader van de Uitvoeringsregeling Energie-investeringsaftrek ontvangen. U heeft een warmtepomp of warmtepompboiler gemeld onder code 121103 van de brochure van Senter. Deze code komt overeen met hetgeen omschreven is onder categorie B code 1.2.D van de Energielijst 2000. In het vervolg van deze beschikking worden de codes genoemd zoals weergegeven in de brochure van Senter. Dit is een wettelijke code en dat houdt in dat het bedrijfsmiddel exact aan de voorwaarden moet voldoen. Onder deze code worden omkeerbare warmtepompen of warmtepompboilers uitgezonderd die meer dan 50 % buitenlucht als warmtebron gebruiken. Uit de door u aangeleverde informatie op 27 en 28 juni 2001 heeft u aangeven dat het hier om een omkeerbare warmtepomp of en warmtepompboiler gaat die 100% buitenlucht als warmtebron gebruikt. Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat de omkeerbare buitenunit 100% buitenlucht als warmtebron gebruikt en de binnenunits minder dat 50% buitenlucht als warmtebron gebruiken. Voor alle duidelijkheid heb ik op 1 oktober 2002 de installatie tijdens een bezoek bekeken.Tijdens het bedrijfsbezoek is ook gebleken dat de gehele installatie een omkeerbare installatie is die meer dan 50% buitenlucht als warmtebron gebruikt. Daarom kan ik geen verklaring afgeven voor het door u gemelde bedrijfsmiddel.

In uw bezwaarschrift geeft u aan dat volgens de heer B twee codes van toepassing zouden zijn op deze aanvraag. De juiste code is afhankelijk van de plek waar het bedrijfsmiddel is geïnstalleerd. Weliswaar heeft de heer B gezegd dat de warmtepomp onder 2 codes paste, maar dat dit onverlet laat dat het dan wel moet gaan om een warmtepomp die voldoet aan de wettelijke omschrijving, hetgeen hier, zoals hierboven reeds is opgemerkt geenszins het geval is.

Het is echter mogelijk dat enkele onderdelen van het door u gemelde bedrijfsmiddel voor Energie-investeringsaftrek in aanmerking komen. Daarom heb ik u bij brief van 16 juli 2002 gevraagd of de buitenunit voorzien is van een frequentieregelaar en of de binnenunits voorzien zijn van verbeterde expansieregelingen. Uit de door u aangeleverde informatie op 21 augustus 2002 is gebleken dat deze onderdelen zijn aangeschaft en deel uitmaken van de gemelde investering. De frequentieregelaar komt in aanmerking voor Energie- investeringsaftrek onder code 120603. De verbeterde expansieregelingen voor koelinstallaties komen onder code 120207 in aanmerking voor Energie-investeringsaftrek. Voor deze onderdelen geef ik dan ook een positieve verklaring af.

Op grond van het voorgaande verklaar ik uw bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond. Ik zal mijn beslissing van 5 februari 2002 dan ook gedeeltelijk herzien."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante erkent dat het door haar gemelde bedrijfsmiddel strikt juridisch niet voldoet aan code 121103 van de brochure van Senter, welke code overeenkomt met hetgeen is omschreven onder categorie B code 1.2D van de Energielijst 2000.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij desondanks voor een energieverklaring voor de gemelde warmtepomp in aanmerking dient te komen, omdat het door haar gekozen bedrijfsmiddel milieuvriendelijk en energiebesparend is. Appellante heeft een forse extra investering gedaan en acht het onbillijk dat haar verzoek niet volledig is gehonoreerd, nu dit bedrijfsmiddel voldoet aan de doelstelling van de Energie-investeringsregeling.

Op grond van het bouwbesluit dient de winkel van appellanten een bepaalde luchtverversing te hebben. Hierdoor gebruikt de machine meer dan 50% buitenlucht. Aldus kon zij niet tevens voldoen aan de in code 121103 gestelde eis dat maximaal 50% buitenlucht als warmtebron wordt gebruikt. Appellante acht dit onbillijk.

Tijdens een gesprek van de gemachtigde van appellante met een medewerker van Senter, de heer B, op 6 mei 2002, is door deze medewerker de conclusie getrokken dat de aanvraag van appellante ten onrechte is afgewezen. De heer B stelde zich op het standpunt dat zowel code 121103 als code 111101 van toepassing zijn op de aanvraag. Deze uitlatingen van dhr. B hebben bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat haar aanvraag geheel zou worden gehonoreerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor een energieverklaring voor zover het de onder code 121103 van de brochure Energie-investeringsaftrek 2000 van Senter, welke code overeenkomt met hetgeen is omschreven onder categorie B code 1.2D van de Energielijst 2000, gemelde warmtepomp of warmtepompboiler betreft.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.2. Niet in geschil is dat het in het bedrijf van appellante geïnstalleerde bedrijfsmiddel niet voldoet aan de daaraan onder code 121103 gestelde eis dat niet meer dan 50% buitenlucht als warmtebron wordt gebruikt.

5.3. Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling komen slechts die investeringen in (onderdelen van) bedrijfsmiddelen voor een energieverklaring in aanmerking, die zijn aangewezen in de Energielijst 2000 en die bestaan uit de in de bijlage genoemde bestanddelen. Voormeld artikel sluit naar tekst en strekking aldus investeringen uit die niet op de Energielijst 2000 voorkomen.

Het College overweegt dat uit het bepaalde bij artikel 11, eerste lid, onder b, van de Wet IB volgt dat voor het afgeven van een energieverklaring niet alleen is vereist dat het gaat om investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie maar ook dat die investeringen als zodanig zijn aangewezen bij ministeriële regeling. Dit leidt ertoe dat, nu geen algemeen verbindend voorschrift of rechtsregel is aan te wijzen, waaruit voor de regelgever enige verdere normering voortvloeit inzake het aanwijzen van investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie, de opsomming in de Energielijst 2000 als een limitatieve moet worden beschouwd waarbij een strikte uitleg van de daarin opgenomen omschrijvingen van bedrijfsmiddelen en onderdelen van bedrijfsmiddelen past.

5.4. In het licht van het vorenoverwogene heeft verweerder terecht geoordeeld dat voor het betreffende bedrijfsmiddel geen energieverklaring kan worden afgegeven, op de grond dat dit bedrijfsmiddel niet voldoet aan alle daaraan in de Energielijst 2000 gestelde eisen. Dat de ventilatie-eis die ingevolge het Bouwbesluit van toepassing is meebrengt dat de aangemelde investering energetisch gunstiger is dan bedrijfsmiddelen die wel zouden voldoen aan de in de Energielijst 2000 gestelde eisen, maakt dit niet anders.

5.5. Hetgeen appellante verder heeft aangevoerd stelt het College voorts voor de vraag of door mededelingen die aan verweerder kunnen worden toegerekend, bij appellante gerechtvaardigd te achten verwachtingen zijn gewekt die verweerder in dier voege had behoren te honoreren, dat hij aan appellante bedoelde energieverklaring alsnog in bezwaar had behoren af te geven. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend.

Appellante doet in dit kader een beroep op uitlatingen van de heer B tijdens een bespreking met de gemachtigde van appellante op 6 mei 2002. In het hiervan opgemaakte gespreksverslag staat vermeld dat deze medewerker van Senter toen heeft opgemerkt dat de installatie "op het eerste gezicht" in aanmerking komt voor een energieverklaring. Deze opmerking houdt reeds omdat zij er blijk van geeft dat geen volledige en zorgvuldige beoordeling heeft plaatsgevonden naar het oordeel van het College evenwel geen toezegging in dat het verzoek van appellante zou worden gehonoreerd, terwijl het overigens tijdens dat overleg besprokene het College evenmin aanleiding geeft voor een andersluidend oordeel.

5.6. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2003.

w.g. M.A. Fierstra w.g. Th.J. van Gessel