Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN8033

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-10-2003
Datum publicatie
13-11-2003
Zaaknummer
AWB 01/29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 11 januari 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 november 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de mededelingen en beslissingen van verweerder inzake de varkensrechten van het bedrijf van appellante in het kader van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv).

Wetsverwijzingen
Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/3628
JOM 2006/979
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/29 7 oktober 2003

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en A-B, te X, appellante,

gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.L. van Veenen, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 11 januari 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 november 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de mededelingen en beslissingen van verweerder inzake de varkensrechten van het bedrijf van appellante in het kader van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv).

Bij brief van 7 februari 2001 heeft appellante de gronden van haar beroep ingezonden.

Bij besluit van 15 augustus 2002 heeft verweerder opnieuw op de bezwaren van appellante beslist.

Bij brief van 24 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 19 augustus 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv), zoals luidend na de op 1 juli 2000 in werking getreden wijziging met terugwerkende kracht tot 1 september 1998 (Staatsblad 2000, 233), welke bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk 2, paragraaf 3, Bhv, wordt onder meer het volgende bepaald:

"1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

a. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,

b. een aanvraag is ingediend om een milieuvergunning, die naar aanleiding van de aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend, dan wel

c. bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer dan wel overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer een of meer meldingen zijn gedaan. Een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane melding wordt slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens.

2. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van deze paragraaf in aanmerking indien ten aanzien van het bedrijf is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is per saldo niet verkleind ten gevolge van de registratie van kennisgevingen van verplaatsingen met betrekking tot dat recht die zijn gedaan in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 of, ingeval het bedrijf na 1 januari 1996 door samenvoeging is ontstaan of een of meerdere malen is overgedragen, in de periode gelegen tussen die samenvoeging of de laatste van die overdrachten en 10 juli 1997;

b. uiterlijk op 1 januari 2003 is binnen de inrichting extra huisvesting gebouwd voor ten minste 75% van het aantal varkens waarvoor extra huisvesting diende te worden gebouwd om alle varkens die mogen worden gehouden ingevolge de verleende milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onderscheidenlijk ingevolge de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van dat lid dan wel het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, te kunnen huisvesten overeenkomstig de verleende milieuvergunning, onderscheidenlijk overeenkomstig de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde milieuvergunning in samenhang met de overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane meldingen, dan wel overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer in samenhang met de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde meldingen;

c. uiterlijk op 1 januari 2003 is op het bedrijf huisvesting voor varkens aanwezig voor tenminste het aantal varkens dat overeenkomt met 85% van het op grond van deze paragraaf vergrote varkensrecht;

d. bij de melding, bedoeld in artikel 2, wordt een afschrift van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en, in voorkomend geval, de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, waarop door het bevoegd gezag de datum van ontvangst is aangetekend, overgelegd. Bij gebreke van een dergelijke aantekening wordt tevens een door het bevoegd gezag afgegeven bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld, overgelegd;

e. binnen zes weken na de verlening van de milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel, indien die verlening vóór de inwerkingtreding van dit besluit heeft plaatsgevonden, binnen zes weken na die inwerkingtreding, wordt een afschrift van de milieuvergunning overgelegd aan het Bureau Heffingen. Op verzoek van het Bureau Heffingen wordt binnen de daarbij aangegeven termijn de milieuvergunning aan dat bureau overgelegd.

(…)

6. Deze paragraaf blijft buiten toepassing indien de vergroting minder dan 10% van het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht zou zijn."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Ten tijde van belang voerde appellante een vleesvarkenshouderij en akkerbouwbedrijf.

- Bij besluit van 2 september 1997 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente X aan A een milieuvergunning verleend voor 390 vleesvarkens. Hierbij is overwogen dat op 1 april 1988 een eerdere vergunning was verleend die betrekking had op het houden van maximaal 200 vleesvarkens, 30 opfokzeugen en 4000 parelhoenders, dat gebleken was dat er meer dieren werden gehouden dan vergund (in 1986 390 vleesvarkens en 6500 parelhoenders), dat legalisatie ingevolge de Interimwet ammoniak en veehouderij (IAV) mogelijk was waarbij de ammoniakemissie zou worden gerealiseerd door voortaan alleen nog vleesvarkens c.q. opfokzeugen te gaan houden, alsmede dat verder geen stallen zouden worden gewijzigd.

- Door toezending van het formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen", door Bureau Heffingen ontvangen op 28 juli 1998, heeft appellante gemeld in aanmerking te willen komen voor categorie 3, geregeld in artikel 9 Bhv.

- Bij besluit van 22 mei 2000 heeft verweerder appellante afgewezen voor dit hardheidsgeval.

- Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Bij het bestreden besluit van 30 november 2000 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

- Bij besluit van 15 augustus 2002 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard.

- Nadat het College op 5 september 2002 uitspraak had gedaan in de zaak AWB 02/293 (www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE7590), heeft op 20 december 2002 een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en appellante over de feitelijke situatie op het bedrijf van appellante.

3. Het besluit van 15 augustus 2002

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, waartoe hij onder meer het volgende heeft overwogen:

"Volgens artikel 9 van het Besluit moet de aangevraagde milieuvergunning zien op een 'vergroting van het aantal te houden varkens'.

De hoofdregel dat de vergroting van het aantal te houden varkens moet blijken uit een vergelijking tussen het aantal varkens in de aangevraagde vergunning (uitgedrukt in ve) en het aantal varkens dat daarvoor vergund was (uitgedrukt in ve), kan niet altijd onverkort worden toegepast. Als er op een bedrijf (zoals in casu) meer varkens zijn gehouden dan er op grond van zijn geldende milieuvergunning gehouden mochten worden, wordt er van deze hoofdregel afgeweken. Bedrijven die zonder of op basis van een ontoereikende milieuvergunning produceerden, hebben op grond van artikel 6 Interimwet Ammoniak en Veehouderij 1994 (hierna: Iav) alsnog een toereikende milieuvergunning kunnen krijgen.

Daarmee wordt hun situatie 'gelegaliseerd'. Op basis van artikel 6 Iav konden gemeenten een bedrijf een milieuvergunning verlenen voor een aantal dieren dat op een peilmoment in het verleden werd gehouden zonder een toereikende vergunning. Uit het feit dat het gaat om een legalisatie van een reeds bestaande situatie volgt dat van een voornemen tot uitbreiding van het aantal te houden varkens, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit hardheidsgevallen, geen sprake is. Uw cliënten komen niet voor categorie 3 van het Besluit in aanmerking.

De brief van Directeur-generaal Kalden van 15 december 1999 beschrijft slechts de algemene hoofdregel dat er vergeleken wordt tussen de dieraantallen in de vorige en de nieuwe milieuvergunning (zie hierboven), en gaat niet in op de specifieke situatie van het legaliseren ingeval van een ontoereikende milieuvergunning."

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat in haar geval sprake is van een vergroting van het aantal te houden varkens, omdat zij onder de nieuwe vergunning meer vleesvarkens mocht houden dan onder de oude vergunning, namelijk 390 in plaats van 200. Appellante heeft zich hierbij beroepen op een brief van de Directeur-Generaal van verweerders ministerie van

15 december 1999, waarin deze te kennen geeft dat bij de toepassing van artikel 9 Bhv een vergelijking moet worden gemaakt met het aantal varkens dat voorheen rechtens mocht worden gehouden.

Appellante heeft voorts naar voren gebracht dat milieuvergunningtechnisch gezien wel degelijk is beoogd de productiecapaciteit te vergroten. Om de gevraagde vergunning te verkrijgen heeft appellante haar vergunningrechten voor 4000 parelhoenders ingeleverd. Zij heeft zich dus een opoffering getroost om de gevraagde vergunning te kunnen verkrijgen en het aangevraagde aantal varkens te mogen houden. Deze opoffering is te zien als een investering.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep dat was gericht tegen het besluit van 30 november 2000 mede gericht geacht tegen het besluit van 15 augustus 2002. Niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 30 november 2000, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De beoordeling richt zich verder op het besluit van 15 augustus 2002.

5.2 In geschil is of appellante voldoet aan het criterium van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van het Bhv, dat haar een milieuvergunning is verleend ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens.

Het College is van oordeel dat dit niet het geval is, aangezien de milieuvergunning die appellante is verleend betrekking had op het aantal varkens dat zij reeds feitelijk hield. Dat dit aantal groter was dan appellante volgens de voorheen geldende milieuvergunning mocht houden, is in dit kader niet van belang, aangezien artikel 9 Bhv alleen een voorziening beoogt te treffen voor varkenshouders die bezig waren hun varkensstapel daadwerkelijk te vergroten, waarbij als voorwaarde is gesteld dat een milieuvergunning is aangevraagd of verleend om deze vergroting te kunnen realiseren.

5.3 Het beroep van appellante op de brief van 15 december 1999 gaat niet op. Nog afgezien van het feit dat artikel 9 Bhv geen vrijheid aan verweerder laat een nadere invulling aan genoemd artikel te geven, moet worden vastgesteld dat in de brief niet wordt ingegaan op de specifieke situatie van appellante dat een milieuvergunning wordt verstrekt ter legalisering van een situatie waarin meer varkens dan voorheen vergund worden gehouden. Dat (ook) in een dergelijk geval aanspraak op extra varensrechten zou ontstaan, is uit de brief dus niet af te leiden.

5.4 Het College verwijst voorts naar zijn uitspraak van 5 september 2002 (AWB 02/293, www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE7590), waarin het heeft uitgemaakt dat artikel 9 Bhv ziet op de situatie waarin vóór 10 juli 1997 investeringsverplichtingen zijn aangegaan met het oog op vergroting van het aantal varkens (uitgedrukt in varkenseenheden) dat feitelijk wordt gehouden. Een dergelijke situatie doet zich bij appellante niet voor.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 30 november 2000, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 augustus 2002, ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.S. Hoppener