Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL8211

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
10-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 23 april 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een ontwikkelingssubsidie op grond van het Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten, Stb. 2001, 203 (hierna mede: het Besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/689 28 augustus 2003

27369 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten

Uitspraak in de zaak van:

Twister B.V., te Rijswijk, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Schilperoort en mr. R. Volkers, beiden werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 23 april 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een ontwikkelingssubsidie op grond van het Besluit subsidies technische ontwikkelingsprojecten, Stb. 2001, 203 (hierna mede: het Besluit).

Op 30 augustus 2002 heeft het College het verweerschrift ontvangen.

Op 24 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader uiteen hebben gezet. Voor appellante waren voorts aanwezig B en C.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit luidt voorzover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. ontwikkelingsproject: een creatieve, systematische activiteit, gericht op het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, dan wel wezenlijke onderdelen daarvan, die nieuw zijn voor Nederland, en waaraan substantiële technische risico's en daaruit voortvloeiende financiële risico's zijn verbonden;

(…)

Artikel 2

Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject uitvoert (…)

Artikel 5

1. Er is een adviescommissie Technische Ontwikkelingsprojecten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een subsidie op grond van dit besluit.

(…)

Artikel 9

1. Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:

a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

(…)

Artikel 10

1. Onze Minister wint omtrent aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9, eerste lid, afwijzend is beslist, het advies in van de adviescommissie Technische Ontwikkelingsprojecten.

2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies indien:

a. onvoldoende aannemelijk is, dat het ontwikkelingsproject zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;

(…)

Artikel 11

1. Onze Minister beslist afwijzend op de aanvraag, indien de adviescommissie Technische Ontwikkelingsprojecten een negatief advies heeft uitgebracht.

2. Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

(…)"

In de artikelsgewijze toelichting bij het Besluit is met betrekking tot artikel 1, voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

"Een ontwikkelingsproject heeft betrekking op de fase van <<preconcurrentiële ontwikkeling>>, zoals gedefinieerd in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (PbEG 1996, C 45). Daarbij gaat het om het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten. (…)

Preconcurrentiële ontwikkeling staat van alle fasen van onderzoek en ontwikkeling het dichtst bij de markt. Het omvat nog de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, processen of diensten worden verstaan en eerste demonstratie- of modelprojecten, voor zover deze projecten niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt.

(…)

Aan het ontwikkelingsproject moeten ook duidelijke technische risico's verbonden zijn, waarvan de financiële gevolgen de draagkracht van de onderneming te boven gaan."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een in 2001 opgerichte vennootschap, waarin is geïnvesteerd door D te X, E te Y en F te Z. D en G houden elk 40 % van de aandelen van appellante en 20 % van de aandelen is in handen van E.

- Blijkens onderdeel 9 van de aandeelhoudersovereenkomst van 12 maart 2001 zijn de drie investeerders een initiële investering in appellante overeengekomen van 3,4 miljoen US dollar (hierna: USD) en een additionele investering van 27 miljoen USD. Blijkens bijlage B bij deze overeenkomst heeft appellante zich ter vergoeding van het gebruik van de rechten ten aanzien van de Twistertechnologie jegens G verbonden 6,8 miljoen USD te betalen, waarvan de helft binnen dertig dagen na overeenkomst en de andere helft na verkoop van een Twisterinstallatie verschuldigd is.

- De op 1 mei 2001 van appellante ontvangen aanvraag, die bij brief van 15 mei 2001 is aangemerkt als aanvraag op grond van het Besluit, heeft blijkens het daarbij gevoegde projectplan betrekking op de ontwikkeling van de Twister technologie voor aardgasbehandeling in tropische klimaatzones. Deze technologie is een behandeling van aardgas, waarbij door middel van adiabatische expansie water en olie uit het aardgas worden verwijderd. Bij een dergelijke behandeling vormt het dauwpunt van het behandelde aardgas een belangrijke parameter. Dit dauwpunt hangt samen met de minimumtemperatuur in het afzetgebied. Bij een druk van 70 bar is thans een dauwpunt haalbaar van circa 15° C, welk dauwpunt alleen voldoet voor de toepassing in tropische klimaatzones. Appellante stelt dat het project is gericht op de ontwikkeling van een prototype van de Twisterinstallatie met twee verticale twisterbuizen en de benodigde complementaire technologieën voor tropische klimaatzones en het houden van veldtesten van dit prototype in Leermens, waarbij de hoge vloeistofbelasting die doorgaans in dergelijke klimaatzones voorkomt zal worden gesimuleerd door injectie van extra vloeistof. Appellante begroot de totale ontwikkelingskosten van het project op 9 miljoen gulden, waarvan 1,5 miljoen voor haar eigen ontwikkelingsactiviteiten en 7,5 miljoen als kosten voor bij derden uitbestede ontwikkelingsactiviteiten. Voor de financiering van het eigen aandeel heeft appellante verwezen naar de aandeelhoudersovereenkomst.

- Appellante heeft in het kader van de aanvraag stukken overgelegd met betrekking tot een - door tussenkomst van de Maleisische onderneming H - ontvangen opdracht tot het (begin 2003) plaatsen van een tropische Twister installatie voor I in Maleisië, over welke order vanaf in ieder geval januari 2001 correspondentie heeft plaatsgevonden. In haar toelichting bij deze order heeft appellante gesteld dat deze Twister unit deel uitmaakt van een grotere gaswinnings- en behandelingsinstallatie en dat dit de reden vormt waarom de opdracht reeds nu is verstrekt. Zij wijst er op dat sprake is van twee parallel lopende trajecten, namelijk een algemeen productontwikkelingstraject gericht op Twister installaties in tropische klimaatzones en een klantspecifiek ontwerptraject gericht op de Twister installatie voor I, doch stelt dat de activiteiten en de financiën van de twee trajecten zijn gescheiden. Wel erkent appellante dat een groot deel van de resultaten van het algemene ontwikkelingstraject als input zal dienen voor het ontwerptraject. Voorts wijst appellante er op dat zij, indien de aan I geleverde Twister installatie niet voldoet aan de overeengekomen specificaties, verplicht is voor eigen rekening en risico werkzaamheden te verrichten die specificaties alsnog te bereiken, zulks tot het bedrag van de investering van I in de Twister van 10 miljoen USD is geëvenaard.

- Blijkens de overgelegde stukken met betrekking tot voormelde order heeft het overeengekomen investeringsbedrag, na aftrek van nader aangeduide kortingsbedragen, vrijwel uitsluitend betrekking op de "all inclusive Lump-sum Price for design, materials, procurement, manufacture, assembly, testing, inspection and delivery" van "Twister runs c/w internals" en "Secondary Separators c/w internals and heater system", exclusief werkzaamheden.

- Nadat verweerder van appellante aanvullende informatie heeft ontvangen, heeft op 7 september 2001 een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen medewerkers van Senter en appellante. Naar aanleiding van een en ander is bij fax van

10 september 2001 door Senter aan appellante bericht dat de door haar verstrekte informatie ten aanzien van twee belangrijke criteria niet overtuigend overkomt. Deze fax luidt voorzover hier van belang:

"1. noodzaak financiering: op grond van de aandeelhouders overeenkomst, het actuele financiële overzicht en de eerder toegekende BTS subsidie achten wij het niet aannemelijk dat het Twister Tropisch project, waarop de aanvraag betrekking heeft, zonder TOP niet of met belangrijke vertraging wordt uitgevoerd. Met het oog op de lopende order voor Maleisië en het belang van de succesvolle marktintroductie van deze eerste Tropische Twister, lijkt het logisch dat in geval van onverwachte financiële problemen langere termijn R&D werkzaamheden eerder op 'hold' gezet worden.

2. ontwikkelingsproject in de zin van het besluit: wij hebben op grond van uw beschrijvingen de indruk dat het een project met technische risico's betreft. Uit uw omschrijving van de activiteiten blijkt echter dat het in het project in deze fase met name om het bouwen, testen, optimaliseren en valideren van eerder bedachte concepten gaat. We missen de creatieve ontwikkelfase en hebben de indruk dat de activiteiten engineering werkzaamheden betreffen die gangbaar zijn in deze industrie."

In de fax van 10 september 2001 stelt Senter tevens dat de door appellante verstrekte aanvullende informatie niet compleet, onvoldoende specifiek en niet consistent is. Naar aanleiding hiervan heeftt Senter nadere vragen aan appellante gesteld, met het verzoek deze uiterlijk op 14 september 2001 te beantwoorden.

- Bij fax van 14 september 2001, voorzien van bijlagen, heeft appellante haar reactie verzonden. Hierin heeft zij onder meer uiteengezet dat voor alle - naar klimaatzones onderscheiden - Twisterprojecten gebruik wordt gemaakt van de proefinstallatie in Leermens, waarin appellante reeds meer dan 30 miljoen gulden heeft geïnvesteerd. In verband met de hoge afschrijvingskosten van de proefinstallatie is het niet mogelijk R&D activiteiten "on hold" te zetten en commercieel is het niet haalbaar alle met de proefinstallatie gemoeide kosten op één Twister-project te boeken. Zij stelt dat het bij een doorbraaktechnologie als de onderhavige normaal is om voor meerdere toepassingen volgtijdelijk R&D uit te voeren. Met betrekking tot het Twister Tropisch project stelt appellante zich op het standpunt dat de werkzaamheden in verband met de order Maleisië in subsidietermen eigenlijk moet worden aangemerkt als een "demo-project" of, eerder nog, een praktijkexperiment.

- Op 22 oktober 2001 heeft de adviescommissie Technische Ontwikkelingsprojecten (hierna: de adviescommissie) aan verweerder geadviseerd de aanvraag met betrekking tot het project Twister Tropisch af te wijzen op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 10, tweede lid, van het Besluit. Dit advies luidt voorzover van belang als volgt:

"De Commissie is van mening dat:

- Het geen project in de zin van de regeling betreft. Het is niet duidelijk, inzichtelijk gemaakt welk deel voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd en welk deel in opdracht uitgevoerd wordt.

- onvoldoende aannemelijk is dat het project zoals ons voorgelegd zonder de TOP-subsidie niet of met belangrijke vertraging wordt uitgevoerd; het project is in vergaande staat van afronding. De order voor Maleisië is aangegaan en er zal geleverd moeten worden."

- Bij besluit van 29 oktober 2001 heeft verweerder, onder verwijzing naar en overneming van de inhoud van het advies van de adviescommissie, de aanvraag afgewezen.

- Tegen dat besluit heeft appellante bij brief van 6 december 2001 bezwaar gemaakt, naar aanleiding waarvan op 24 januari 2002 een hoorzitting heeft plaatsgevonden. In bezwaar heeft appellante - samengevat - gesteld dat het hele project Twister Tropisch voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd, alsmede dat de product-ontwikkeling niet in vergaande staat van afronding is aangezien deze pas in januari 2002 begint op de proefinstallatie in Leermens, die eind 2002 zal worden ontmanteld. De productontwikkeling moet in juni 2002 klaar zijn om te kunnen voldoen aan de Maleisië-order. Hoewel in verband met die order tegen de aandeelhouders wordt gezegd dat in dit verband sprake is van een verkochte Twister installatie, zal bij het niet tijdig operationeel zijn van de Twister Tropisch technologie worden gekozen voor het plaatsen van een conventionele gasscheidingsinstallatie.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

"De Adviescommissie heeft geadviseerd tot afwijzing van het verzoek op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, en 10, aanhef, tweede lid, onder a, van het Besluit. Naar de mening van de Adviescommissie is onvoldoende duidelijk welk deel voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd en is onvoldoende aannemelijk dat het project zonder subsidie niet of met belangrijke vertraging kan worden afgerond. Bovendien is de Adviescommissie van mening dat het project in vergaande staat van afronding is en de order met Maleisië is gesloten.

U heeft met H een order gesloten voor de levering van een Twister. Deze Twister zal op een platform voor gaswinning worden geplaatst. In het hieraan ten grondslag liggende contract zijn voorzieningen getroffen ten aanzien van de werking van de te leveren Twister en de inspanning die u dient te leveren indien (…) de Twister technologie niet blijkt te werken. Daarnaast hebt u in de aanvullende informatie toegelicht dat de werkzaamheden ten behoeve van algemene productieontwikkeling van de opdracht in Maleisië gescheiden dienen te worden. Daarnaast hebt u tijdens de hoorzitting ook aangegeven dat de ontwikkelkosten van de Twister over de te verkopen producten omgeslagen zal gaan worden. Dit betekent dat ook ontwikkelkosten door middel van de verkoop van de Twister aan Maleisië verdisconteerd zullen zijn.

Op basis van deze aspecten kan ik mij de conclusie van de Adviescommissie dat onduidelijk is welk deel voor rekening en risico van u wordt uitgevoerd en welk deel in opdracht, goed voorstellen. Naar mijn mening zullen deze aspecten niet of nauwelijks te onderscheiden zijn, aangezien iedere ontwikkeling direct gevolgen heeft voor de te leveren Twister.

Voorts acht ik de conclusie van de Adviescommissie dat de opdracht u tot levering verplicht niet onbegrijpelijk. Immers, in de overeenkomst is geen ontbindende voorwaarde opgenomen in geval de ontwikkeling van de Twister niet mogelijk blijkt. Het gegeven dat de ontwikkeling risico inhoudt en dat bij mislukking geen levering kan plaatsvinden is iets wat naar mijn mening bij het risico van ontwikkeling hoort. Deze risico's zijn echter grotendeels gedekt.

De conclusie van de Adviescommissie dat onvoldoende aannemelijk is dat het project zonder de TOP-subsidie niet of (…) met belangrijke vertraging zal worden uitgevoerd, acht ik evenmin onbegrijpelijk en in strijd met het Besluit. Gebleken is dat u van uw aandeelhouders een startkapitaal beschikbaar hebt gekregen. Na vergoeding aan Shell voor de technologie, resteert voor uw onderneming een bedrag van ongeveer NLG 55 miljoen. Dit betekent dat u voldoende financiële middelen beschikbaar hebt om dit project uit te voeren. Het gestelde dat u de beschikbare gelden graag aan wilt wenden voor andere doelen, is begrijpelijk, maar laat deze conclusie onverlet. U hebt tijdens de hoorzitting aangegeven niet over deze gelden te kunnen beschikken. Gezien het hieraan ten grondslag liggende contract kan ik niet tot deze conclusie komen. Daarbij neem ik in aanmerking dat tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht dat financiers hun investeringen afhankelijk stellen van concrete producten. Bij ontwikkeling van Twisters is derhalve geld beschikbaar wanneer dit tot concrete producten leidt. Hoewel bij een technisch ontwikkelingsproject risico's aanwezig kunnen zijn, is tegelijkertijd vereist dat het project technisch en economisch haalbaar is.

Op grond van het bovenstaande acht ik de conclusies van de Adviescommissie te volgen uit het projectvoorstel en begrijpelijk. Ik ben van mening dat het advies in ieder geval niet in strijd is met het Besluit.

(…)

Conclusie

Het advies van de Adviescommissie is zorgvuldig tot stand gekomen en niet in strijd met het Besluit. Gezien het in het projectvoorstel beschrevene heeft de Adviescommissie tot zijn advies kunnen komen. In de bezwaarfase is geen nieuwe informatie verstrekt die mij ertoe zou moeten brengen uw aanvraag opnieuw aan de Adviescommissie voor te leggen. Ik zal mijn beslissing van 29 oktober 2001 dan ook niet herzien."

3.2 In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nog het volgende aangevoerd.

Gelet op artikel 11, tweede lid, Besluit is toetsing in deze procedure beperkt tot de vragen of het advies van de adviescommissie zorgvuldig tot stand is gekomen en of dit advies in overeenstemming is met het bepaalde in het Besluit. Slechts indien een van die vragen ontkennend moet worden beantwoord, had verweerder in afwijking van het advies kunnen beslissen.

Appellante stelt weliswaar dat het begrip 'order' met betrekking tot de in Maleisië te plaatsen Twister installatie niet in overeenstemming is met hetgeen dienaangaande daadwerkelijk is overeengekomen, maar uit de door haar in beroep aangevoerde gronden blijkt dat ook zij zich op het standpunt stelt dat een opdracht tot levering is verstrekt alsmede dat zij, indien de installatie niet voldoet aan de overeengekomen specificaties, gehouden is tot een bedrag van 10 miljoen USD technische aanpassingen te verrichten en - indien deze niet blijken te werken - de installatie terug te nemen. Met de onderhavige subsidieregeling is niet beoogd een dergelijk financieel en commercieel risico af te dekken. Voorts is de overeengekomen prijs voor de (Twister)installatie in Maleisië van 10 miljoen USD een commerciële, hetgeen ook niet duidt op een praktijkproef. Overigens is verweerder gebleken dat de Twisterinstallatie inmiddels conform de order is geleverd.

Bovendien heeft de adviescommissie op basis van de beschikbare stukken, in het bijzonder het door de aandeelhouders ter beschikking gestelde kapitaal, redelijkerwijs kunnen concluderen dat onvoldoende aannemelijk is dat het onderhavige project zonder subsidie niet of met belangrijke vertraging zal kunnen worden uitgevoerd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 In het advies van de adviescommissie, zoals verweerder dat bij het na bezwaar gehandhaafde primaire besluit heeft overgenomen, is miskend dat de order met SBB-Maleisië geen reguliere order betreft, maar een voor appellante riskante eerste beproeving van de Twister Tropisch in de praktijk.

Ten tweede wordt ten onrechte genegeerd dat de onderhavige subsidie noodzakelijk is voor het project. Appellante heeft zowel voorafgaand aan de beslissing op haar aanvraag als in bezwaar uiteengezet dat het voor haar noodzakelijk is parallel meerdere onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten uit te voeren, waardoor een aanzienlijke vertraging optreedt als de gevraagde subsidie niet wordt verleend. Bovendien heeft de algemeen directeur van Senter mondeling aan appellante bevestigd dat de onderhavige subsidieregeling ook voor grote ondernemingen is bedoeld en dat doorslaggevend is in hoeverre de beschikbare financiële middelen voor een bepaald project kunnen worden aangewend.

Ten onrechte is voorts gesteld dat nauwelijks valt te onderscheiden welk deel van de projectkosten door appellante voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd en welk deel in opdracht. Appellante heeft steeds meegedeeld dat het hele project Twister Tropisch door haar voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd. De financiële administratie van appellante is zodanig opgezet dat daarbij een volledige scheiding van alle projecten wordt gegarandeerd.

4.2 Het Twister Tropisch project is gericht op het eerste toepassingsgebied van een uiterst complexe doorbraaktechnologie, waardoor sprake is van meer dan normale bedrijfsrisico's. Levering van de installatie aan Maleisië zal pas in 2003 plaats kunnen vinden, derhalve ruim na de productontwikkeling. Zoals hiervoor al is weergegeven is terzake van die levering van een daadwerkelijke order geen sprake, maar van een 'no cure no pay' opdracht.

4.3 Ten onrechte wordt in het advies van de adviescommissie en in het bestreden besluit ervan uitgegaan dat onvoldoende aannemelijk is dat het project zonder de onderhavige subsidie niet of slechts met belangrijke vertraging kan worden uitgevoerd.

Appellante heeft wel degelijk aangetoond dat haar financiële middelen slechts in beperkte mate beschikbaar zijn voor dit project. Als vertraging optreedt bij de uitvoering van dit project heeft dat gevolgen voor de totale research en development van appellante.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het geschil spitst zich gelet op artikel 11, tweede lid, van het Besluit toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn standpunt heeft gehandhaafd dat het advies van de adviescommissie van 22 oktober 2001 niet in strijd is met het Besluit en evenmin op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

6.2 Nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat de adviescommissie ten tijde van het uitbrengen van het advies over alle door appellante in het kader van haar aanvraag verstrekte informatie beschikte en ook overigens niet is gebleken dat de totstandkoming van het advies gebreken vertoond, is geen plaats voor het oordeel dat verweerder op die grond van het advies had kunnen - of zelfs moeten - afwijken.

6.3 Blijkens het hiervoor in rubriek 2.2 van deze uitspraak weergegeven advies, stelt de adviescommissie zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een ontwikkelingsproject in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit.

Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat geen sprake (meer) is van een ontwikkelingsproject indien de fase van commerciële exploitatie van een product of proces is bereikt.

Vaststaat dat appellante zich ten tijde van het uitbrengen van het advies reeds had verbonden tot het leveren van een tropische Twister aan I en dat de daarvoor overeengekomen prijs inclusief het ontwerp circa 10 miljoen USD bedroeg.

Hierbij komt dat appellante er in het kader van de aanvraag zelf terecht op heeft gewezen dat sprake was van twee parallel lopende projecten, het algemene productontwikkelings-project voor de tropische Twister en het klantspecifieke project voor I. Juist in het licht hiervan had het op haar weg gelegen een duidelijke splitsing aan te brengen tussen de met die twee projecten gemoeide ontwikkelingskosten. Dit heeft zij echter, ondanks herhaald verzoek om duidelijke informatie, achterwege gelaten.

Evenmin heeft appellante in haar reactie van 14 september 2001 duidelijk gemaakt waarom - in weerwil van het vorenstaande - het project voor de order Maleisie zou moeten worden gezien als prototype of praktijkexperiment. Het College wijst er in dit verband op dat blijkens de toelichting bij het Besluit slechts sprake kan zijn van een voor subsidie in aanmerking komend prototype, indien dit niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend.

Gelet op het vorenstaande heeft de adviescommissie naar het oordeel van het College op goede gronden kunnen concluderen dat niet duidelijk is welk deel van het project door appellante voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd en welk deel in opdracht.

Ook in bezwaar heeft appellante nagelaten hieromtrent nadere, heldere informatie te verschaffen, zodat verweerder terecht heeft besloten de adviescommissie niet voor een tweede keer in te schakelen.

6.4 De conclusie is derhalve dat verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden in navolging van het advies van de adviescommissie heeft geconcludeerd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ontwikkelingsproject in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit, dat door appellante voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd.

Aangezien genoemde conclusie de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering subsidie te verlenen zelfstandig draagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De omstandigheid dat appellante met betrekking tot de Maleisië order commercieel risico liep, maakt dit niet anders. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat met het Besluit niet is beoogd een dergelijk risico af te dekken.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A. Hagen en mr. J.H. van Kreveld, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund