Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8036

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-10-2003
Datum publicatie
13-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 16 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten (Stb. 1993, nr. 263, nadien gewijzigd) (hierna: Besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/785 9 oktober 2003

27353 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies regionale investeringsprojecten

Uitspraak in de zaak van:

Holding Roda Kerkrade N.V., te Kerkrade, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. K.M. Bresjer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 16 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten (Stb. 1993, nr. 263, nadien gewijzigd) (hierna: Besluit).

Bij besluit van 24 juni 2002 heeft verweerder zijn besluit van 25 april 2002 herzien.

Op 17 juli 2002 heeft het College een verweerschrift van verweerder ontvangen.

Op 28 augustus 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen B, adviseur van appellante, terwijl aan de zijde van verweerder tevens is verschenen drs. A.P. Bottenberg, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Besluit, dat op grond van artikel 21 van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 op deze zaak van toepassing is gebleven aangezien op de aanvraag voor 1 januari 2000 is beslist, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 20

1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister ten hoogste tweemaal een voorschot worden verstrekt, telkens wanneer ten minste 40 procent van de geraamde subsidiabele kosten zijn gemaakt en betaald.

2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

3. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 7, derde lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de loonkosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald."

In de Nota van Toelichting is met betrekking tot het eerste lid het volgende vermeld:

"In het eerste lid is bepaald, dat een voorschot wordt verstrekt op een subsidie terzake waarvan een toezeggingsbeschikking geldt. Dit impliceert dat, zolang aan een toezegging een opschortende voorwaarde verbonden is, geen voorschotten worden verstrekt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, door verweerder ontvangen op 13 maart 1998, heeft appellante op grond van het Besluit een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie voor de bouw van een evenementencomplex te Kerkrade, genaamd Eurodapark.

- Bij besluit van 12 juli 1999 heeft verweerder de aanvraag om subsidie gedeeltelijk ingewilligd, in dier voege dat subsidie wordt toegekend tot maximaal fl. 3,8 miljoen.

- Bij brief van 9 augustus 1999, ontvangen door verweerder op 12 augustus 1999, en aangevuld bij brief van 8 september 1999, heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt, voor zover de subsidie in omvang is beperkt tot een bedrag van fl. 3,8 miljoen.

- Bij besluit van 7 maart 2000 is het bezwaar ongegrond verklaard.

- Het tegen dit besluit gerichte beroep is door het College bij uitspraak van 15 januari 2002 gegrond verklaard.

- Bij besluit van 25 april 2002 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist, waarbij aan appellante subsidie is toegekend tot maximaal € 2.247.573,00.

- Bij brief van 13 mei 2002 heeft appellante verweerder geattendeerd op enkele omissies in het besluit van 25 april 2002. Nadien heeft appellante verweerder nog een berekening toegezonden van het door haar geleden renteverlies.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 24 juni 2002 genomen.

3. Het besluit van 24 juni 2002

Het besluit van 24 juni 2002 houdt, voor zover van belang, het volgende in.

"In uw brief van 13 mei 2002 geeft u te kennen, dat u van mening bent, dat het in de beschikking van 25 april 2002 vermelde bedrag van de geraamde subsidiabele kosten te laag is vastgesteld. U hebt gevraagd deze misslag te herstellen. Voorts maakt u bezwaar tegen het door mij niet vergoeden van naar u stelt door u gederfde rente.

U hebt uw bezwaren als volgt toegelicht.

De post desinvesteringen is zonder motivering verhoogd tot € 7.487.373,50 (f 16.500.000,00), terwijl de primaire beschikking van 12 juli 1999 uitgaat van het volgens u juiste bedrag van € 1.747.053,85 (f 3.850.000,00). Dit behelst ongewild een reformatio in peius. Voorts lijdt u rentederving, omdat de afwikkeling van de uitspraak van 15 januari 2002 inmiddels reeds meer dan drie maanden heeft gevergd.

Ik ben tot de slotsom gekomen, dat uw eerste bezwaar terecht is.

Uw opvattingen met betrekking tot de door u gederfde rente deel ik daarentegen niet. De door het College vernietigde beschikking betreft een beschikking tot subsidieverlening.

Het recht op uitbetaling van de subsidie ontstaat eerst nadat door mij is beslist op een door u ingediende aanvraag om subsidievaststelling. Aangezien door u nog geen aanvraag om subsidievaststelling is gedaan en er dus nog geen subsidiebedrag is vastgesteld, hebt u geen recht op uitbetaling van de subsidie en kan er derhalve geen sprake zijn van vergoeding van vertragingsrente.

Uw brief van 13 mei 2002 aanmerkend als een verzoek om herziening van mijn besluit van 25 april 2002, beslis ik als volgt.

Ik herroep mijn besluit van 25 april 2002 uitsluitend voor zover het de raming van de subsidiabele kosten betreft. Ik raam de subsidiabele kosten (zie bijlage) op € 28.216.053,83 (f 62.180.000,00). Ik verleen u een subsidie uit hoofde van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten van 10 procent van de subsidiabele kosten. De subsidie bedraagt maximaal € 2.821.605,38 (f 6.218.000,00).

Door mij wordt geen rente vergoed."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante heeft renteverlies geleden, aangezien zij door de te lage verleningen van subsidie wegens een onjuiste toepassing van het Besluit te lage voorschotten heeft kunnen aanvragen. Wanneer verweerder meteen de juiste subsidie had verleend, was dit renteverlies niet opgetreden.

Daarnaast heeft appellante betoogd dat het verstrekken van voorschotten een essentieel beleidselement bij toepassing van het Besluit is. Omdat het Besluit tot doel heeft ondernemers te stimuleren investeringen te doen door premies daarvoor in het vooruitzicht te stellen, ligt het voor de hand deze premies reeds ten tijde van de investering als voorschot ter hand te stellen.

Appellante meent voorts dat het renteverrekening zowel fiscaal als anderszins gemeengoed is geworden. Zij beroept zich daarnaast op het gelijkheidsbeginsel; verweerder heeft in het verleden aan een ander bedrijf in vergelijkbare omstandigheden ook rente vergoed.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep dat was gericht tegen het besluit van 25 april 2002 mede gericht geacht tegen het besluit van 24 juni 2002. Niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 25 april 2002, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De beoordeling richt zich verder op het besluit van 24 juni 2002.

5.2 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat hetgeen partijen verdeeld houdt enkel nog betrekking heeft op de weigering van verweerder appellante een tegemoetkoming in het door haar gestelde renteverlies te verstrekken.

Aangezien de beslissing op het verzoek om vergoeding van het renteverlies onderdeel uitmaakt van de beslissing op bezwaar van 24 juni 2002, staat daartegen rechtstreeks beroep bij het College open.

5.3 Bij de beoordeling stelt het College voorop dat het Besluit zelve geen aanspraak vestigt op vergoeding van renteverlies zoals door appellante is geleden. Van een vaste bestuurspraktijk om, buiten een wettelijke grondslag, rente in rekening te brengen of te vergoeden, is naar het oordeel van het College geen sprake.

5.4 Voor zover echter het beroep is gegrond op de stelling dat appellante schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig handelen van verweerder, slaagt het. Uit de uitspraak van het College van 15 januari 2002 volgt dat zowel het primaire besluit van 12 juli 1999 als de beslissing op bezwaar van 7 maart 2000 rechtens onjuist was. Op grond daarvan is verweerder in beginsel verplicht de schade die appellante als gevolg van die besluiten heeft geleden, aan appellante te vergoeden.

5.5 Naar het oordeel van het College heeft appellante niet ten onrechte gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van voornoemde besluiten, welke schade er meer concreet in bestaat dat zij een renteverlies heeft geleden doordat zij lagere voorschotten heeft aangevraagd en verkregen dan zij zou hebben aangevraagd en verkregen wanneer verweerder in plaats van genoemde besluiten meteen het besluit van 24 juni 2002 had genomen.

Ter zitting is gebleken dat het gangbare bestuurspraktijk was om in het kader van het onderhavige Besluit desgevraagd voorschotten te verstrekken tot 80% van het bij de subsidieverlening in het vooruitzicht gestelde subsidie. Een uitzondering werd gemaakt voor bedrijven die failliet dreigden te gaan. Dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie in het geval van appellante sprake was, heeft verweerder niet gesteld. Er moet dan ook van uit worden gegaan dat appellante rechtens aanspraak kon maken op voorschotten en dat zij, had zij hogere voorschotten op grond van een hogere subsidieverlening aangevraagd, deze ook had gekregen. Dit is in lijn met het in rubriek 2.1 geciteerde gedeelte uit de Nota van Toelichting, waaruit blijkt dat in de regel voorschotten worden verstrekt. Ook moet ervan worden uitgegaan dat appellante een dergelijk verzoek zou hebben gedaan, en dat de enkele reden dat zij destijds geen verzoek tot het verstrekken van hogere voorschotten heeft gedaan is gelegen in het feit dat de subsidie tot een te laag bedrag was verleend en appellante terecht meende niet meer dan 80% van het verleende bedrag als voorschot te kunnen aanvragen.

5.6 Het beroep is derhalve gegrond voor zover het is gericht tegen het gedeelte van het besluit dat inhoudt dat geen rente wordt vergoedt.

In een nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerder tot toekenning van een schadebedrag moeten komen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat aan appellante op 12 juli 1999 de subsidie zou zijn verleend als later in het besluit van 24 juni 2002 is verleend, dat appellante twee maal 40% van dit bedrag als voorschot zou hebben aangevraagd op de momenten dat zij daar redelijkerwijs voor in aanmerking kwam, en dat deze voorschotten binnen de gebruikelijke termijnen zouden zijn vastgesteld en - overeenkomstig artikel 4:55, tweede lid, Awb - binnen vier weken daarna zouden zijn uitbetaald.

5.7. Appellante heeft niet verzocht om een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Ook het College acht daarvoor geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 25 april 2002, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 24 juni 2002, en voor zover het betrekking heeft op de weigering

om rente te vergoeden, gegrond;

- vernietigt dat besluit in zoverre;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellante, met inachtneming van het in

deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat verweerder aan appellante vergoedt het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 218,00, te betalen door

de Staat.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. I.K. Rapmund