Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8138

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
14-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/1108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2003 heeft verweerder de aanvraag van Agrichem tot toelating van het middel Tuberprop Basic, onder toelatingsnummer 12468 N, gehonoreerd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 11 september 2003 een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft verzoekster bij faxbericht van gelijke datum aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het hiervoor genoemde besluit van 5 september 2003.

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 4
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 18
Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 57 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 03/1108 14 oktober 2003

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Luxan B.V., te Elst, verzoekster,

gemachtigde: mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, gevestigd te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage, en I.L. Rol, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partij deelneemt:

Agrichem B.V., te Oosterhout, hierna te noemen: Agrichem,

gemachtigde: mr. J.F. van Nouhuys, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Bij besluit van 5 september 2003 heeft verweerder de aanvraag van Agrichem tot toelating van het middel Tuberprop Basic, onder toelatingsnummer 12468 N, gehonoreerd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 11 september 2003 een bezwaarschrift ingediend. Voorts heeft verzoekster bij faxbericht van gelijke datum aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het hiervoor genoemde besluit van 5 september 2003.

Bij brief van 16 september 2003 heeft Agrichem te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen.

Bij faxbericht van 29 september 2003 heeft verweerder gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij faxbericht van 30 september 2003 heeft verzoekster nadere stukken toegezonden.

Bij brief van gelijke datum heeft Agrichem nadere stukken toegezonden.

De voorzieningenrechter heeft het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 2 oktober 2003, alwaar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader uiteen hebben gezet. Hierbij was voor verzoekster tevens aanwezig A, werkzaam bij verzoekster, en voor Agrichem B en C, beiden werkzaam bij Agrichem.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Pb L 230, blz. 1; hierna: Richtlijn 91/414), luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 6

(…)

2. Wanneer een Lid-Staat een aanvraag ontvangt om opneming van een werkzame stof in bijlage I, ziet deze erop toe dat de aanvrager aan de andere Lid-Staten en de Commissie zonder buitensporige vertraging een dossier doet toekomen dat geacht wordt aan de voorschriften van bijlage II te voldoen, (…)

Artikel 9

1.Toelating voor een gewasbeschermingsmiddel moet door of namens degene die er verantwoordelijk voor is dat het middel voor het eerst op het grondgebied van een Lid-Staat op de markt wordt gebracht, worden aangevraagd bij de bevoegde instanties van elke Lid-Staat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden gebracht.

(…)

5.De Lid-Staten zorgen ervoor dat over iedere aanvraag een dossier wordt samengesteld. Ieder dossier bevat ten minste een afschrift van de aanvraag, een overzicht van de door de Lid-Staat genomen bestuursrechtelijke besluiten over de aanvraag, en over de in artikel 13, lid 1, bedoelde gegevens en documentatie, (…)

Artikel 13

1.Onverminderd het bepaalde in artikel 10, eisen de Lid-Staten dat de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel zijn aanvraag vergezeld laat gaan van:

(…)

b) voor iedere werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel een dossier dat in het licht van de wetenschappelijke en technische kennis aan de voorschriften van bijlage II voldoet.

(…)

3.Bij het verstrekken van toelatingen mogen de Lid-Staten de in bijlage II bedoelde informatie niet gebruiken ten voordele van andere aanvragers:

a) tenzij de aanvrager met de oorspronkelijke aanvrager is overeengekomen dat deze informatie mag worden gebruikt of

b) voor een periode van tien jaar nadat een werkzame stof die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn nog niet op de markt was, voor het eerst in bijlage I is opgenomen of

c) voor in de bestaande nationale voorschriften vastgestelde periodes van ten hoogste tien jaar vanaf de datum van het besluit in elke Lid-Staat betreffende een werkzame stof die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn op de markt was en

d) voor een periode van vijf jaar na de datum van het besluit volgend op de ontvangst van de aanvullende informatie die nodig is voor de eerste opneming in bijlage I, of om de voorwaarden voor de opneming van een actieve stof te wijzigen, dan wel de opneming in deze bijlage te handhaven, behalve wanneer deze periode van vijf jaar eerder verstrijkt dan de periodes als bedoeld in lid 3, onder b) en c); in dat geval wordt de periode van vijf jaar verlengd zodat het verstrijken daarvan samenvalt met het verstrijken van die periodes.

(…)"

In de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten of geregistreerd indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, (…) is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:

1. voldoende werkzaam is;

2. geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten;

3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect;

4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij direct, hetzij indirect;

5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast;

6. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van diegenen, die na toepassing van het middel door het

verrichten van werkzaamheden daarmee of met de residuen daarvan in aanraking komen;

7. de hoedanigheid van voedingsmiddelen niet schaadt;

8. het welzijn van de te bestrijden gewervelde dieren niet onnodig schaadt;

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft (…)

Artikel 4

1. Over de toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel wordt op aanvraag beslist door het college.

2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan. (…)

3. Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde gegevens achterwege kan blijven.

(…)"

In de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 41; hierna: Rtb 1995), een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Bmw, is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 18

1. Bij indiening van een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7 en 16, die betrekking heeft op een gewasbeschermingsmiddel (…) worden de gegevens, bedoeld in de bijlage II en III van de richtlijn, overgelegd overeenkomstig de in het aanvraagformulier en de bijbehorende instructie neergelegde eisen (…)

Artikel 24

Een aanvrager kan het overleggen van gegevens die strekken tot beantwoording van een of meer vragen van het aanvraagformulier dan wel gegevens die strekken tot het beantwoorden van op grond van artikel 10 gestelde vragen achterwege laten voorzover:

a. het openbare gegevens betreft, of

b. de gegevens door een ander zijn overgelegd en deze schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen gebruikmaking van de gegevens ten behoeve van de aanvrager, of

c. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating zijn overgelegd en meer dan tien jaren zijn verstreken sinds de toelating van het middel waarop de aanvraag van laatstgenoemde betrekking had, of

d. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot verlenging of wijziging van een toelating zijn overgelegd en meer dan vijf jaren zijn verstreken sinds de verlenging of wijziging van die toelating, of

e. het gegevens betreft die door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating dan wel ten behoeve van een verlenging of wijziging van een toelating voor 5 februari 1994 zijn overgelegd."

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

-Verzoekster en Bayer hebben bij een zogenoemde "letter of access" van 22 juni 1993 Brabant Chemie, de rechtsvoorgangster van Agrichem, het recht verleend om, kort gezegd, in het kader van nationale toelatingsprocedures te verwijzen naar de in de bijlage bij de letter of access genoemde studies.

-Aceto Agricultural Chemicals Corporation, gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika (hierna: Aceto), heeft verweerder bij letter van access van 29 september 1998 het volgende verklaard:

"Aceto Agricultural Chemicals Corporation allows the CTB to access data submitted tot the CTB for the purposes of the European Union review of the active ingredient Chlorpropham in accordance with the EU Directive 91/414.

Access given to this Chlorpropham Technical Data Package in support to Brabant Chemie (…) who wishes to register the following product:

PRODUCT NAME

TUBERPROP BASIC"

-Op 26 oktober 1998 heeft Agrichem, onder overlegging van de hiervoor vermelde letters of access van 22 juni 1993 en 29 september 1998, een aanvraag tot toelating van het onderhavige middel ingediend.

-Bij brief van 13 december 2001 heeft Aceto verweerder het volgende medegedeeld:

"Both Aceto and Luxan are defending the active ingredient CIPC in the EU Review under directive 91/414. Neither party has a complete data package and this has been adressed in the following manner:

1.Luxan has submitted data which it solely owns.

2.Aceto has submitted data that is jointly owns with Cerexagri Corp. (…) - both companies being members of the USA CIPC Task Force.

3.Aceto has submitted data from the companies who sell the end-formulation containing Aceto CIPC, namely (…).

4.Aceto has submitted data which it has developed jointly and is jointly owned bij Aceto and Luxan.

In order for both parties tot have a comprehensive data set, an agreement has been reached where Aceto and Luxan give access to each order to fill in their respective data gaps. This data access is for the EU authorities tot have access to the data (the data is defined als Annex II data (…) that is relevant tot Annex II for the purpose of the EU Review Annex I Listing and member state registrations and does not involve the exchange of hard copy between the parties. (…)"

-Op 19 december 2001 heeft verzoekster verweerder een brief met dezelfde inhoud toegezonden aan verweerder.

-Op dezelfde datum heeft verzoekster een verklaring (letter of access) afgegeven met de volgende inhoud:

"We, Luxan (…), hereby authorise any competent, European (EU), regulatory authority, access of our confidential data on chlorpropham (CIPC) in support of the registrations of Aceto (…)

This authorisation is limited to the regulatory authorities access within the EU and does not grant any authority or person permission tot provide Aceto paper or electronic copies of the Luxan data. (…)"

- Vervolgens heeft verweerder het besluit genomen, waarvan thans schorsing wordt verzocht.

-Bij faxberichten van 24 september 2003 heeft Aceto verweerder het volgende verklaard:

"(…)

Aceto Agricultural Chemicals Corporation has reached an agreement with Luxan om access and data sharing of Chlorpropham data in relation to 91/414 re-registration and new registration of Chlorpropham.

(…)"

en:

"Aceto Agricultural Chemicals Corporation allows the CTB to access data submitted to the CTB for the purposes of the European Review of the active Chlorpropham (CIPC) in accordance with EU Directive 91/414.

Access is given to this Chlorpropham Technical Data Package in support of Agrichem (…), who wishes to register their product Tuberprop Basic (…) already registered under the number 12468N in the Netherlands.

Access is given bij Aceto Agricultural Chemicals Corporation in line with the proposed European Union Commissions guidelines on data protection (…)

Granting this Letter of access does not affect EU data protection."

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd.

De studies die verzoekster en Aceto met het oog op plaatsing op Bijlage I bij de Richtlijn hebben laten verrichten vormen tezamen het EU-dossier, welk dossier zich uitsluitend onder verweerder bevindt en uitdrukkelijk niet is samengesteld voor nationale toelatingsaanvragen. Noch Aceto, noch verzoekster beschikt over een volledig dossier ten behoeve van de Bijlage I-plaatsing, doch beide bedrijven hebben elkaar over en weer recht op verwijzing naar de studies uit het EU-dossier gegeven.

Weliswaar heeft Aceto aan Agrichem een recht tot verwijzing gegeven, doch dit laat onverlet dat verzoekster nimmer aan Agrichem een letter of access heeft afgegeven op grond waarvan Agrichem gerechtigd zou zijn tot verwijzing naar verzoeksters studies in het EU-dossier. Nu een zodanige letter of access ontbreekt, heeft verweerder bij de beoordeling van de onderhavige toelatingsaanvraag in strijd met artikel 13, derde lid, onder a en c, van Richtlijn 91/414 en artikel 24, aanhef en onder b, Rtb 1995 gebruik gemaakt van beschermde gegevens. Verweerder heeft ten onrechte het gehele EU-dossier bij deze beoordeling betrokken. Weglating van de door verzoekster aan verweerder overgelegde gegevens betekent dat geen sprake is van een volledig dossier, zoals vereist in het kader van een nieuwe toelating. Verweerder had derhalve de gevraagde toelating moeten weigeren, omdat niet was voldaan aan de dossiervereisten die gelden in het kader van een aanvraag tot nieuwe toelating.

Verzoekster is op dit moment op de Nederlandse markt voor bestrijdingsmiddelen de enige aanbieder van een bestrijdingsmiddel met als werkzame stof chloorprofam, als kiemremmingsmiddel met vloeibare toepassing voor consumptie- en fabrieksaardappelen. Toelating van het onderhavige middel, waarvan het toepassingsseizoen loopt van 1 september tot 1 november, leidt ertoe dat Agrichem de directe concurrent van verzoekster is. Verzoeksters financiële positie wordt geschaad indien Agrichem dit middel - in strijd met Richtlijn 91/414 en de Bmw - met gebruikmaking van beschermde gegevens op de markt brengt. Verzoekster heeft er belang bij dat haar de dataprotectie op grond van Richtlijn 91/414 niet op voorhand wordt ontnomen door onrechtmatig gebruik van deze gegevens door derden.

4. Het standpunt van verweerder

Bij zijn reactie op het verzoek om voorlopige voorziening heeft verweerder het volgende naar voren gebracht:

"Het CTB heeft van Agrichem B.V. in 1998, bij het indienen van de aanvraag tot toelating twee letters of access ontvangen. Eén letter of access dateert van 22 juni 1993 en is door Bayer B.V. en Luxan B.V. gezamenlijk afgegeven (…). De andere letter of access dateert van 29 september 1998 (…). Uit deze laatste brief blijkt dat Aceto Brabant Chemie, de rechtsvoorganger van Agrichem B.V., toegang verleent tot het hele Europese dossier betreffende de stof chloorprofam.

Op 24 september jl. is het voornoemde door Aceto nogmaals bevestigd zoals blijkt uit een drietal faxberichten (…).

Gelet op het voorgaande is het CTB van mening dat het bij de beoordeling van de toelating van het middel Tuberprop Basic terecht gebruik heeft kunnen maken van het gehele Europese dossier.

Luxan B.V. stelt in het bezwaarschrift van 11 september jl. onder 3 dat tussen de notifiers is overeengekomen dat pas vanaf het moment van plaatsing van de werkzame stof chloorprofam op Annex 1 van Richtlijn 91/414 mag worden verwezen naar het Europees dossier. Bewijsstukken waaruit het voorgaande blijkt, zoals bijvoorbeeld een kopie van de overeenkomst, heeft Luxan B.V. echter tot op heden niet aan het CTB ter hand gesteld. Overigens is het niet juist zoals Luxan B.V. in het verzoekschrift onder 2 stelt dat zij op dit moment de enige aanbieder van een bestrijdingsmiddel op basis van chloorprofam als kiemremmingsmiddel voor consumptie- en fabrieksaardappelen is.

Agrichem B.V. is aanbieder van aardappel-kiem remmers op basis van de werkzame stof chloorprofam (…). Bovendien brengt ook Chimac-Agriphar S.A. een aardappel-kiem remmer met de werkzame stof chloorprofam op de markt (…)."

Ter zitting heeft verweerder hieraan onder meer toegevoegd dat hij, in aanmerking genomen dat verzoekster en Aceto elkaar over en weer toegang tot het gehele Europese dossier hebben gegeven en dat Aceto zelf geen bestrijdingsmiddelen op de markt brengt, maar hiervoor altijd derden inschakelt, zoals Agrichem, alsmede gezien de in 1998 aan verweerder afgegeven letter of access, terecht heeft gemeend gebruik te mogen maken van het gehele Europese dossier. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 24, aanhef en onder b, Rtb 1995, aldus verweerder.

5. Het standpunt van Agrichem

Agrichem heeft, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht.

In deze zaak bestaat noch voldoende aanleiding om bij wijze van voorlopig oordeel te concluderen dat het door verzoekster bestreden toelatingsbesluit onrechtmatig is, noch is sprake van dreiging van zodanige onomkeerbare gevolgen dat het treffen van een voorlopige voorziening geboden is.

Mede met het oog op de plaatsing van chloorprofam op Bijlage I bij de Richtlijn, hebben verzoekster en Aceto de handen ineengeslagen. Kern van deze samenwerking is dat beide partijen over en weer toegang verlenen tot elkaars gegevens.

De stellingname van verzoekster, dat zij geen letter of access heeft afgegeven aan Agrichem, doet geen recht aan de werkelijke afspraken die Aceto en verzoekster hebben gemaakt. Uit de letters of access van 13 en 19 december 2001 die verzoekster en Aceto elkaar hebben gegeven, valt niet alleen op te maken dat sprake is van een duidelijke beschikbaarstelling van informatie, maar ook dat de doeleinden waarvoor de toegang wordt verleend onbegrensd is. De conclusie moet dan ook zijn dat verzoekster en Aceto elkaar volledige, algemene toegang hebben willen verlenen. Voor zover verzoekster heeft beoogd te stellen dat weliswaar Aceto een letter of access heeft, doch Agrichem niet, betreft dit een gezochte uitleg van de tussen haar en Aceto gemaakte afspraken. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat Aceto zelf uitsluitend de werkzame stof chloorprofam produceert, hetgeen verzoekster bekend is, en dat voor het verwerken daarvan tot bestrijdingsmiddel gebruik wordt gemaakt van bedrijven als Agrichem. In het licht van deze gebruikelijke gang van zaken wist verzoekster bij het afgeven van haar letter of access aan Aceto d.d. 19 december 2001 dat Aceto deze zou gebruiken ten bate van haar partners, als voormeld. Evengenoemde letter of access sluit dit ook niet uit, terwijl ook uit de daags na indiening van het verzoek om voorlopige voorziening aan verweerder toegezonden verklaringen kan worden afgeleid dat Aceto toegang kan verlenen tot het gehele Europese dossier.

Bij het voorgaande moet worden aangetekend dat, nu duidelijk is dat Aceto wél een letter of access heeft, het allesbehalve ondenkbaar dat hangende de bezwaarschriftenprocedure de toelating wordt overgezet op naam van Aceto.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2 Voor het treffen van een voorlopige voorziening in een geval als hier aan de orde is in beginsel slechts plaats wanneer aannemelijk wordt dat aan het dossier waarop de betreffende toelating is gebaseerd zodanige gebreken kleven dat ernstig moet worden betwijfeld of het bewuste bestrijdingsmiddel in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften is toegelaten.

Dit laatste doet zich hier voor. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.

Naar ter zitting is komen vast te staan, hebben zowel verzoekster als Aceto een aanvraag ingediend om opneming van de werkzame stof chloorprofam in bijlage I bij de Richtlijn. Vast staat eveneens, gelet op onder meer de in rubriek 2.2 geciteerde brief van Aceto van 13 december 2001, dat noch verzoekster noch Aceto een volledig dossier hebben ingebracht, in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn. Voorts staat vast dat, zoals verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld, de dossiers van verzoekster en Aceto in 1996 zijn samengevoegd, ten einde een volledig dossier in te brengen.

Om in het kader van een nationale toelatingsaanvraag te mogen verwijzen naar het gehele, zich onder verweerder bevindende, Europese chloorprofam-dossier zal Agrichem, gelet op artikel 24, aanhef en onder b, Rtb 1995, moeten beschikken over een schriftelijke verklaring van zowel verzoekster als Aceto, waaruit blijkt dat geen bezwaar bestaat tegen gebruikmaking van hun gegevens ten behoeve van Agrichem.

Blijkens de beschikbare gegevens is een zodanige verklaring wel door Aceto afgegeven, te weten door middel van de letter of access van 29 september 1998, maar niet door verzoekster. Anders dan Agrichem heeft betoogd, kan de verklaring die Aceto heeft afgegeven niet zien op gegevens die door verzoekster in het Europese dossier zijn ingebracht. Voor die gegevens zal verzoekster zelf een verklaring, als hiervoor bedoeld, moeten afgeven, wil Agrichem hiernaar mogen verwijzen in het kader van haar nationale toelatingsaanvraag. De mededelingen/verklaringen van Aceto van 13 december 2001 en 24 en 26 september 2003 zijn in dit verband dan ook niet relevant. Dit geldt ook voor de door verzoekster in 1993 en 2001 afgegeven letters of access; de letter of access uit 1993 betreft immers gedateerde gegevens, terwijl die uit 2001 slechts de "European (EU), regulatory authority" toegang geeft tot verzoeksters "confidential data on chlorpropham". Dat verzoekster, gelet op de tussen haar en Aceto gemaakte afspraken, waarnaar wordt verwezen in de brieven van 13 en 19 december 2001, Agrichem wellicht toestemming had behoren te verlenen om te mogen verwijzen naar gegevens die door verzoekster in het Europese dossier zijn ingebracht, betreft een civiele aangelegenheid, die hier, in het licht van de publiekrechtelijke regeling, zoals vervat in artikel 13 van de Richtlijn en artikel 24 Rtb 1995, geen rol speelt.

Nu een door verzoekster afgegeven verklaring, als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder b, Rtb 1995, ontbreekt, had Agrichem in het kader van haar toelatingsaanvraag voor het middel Tuberprop Basic de desbetreffende, in artikel 18, eerste lid, Rtb 1995 bedoelde, gegevens, voor zover niet afkomstig van Aceto, zelf over moeten leggen. Verweerder heeft dit miskend. Immers, zoals hij ter zitting heeft verklaard, hij heeft bij de beoordeling van de toelatingsaanvraag van Agrichem gebruik gemaakt van het gehele Europese chloorprofam-dossier, met inbegrip van verzoeksters gegevens, die - onweersproken - op grond van artikel 13, derde lid, van de Richtlijn zijn beschermd.

Dit leidt de voorzieningenrechter tot de, voorlopige, conclusie dat verweerder de toelatingsaanvraag van verzoekster heeft beoordeeld aan de hand van een dossier waarin beschermde gegevens aanwezig waren. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dan ook in strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bmw besloten het middel Tuberprop Basic toe te laten.

6.3 Gelet op het vorenoverwogene moet waarschijnlijk worden geacht dat het besluit van 5 september 2003 tot toelating van dit middel, zo dit bij beslissing op bezwaar al wordt gehandhaafd, door het College, oordelend in beroep niet in stand zal worden gelaten. Gelet hierop en op hetgeen verzoekster in verband met de spoedeisendheid heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, in die zin dat voormeld besluit van 5 september 2003 wordt geschorst, onder de in rubriek 7 gegeven bepalingen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de producenten en hun afnemers een korte periode te laten om in te kunnen spelen op de gevolgen van het hier voor toewijzing gereed liggende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoekster, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,--.

Voor een veroordeling van verzoekster in de proceskosten van Agrichem, zoals ter zitting gevorderd door Agrichem, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van verweerder van 5 september 2003;

- bepaalt dat het middel Tuberprop Basic (toelatingsnummer: 12468 N) wordt behandeld als ware de toelating daarvan niet

verleend;

- bepaalt dat de schorsing en de getroffen voorlopige voorziening gelden met ingang van 20 oktober 2003;

- bepaalt dat de schorsing en de voorlopige voorziening vervallen zes weken na verzending aan verzoekster van de

beslissing op haar bezwaarschrift van 11 september 2003;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van verzoekster, welke worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 232,--(zegge: tweehonderdtweeëndertig euro)

vergoedt;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gegeven door mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, op 14 oktober 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens