Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AN7049

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
03-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/1997
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 19 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 12 november 2002 van verweerder. Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juni 2002 van verweerder, strekkende tot intrekking van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:179, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor het oprichten van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 469 met annotatie van J.H. van der Veen
JB 2003/357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1997 23 oktober 2003

24200 Verklaring van geen bezwaar rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

A, wonende te X, appellante,

gemachtigde: mr. N. Zandvliet, advocaat te Den Haag,

tegen

de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. S.M. Berndsen en mr. V.J. Matroos, beiden werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 19 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 12 november 2002 van verweerder. Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juni 2002 van verweerder, strekkende tot intrekking van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 2:179, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor het oprichten van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Bij brief van 17 januari 2003 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Bij brief van 21 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 maart 2003 heeft appellante desgevraagd informatie verstrekt en een nader stuk ingezonden.

Bij brief van 8 april 2003 heeft verweerder desgevraagd een nadere toelichting en een aantal stukken ingezonden.

Bij brief van 3 september 2003 heeft appellante een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2003. Aldaar waren aanwezig appellante en de gemachtigden van partijen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 2:175, tweede lid, BW is voor oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid een verklaring vereist van de Minister van Justitie dat hem van geen bezwaren is gebleken.

Artikel 2:179, tweede lid, BW bepaalt dat de verklaring alleen mag worden geweigerd op grond dat er, gelet op de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de vennootschap zullen bepalen of mede bepalen, gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden of dat haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van haar schuldeisers.

In de Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en statutenwijzigingen van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Staatscourant 1985, 227), zoals gewijzigd op 10 september 1998 (Staatscourant 1998, 195; hierna: Richtlijnen) heeft verweerder uiteengezet hoe hij verzoeken om afgifte van een verklaring van geen bezwaar beoordeelt. In de Richtlijnen is onder meer het volgende bepaald:

"Paragraaf 1

(…)

Indien gerede twijfel bestaat aan de (morele of financiële) betrouwbaarheid of integriteit van bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen, wordt de gevraagde verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap geweigerd. In die gevallen kan immers worden aangenomen dat er gevaar bestaat dat hetzij de vennootschap voor ongeoorloofde doeleinden zal worden gebruikt, hetzij haar werkzaamheid zal leiden tot benadeling van schuldeisers. De beoordeling van de betrouwbaarheid en integriteit vindt plaats aan de hand van een controle op criminele en financiële antecedenten.

In bijlage A bij deze richtlijnen wordt aangegeven welke criminele, respectievelijk financiële antecedenten in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en de integriteit van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen.

Bij gebleken criminele antecedenten, zoals hiervoor bedoeld, wordt steeds de aard van de aan het antecedent ten grondslag liggende (verweten) gedraging bezien in relatie tot de voorgenomen activiteiten van de op te richten vennootschap. Een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap wordt niet geweigerd wanneer dat, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de recente (persoonlijke) ontwikkeling van betrokkene en het gevaar voor misbruik van de vennootschap in relatie tot de voorgenomen bedrijfsuitoefening kennelijk onredelijk is.

(…)

(…)

Bijlage A

(…)

1. Inleiding

In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de criminele respectievelijk financiële antecedenten, die in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende personen.

Bij het zich voordoen van een crimineel antecedent zoals hier wordt bedoeld, is dat aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek naar de achtergrond van de aanvrager en van de oprichting. Voor de vraag of in een concreet geval de verklaring van geen bezwaar moet worden geweigerd dan wel afgegeven, worden alle bekende feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien en gewogen. Indien uit die feiten en omstandigheden blijkt dat er gegronde reden is om aan de (morele of financiële) betrouwbaarheid te twijfelen, wordt de verklaring van geen bezwaar geweigerd.

2. Criminele antecedenten

Onder criminele antecedenten, op basis waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat de morele betrouwbaarheid of integriteit in het geding is, en die in beginsel kunnen leiden tot weigering van een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap, worden in ieder geval de volgende omstandigheden verstaan:

A. Veroordelingen

De betrokken persoon is bij rechterlijke uitspraak, uitgesproken in de acht jaren voorafgaand aan de dagtekening van de aanvraag, dan wel na die datum doch voor de beslissing op de aanvraag, veroordeeld terzake van één of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:

- Wetboek van strafrecht: de artikelen (…) 416, 417, 417bis (heling) (…);

(…)

- Wet economische delicten (…);

(…)

(…)

D. Sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

De betrokken persoon wordt terzake van één of meer van de hiervoor onder A genoemde strafbare feiten niet (verder) vervolgd, om een andere reden dan ongefundeerdheid van de gerezen verdenking, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

E. Andere feiten of omstandigheden

Andere bekende en relevante feiten, de betrokken persoon betreffende, voor zover die blijken uit door de politie opgemaakte processen-verbaal of rapporten, die een (vermoedelijke) ernstige inbreuk op de rechtsorde betreffen en waaruit ernstige twijfel aan de betrouwbaarheid of integriteit van betrokkene kan worden afgeleid.

(…)."

2.2 Op grond van de gedingstukken en het onderzoek ter zitting zijn voor het College de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Door middel van een formulier, gedagtekend 19 september 2001, is verweerder door tussenkomst van een notaris verzocht om een verklaring van geen bezwaar voor het oprichten van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C. Op het aanvraagformulier wordt appellante genoemd als oprichtster, bestuurster en aandeelhoudster van de op te richten vennootschap.

- Bij brief van 5 februari 2002 heeft verweerder de notaris onder meer het volgende medegedeeld:

"Hierbij deel ik u mee dat ik de onderhavige aangelegenheid aan de Hoofdofficier van Justitie bij het Landelijk Parket te 's-Gravenhage heb gezonden met het verzoek mij in te lichten over één of meer geconstateerde antecedent(en). Dit betreft één of meer aangetroffen openstaande zaken, veroordeling(en) en/of transactie(s) binnen de afgelopen acht jaar, van één of meer bij de oprichting betrokken beleidsbepalende personen.

(…) Nadat ik van de Hoofdofficier van Justitie bericht heb ontvangen, zal ik u zo spoedig mogelijk inlichten."

- Op 13 maart 2002 heeft een medewerker van verweerder telefonisch contact gehad met het Landelijk Parket. Van dit gesprek is geen verslag gemaakt.

- Bij besluit van 13 maart 2002 heeft verweerder de ten behoeve van de oprichting van C gevraagde verklaring van geen bezwaar afgegeven.

- Bij brief van 14 maart 2002 is verweerder namens de officier van justitie van het Landelijk Parket onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

A werd en wordt verdacht van heling en het overtreden van de wet wisselkantoren, de wet mot en de wif.

(…)

In X werd in (…) 1999 en 2000 door een aantal personen, welke vermoedelijk in georganiseerd verband opereerden, op grote schaal gelden gewisseld. De spil van deze (vermoedelijke witwas-) organisatie was de pakkettenservice van H, waar zij ook werkzaam was. In deze winkel werden ook op grote schaal moneytransfers naar en van Z uitgevoerd.

(…)

In de periode van 1 juli 1999 tot en met 14 april 2000 heeft A een twaalftal valutawisselingen uitgevoerd. Zij heeft verklaard dat zij dit deed voor F zonder dat zij wist van wie dat geld was, behalve dat het niet van F kon zijn. Zij dacht dat het geld waarschijnlijk afkomstig was uit het criminele verkeer, omdat die mensen het anders zelf wel zouden wisselen. A wisselde ook geld in opdracht van H. Het geld kwam van haar onbekende personen.

(…)

A heeft zich wel degelijk bedacht dat de te wisselen gelden van misdrijf afkomstig konden zijn.

(…)

Op 21 februari 2001 is A door de Rotterdamse rechtbank vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Tegen dit vonnis is het openbaar ministerie in hoger beroep gegaan. De verwachting is dat het Hof net voor of net na de zomer deze zaak behandel[t].

(…)."

- Op 19 maart 2002 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen een medewerker van verweerder en de notaris. Van dit gesprek is geen verslag gemaakt.

- Bij faxbericht van 22 maart 2002 heeft de notaris verweerder medegedeeld dat het niet aan hem is de reeds verstrekte verklaring terug te zenden en dat hij appellante hooguit zijn ministerie kan weigeren.

- Bij brief van 27 maart 2002 heeft verweerder de notaris onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

De verdenking van overtreding van artikel 417 SR is een crimineel antecedent dat op grond van paragraaf 1 van de Richtlijnen 1986, laatstelijk gewijzigd op 10 september 1998, wordt meegewogen om te bepalen of ter zake twijfel bestaat aan de morele of financiële betrouwbaarheid van de aanvrager.

Mede gelet op de verdenking van de overtreding in relatie tot het doel van de vennootschap en de inmiddels van de Officier van Justitie verkregen informatie dien ik tot een heroverweging te komen van mijn eerder genomen beslissing en bestaat bij mij op dit moment alsnog ernstige twijfel aan de morele betrouwbaarheid en integriteit van de bij de vennootschap betrokken beleidsbepalende persoon A voornoemd, waardoor gevaar bestaat dat de vennootschap zal worden gebruikt voor ongeorloofde doeleinden. Op basis van deze overwegingen acht ik voldoende gronden aanwezig de verklaring van geen bezwaar niet af te geven.

Ik ben dan ook voornemens in deze aangelegenheid afwijzend te beschikken. (…)

(…)."

- Bij brief van 11 april 2002 heeft appellante haar zienswijze aangaande evenbedoeld voornemen aan verweerder kenbaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het in rubriek 1 van deze uitspraak omschreven besluit van 6 juni 2002 genomen.

- Bij brief van 18 juli 2002 heeft appellante bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 juni 2002.

- Nadat appellante op 9 augustus 2002 was gehoord over haar bezwaar en zij bij brief van 18 september 2002 nadere informatie had verstrekt, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In zijn besluit van 12 november 2002 heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor het oprichten van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: verklaring van geen bezwaar) niet mag worden ingetrokken. Een besluit mag worden ingetrokken indien het evident onjuist is. Indien een besluit wordt ingetrokken wegens niet aan de belanghebbende te wijten onjuistheid is de mate van onjuistheid van het besluit van belang. Naarmate de onjuistheid van een besluit evidenter is, is de verwachting van de belanghebbende dat intrekking van dat besluit achterwege zal blijven minder gerechtvaardigd.

Appellante wist dat een antecedent als het hare zou kunnen leiden tot weigering van de verklaring van geen bezwaar en zij wist ook dat tegen de vrijspraak hoger beroep was ingesteld. Verweerder heeft snel ingezien dat een evidente fout was gemaakt en heeft dat al op 19 maart 2002 aan de notaris laten weten. De belangen die het preventief toezicht op de oprichting van vennootschappen beoogt te dienen, voorkoming van misbruik en benadeling van schuldeisers, moeten zwaarder wegen dan de belangen van appellante en haar beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

De verklaring van geen bezwaar is, anders dan in het primaire besluit is vermeld, geweigerd op grond van bijlage A, rubriek 2, onder D, van de Richtlijnen.

Appellante heeft terecht aangevoerd dat de enkele mededeling van het Openbaar Ministerie dat tegen een vrijspraak hoger beroep is ingesteld niet kan leiden tot het weigeren van een verklaring van geen bezwaar. Deze mededeling was dan ook niet de enige reden om de verklaring te weigeren. Gelet op de feiten waarop de vrijspraak betrekking heeft, had de verklaring van geen bezwaar hoe dan ook niet zonder meer mogen worden afgegeven en was nader onderzoek noodzakelijk geweest.

Appellante wordt verdacht van heling, overtreding van artikel 4 van de Wet op de wisselkantoren, artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de Wet identificatie bij financiële dienstverlening. Deze strafbare feiten zijn zonder meer in relatie te brengen met de doelstellingen van de op te richten vennootschap, te weten het overmaken van gelden van Nederland naar Z, het verzorgen van reistickets en het onderhouden van pakketdiensten van en naar Z. Juist ten aanzien van deze activiteiten wordt appellante verdacht van het plegen van strafbare feiten.

Verweerder heeft niet alleen acht geslagen op de mededeling van het Openbaar Ministerie, maar heeft ook het vonnis van de rechtbank Rotterdam en een groot aantal processen-verbaal bestudeerd. Daaruit is gebleken dat appellante, ook al is zij vrijgesproken, wel heel gemakkelijk grote sommen geld voor anderen wisselt, zonder zich te willen afvragen waar het geld vandaan komt en ondanks haar verklaring dat zij het niet helemaal vertrouwde. Deze instelling van appellante vormt grond voor twijfel aan haar betrouwbaarheid en maakt dat het gevaar bestaat dat de op te richten vennootschap zal worden gebruikt voor ongeoorloofde doeleinden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft met name het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De intrekking van de verklaring van geen bezwaar is onrechtmatig, reeds nu sprake is van een aflopende beschikking, die naar haar aard niet voor intrekking vatbaar is. Afgezien daarvan heeft een antecedentenonderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat appellante is vrijgesproken. Op 13 maart 2002 had verweerder bekend kunnen zijn of het Openbaar Ministerie al dan niet hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Appellante heeft alle gevraagde informatie naar waarheid verstrekt. Onder deze omstandigheden mocht zij erop vertrouwen dat verweerder niet zou terugkomen van zijn besluit tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar. Intrekking van dat besluit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Voorts is het besluit tot intrekking onredelijk en onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

Van zwaarwegende redenen voor intrekking is geen sprake: de vennootschap zal niet voor ongeoorloofde doeleinden worden gebruikt. Afgezien daarvan kan repressief toezicht op de vennootschap worden uitgeoefend. Appellante heeft een economisch belang bij oprichting van de vennootschap en stelt zich op het standpunt dat verweerder de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden door verweerders besluitvorming moet vergoeden.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Bij besluit van 6 juni 2002 heeft verweerder zijn besluit van 13 maart 2002 tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor het oprichten van C ingetrokken. Hoewel verweerder de aanvraag om afgifte van deze verklaring niet met zoveel woorden alsnog heeft afgewezen, moet naar het oordeel van het College het besluit van 6 juni 2002 mede worden aangemerkt als een impliciete afwijzing van de aanvraag van appellante, welke afwijzing bij het bestreden besluit is gehandhaafd. De bewoordingen van het bestreden besluit, waarin is gesproken van het weigeren van een verklaring van geen bezwaar, wijzen ook in deze richting.

Ingevolge artikel 2:284a, aanhef en onder b, BW kan de aanvrager, na voorafgaand bezwaar bij verweerder op de voet van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bij het College beroep instellen tegen een besluit tot weigering van een verklaring van geen bezwaar.

Naar het oordeel van het College bestaat tussen de intrekking van een verklaring van geen bezwaar en het weigeren van een dergelijke verklaring een zodanig nauwe samenhang, dat concentratie van rechtsmacht wenselijk moet worden geacht. Gelet hierop acht het College zich ook bevoegd tot kennisneming en beoordeling van het beroep van appellante tegen het besluit tot handhaving van de intrekking van de verklaring van geen bezwaar.

5.2 Het College volgt appellante niet in haar stelling dat een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor het oprichten van een vennootschap niet voor intrekking vatbaar is. Niet kan worden staande gehouden dat voor zulk een intrekking een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist. Evenmin impliceert de omstandigheid dat verweerder het na het nemen van een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar niet meer in eigen hand heeft of de betrokken vennootschap daadwerkelijk wordt opgericht en, zo ja, wanneer dat gebeurt, dat verweerder nooit zou kunnen overgaan tot intrekking van een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar. In elk geval bestond voor verweerder, nu in casu nog geen sprake was van de oprichting van een vennootschap, in beginsel de mogelijkheid de verleende verklaring van geen bezwaar in te trekken en - opnieuw op de aanvraag beslissende - deze verklaring alsnog te weigeren. Aan de hand van de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval zal moeten worden beoordeeld of de intrekking van een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar rechtmatig is te achten.

5.3 Verweerder heeft (de handhaving in bezwaar van) het besluit tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar doen steunen op het standpunt dat de afgifte van deze verklaring evident onjuist was, zodat aan het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geen doorslaggevende betekenis toekomt.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Gesteld noch gebleken is dat appellante bij haar aanvraag om een verklaring van geen bezwaar onjuiste gegevens heeft verstrekt.

Uit zijn brief van 5 februari 2002 blijkt dat verweerder op de hoogte was van de tegen appellante gerezen verdenking van het plegen van strafbare feiten en dat hij hiernaar nader onderzoek zou verrichten alvorens op de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar te beslissen. In aanmerking genomen voorts dat appellante ten tijde van de afgifte van de verklaring van geen bezwaar was vrijgesproken door de rechtbank Rotterdam, kan naar het oordeel van het College niet worden staande gehouden dat het appellante duidelijk had moeten zijn dat verweerder de verklaring ten onrechte had afgegeven en dat zij daarom rekening had dienen te houden met het ongedaan maken van deze afgifte. Bepleitbaar is immers dat de afgifte van de verklaring er blijk van gaf dat verweerder weloverwogen in de vrijspraak, waarvan hij telefonisch op de hoogte was gesteld, aanleiding had gevonden appellante voldoende betrouwbaar en integer te achten.

In dit verband overweegt het College het volgende.

Naar het oordeel van het College moet bijlage A, rubriek 2, onder D, van de Richtlijnen, waarop verweerder zich in dezen heeft beroepen, zo worden gelezen dat een vrijspraak grond kan vormen voor weigering van een verklaring van geen bezwaar, tenzij uit deze vrijspraak blijkt dat de gerezen verdenking ongefundeerd is. Indien immers uit het betreffende vonnis of arrest zou blijken dat de gerezen verdenking ongefundeerd is, valt niet in te zien op welke grond een verklaring van geen bezwaar zou kunnen worden geweigerd. Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2001 in de strafzaak tegen appellante niet blijkt dat de tegen appellante gerezen verdenking ongefundeerd is.

Het College wijst er voorts op dat uit artikel I, onderdeel A, en bijlage A, rubriek I, van de Richtlijnen volgt dat de omstandigheid dat sprake is van een antecedent in de zin van de Richtlijnen niet zonder meer impliceert dat een verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd. In de Richtlijnen is uiteengezet dat het zich voordoen van een dergelijk antecedent aanleiding vormt tot het instellen van een nader onderzoek naar de achtergrond van de aanvrager en van de oprichting, waarbij alle bekende feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang worden bezien en gewogen. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat hij niet alleen is afgegaan op mededelingen van het Openbaar Ministerie, maar dat hij ook het rechtbankvonnis en een groot aantal processen-verbaal heeft bestudeerd. Het College stelt vast dat deze processen-verbaal zich niet bij de stukken van het onderhavige geding bevinden, hetgeen de rechterlijke controle bemoeilijkt. Dit klemt temeer, nu uit de gedingstukken niet blijkt op welke feiten de strafrechtelijke verdenking nu precies betrekking heeft. In het bestreden besluit wordt weliswaar in algemene termen gesproken over de jegens appellante bestaande verdenking, die onder meer was gerezen doordat appellante ten behoeve van derden een aantal valutatransacties heeft verricht, doch een voor het verkrijgen van de vereiste duidelijkheid noodzakelijke uiteenzetting aangaande vragen als hoe deze transacties precies hebben plaatsgevonden en om welke bedragen het daarbij ging, heeft verweerder niet gegeven. Zeker nu appellante is vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd, had een meer specifieke, op de feiten en omstandigheden van het geval toegespitste motivering niet mogen ontbreken.

5.4 Op grond van hetgeen in § 5.3 is overwogen is het College van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zoals voorgeschreven in artikel 7:12, eerste lid, Awb.

Het College zal derhalve het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

Het College zal bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed en zal verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

5.4 Het College vat appellantes stelling dat verweerder verplicht is tot schadevergoeding op als een verzoek verweerder met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, Awb te veroordelen tot schadevergoeding. Het College ziet reeds geen plaats voor toewijzing van dit verzoek, omdat het, indien vernietiging wegens een motiveringsgebrek plaatsvindt, niet onmogelijk is dat nadere besluitvorming geen ander resultaat oplevert dan waartoe het primaire besluit leidt. Het al dan niet bestaan van schade zal in een dergelijk geval eerst kunnen worden vastgesteld nadat nadere besluitvorming heeft plaatsgevonden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- (zegge: honderdnegen euro) aan

haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die genoemde bedragen moet vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. C.J. Borman en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen