Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL8146

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
09-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/1589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1589 26 augustus 2003

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

Q, kantoorhoudende te Z, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 24 juni 2002,

gemachtigde: mr. P. Roorda, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 18 september 2001 heeft T bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen appellant.

Bij beslissing van 24 juni 2002 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 23 augustus 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen (onderdelen van) voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 9 oktober 2002 heeft T gereageerd op het beroepschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2003. Aldaar waren aanwezig appellant en zijn gemachtigde. T heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam. Voorts waren ter zitting aanwezig K en C, beiden werkzaam bij T, M, voorheen werkzaam bij T, L, werkzaam bij A, en R, als consultant kantoorhoudende te Z.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij tuchtbeslissing van 24 juni 2002 heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tuchtbeslissing van 24 juni 2002, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het beroep van appellant richt zich tegen de gegrondverklaring van het klachtonderdeel dat door de raad van tucht is aangeduid als klachtonderdeel III en tegen de door de raad van tucht opgelegde maatregel. Klachtonderdeel III is in de bestreden tuchtbeslissing als volgt samengevat:

"De ernst van de voorgaande overtredingen klemt te meer, daar betrokkene wist dat zijn rapportage in een tuchtprocedure zou worden ingebracht. Aldus heeft betrokkene tevens de eer van de stand van de registeraccountants geschonden als bedoeld in artikel 5 van de GBR-1994."

Aangezien de raad van tucht de andere klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard en daartegen door T geen beroep is ingesteld, heeft in de onderhavige beroepsprocedure als vaststaand te gelden dat geen sprake is van "voorgaande overtredingen" als bedoeld in voorgaand citaat. Hieruit volgt dat de raad van tucht klachtonderdeel III, zoals samengevat in de bestreden tuchtbeslissing, ten onrechte gegrond heeft verklaard. Het beroep van appellant is derhalve gegrond en de bestreden tuchtbeslissing kan niet in stand blijven.

3.2 Het College acht termen aanwezig de zaak zelf af te doen en overweegt daartoe het volgende.

Van de zijde van T is aangevoerd dat het tuchtrechtelijk verwijt dat de raad van tucht appellant heeft gemaakt, kort gezegd inhoudende dat appellant zich dermate stellig en negatief over het handelen van C heeft uitgelaten dat hij zich de rol van tuchtrechter heeft aangemeten en dusdoende onzorgvuldig heeft gehandeld, kan worden herleid tot het klaagschrift. Volgens T heeft de raad van tucht dit verwijt, hoewel het niet expliciet is genoemd in de samenvatting van de klacht, terecht aan appellant gemaakt.

Met T is het College van oordeel dat het tuchtrechtelijk verwijt dat de raad van tucht appellant heeft gemaakt, kan worden herleid tot het klaagschrift van T.

Bij de beoordeling van de vraag of bedoeld verwijt terecht is gemaakt, heeft in de onderhavige procedure als vaststaand te gelden dat de klachtonderdelen I (geen hoor en wederhoor) en II (geen deugdelijke grondslag) ongegrond zijn, aangezien T geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen de ongegrondverklaring van deze klachtonderdelen. Ter beoordeling staat derhalve de vraag of appellant zich in zijn rapport van 25 juni 2001 over C heeft uitgelaten op een wijze die tuchtrechtelijk verwijtbaar is, ook al hoefde hij geen hoor en wederhoor toe te passen en had zijn rapport deugdelijke grondslag.

Anders dan de raad van tucht beantwoordt het College deze vraag ontkennend. Appellant heeft zich onmiskenbaar zeer kritisch uitgelaten over het handelen van C, maar hij heeft deze kritiek zakelijk geformuleerd en zich niet badinerend uitgelaten over de persoon C. Het staat een accountant naar het oordeel van het College vrij zakelijk geformuleerde kritiek te uiten op het handelen van een collega indien hij daarvoor, naar zoals gezegd bij de beoordeling van het onderhavige beroep als vaststaand heeft te gelden, deugdelijke grondslag heeft.

3.3 Het vorenoverwogene leidt het College tot na te melden beslissing, welke beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet op de Registeraccountants.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover aangevallen;

- verklaart het aan de orde zijnde klachtonderdeel ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham, en mr. J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen

R a a d v a n T u c h t

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten

te Amsterdam

B E S L I S S I N G

inzake de klacht met nummer R 313 van:

T,

gevestigd te V,

K L A A G S T E R,

tegen

Q,

registeraccountant,

kantoorhoudende te Z,

B E T R O K K E N E.

===================================

1. De Raad heeft kennisgenomen van de volgende, telkens aan de weder-partij bekende stukken:

(a) De klacht van 18 september 2001, met de daarbij overgeleg-de producties;

(b) het verweerschrift van 18 oktober 2001, met de daarbij overgeleg-de producties.

2. De Raad heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 25 maart 2002. Op die zitting zijn verschenen:

- aan de zijde van klaagster -

de vertegenwoordiger van klaagster, te weten K, verge-zeld van de raadsman van klaagster, mr. J.W. van Rijs-wijk, advocaat te Am-sterdam.

- aan de zijde van betrokkene -

betrokkene Q in per-soon, vergezeld van zijn raadsman, mr. P. Roorda, advocaat te Amster-dam.

Partijen en hun advocaten hebben bij gelegenheid van voor-mel-de zitting hun standpunten toegelicht -de raadsman van klaagster aan de hand van aan de Raad van Tucht overgelegde pleitnotities- en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

De inhoud van de gedingstukken, waaronder ook voormelde pleitnoti-ties, geldt als hier ingevoegd.

De raadsman van betrokkene heeft als primair verweer gevoerd dat klaag-ster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht tegen betrokkene en heeft daartoe gesteld hetgeen staat vermeld in het verweer-schrift onder de punten 3.1 tot en met 3.18.

De Raad van Tucht overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Voorzover dit verweer gebaseerd is op het gegeven dat betrokkene sinds 1992 niet meer als openbaar accountant is opgetreden, leidt dit -gelet op de hierna in deze beslissing te vermelden overweging dienaangaande- niet tot de niet-ontvanke-lijkheid van klaagster in haar klacht.

Overigens zijn de feiten en/of omstandigheden, die door de raadsman van betrokkene ten grondslag zijn gelegd aan de argu-menten die tot de niet-ontvankelijkheid van klaagster zouden moeten leiden, door (de raads-man van) klaagster gemotiveerd weersproken en niet aannemelijk gewor-den. Van misbruik van het klachtrecht is geen sprake.

Het verweer wordt mitsdien verwor-pen.

3. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad het volgende vast.

Op 24 januari 2001 is door A een klacht ingediend tegen C, die als partner verbonden is aan T. Deze klacht is door de Raad van Tucht in behandeling genomen onder nummer R 277. In die klacht wordt C -kort samengevat en in het bijzonder- verwe-ten ten onrechte een goedkeu-rende accountantsverkla-ring te hebben ver-strekt bij de jaarreke-ning 1998 en de halfjaarrekening 1999 van de G.

C heeft op 5 april 2001 zijn verweerschrift ter zake ingediend.

De Raad van Tucht heeft A vervolgens in de gelegenheid gesteld tot indiening van een memorie van repliek, die is ingediend op 26 juni 2001. In deze memorie van repliek werd als productie ingebracht een door betrokkene vervaar-digd deskundigenrapport, geda-teerd 25 juni 2001 en ondertekend met "Q". Door C is op 15 oktober 2001 een memorie van dupliek ingediend.

In § 8 (Conclusies) van genoemd deskundigenrapport is door betrokke-ne Q een oordeel gegeven omtrent de werkzaamheden van C.

4. De onderhavige klacht luidt -samengevat weergegeven- als volgt.

I. Betrokkene geeft in zijn rapport op diverse plaatsen een oordeel omtrent de werkzaamheden van C zonder dat hij C in de gelegen-heid heeft gesteld vooraf (dus voor het uitbren-gen van het rapport) daarop te reageren. Hiermee heeft betrokkene het beginsel van hoor en wederhoor overtreden, zoals dat voor accountants geldt op grond van artikel 33 van de GBR-1994.

II. De rapportage van betrokkene bevat diverse onjuiste en/of onvolle-dige stellingen en conclusies met betrekking tot feiten en de werk-zaamhe-den van C. Gelet hierop en mede veroorzaakt door het niet toepassen van het beginsel van hoor en wederhoor, ontbreekt een deugdelijke grondslag aan de rapportage van Q, in ieder geval ten aanzien van de getrokken conclusies met betrekking tot het functioneren van een partner van T, een overtreding van artikel 11 van de GBR-1994.

III. De ernst van voorgaande overtredingen klemt te meer, daar betrok-kene wist dat zijn rapportage in een tuchtprocedure zou worden inge-bracht. Aldus heeft betrokkene tevens de eer van de stand van de register-accoun-tants geschonden als bedoeld in artikel 5 van de GBR-1994.

5. Met betrekking tot de klacht en het daartegen gevoerde verweer over-weegt de Raad als volgt.

Ad I.

Vast is komen te staan dat betrokkene in zijn door klaagster bedoelde handelen, wat daar ook van zij, niet is opgetreden als openbaar ac-coun-tant, zodat hoofdstuk IV (de artikelen 22 tot en met 34) van de GBR-1994 te dezer zake niet van toepassing zijn.

Dit klachtonderdeel dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

Ad II.

Klaagster heeft weliswaar gesteld dat het rapport van betrokkene diverse onjuiste en/of onvolle-dige stellingen en conclusies bevat met betrekking tot feiten en de werk-zaamhe-den van C, doch betrokkene heeft zulks gemotiveerd weersproken.

De Raad van Tucht heeft voorts geconstateerd dat betrokkene in diens rapport nauwkeurig heeft aangegeven waarop zijn in § 8 van het rapport vermelde conclusies zijn gegrond.

Deze stelling van klaagster is dan ook niet aannemelijk gewor-den, zodat ook dit klachtonder-deel ongegrond moet worden verklaard.

Ad III.

Betrokkene was verzocht een analyse te geven over (onderdelen van) de door C gecertificeerde jaarrekeningen van G.

Betrok-kene wist dat zijn rapportage in een tuchtprocedure zou worden inge-bracht. Betrokkene heeft desalniettemin op niet mis te verstane wijze in zijn rapport een negatief oordeel uitgesproken over het handelen van C. Weliswaar heeft hij -zoals hiervoor ad II. overwogen- dit oordeel van een deugdelijke grondslag voor-zien, doch hij is in deze -in zeer stellige bewoor-dingen vervatte- veroordeling van C zo ver gegaan, dat hij zich de rol van tuchtrechter heeft toegekend.

Betrokkene is naar het oordeel van de Raad te ver gegaan. Hij heeft de zorgvuldigheidsnorm ter zake overschreden en daarmede de eer van de stand der registeraccountants geschaad. De omstandigheid dat betrokkene zijn rapport schreef op verzoek van de raadsman van A, maakt dit niet anders. Genoemde omstandigheid ontslaat betrokkene niet van zijn eigen verplichting tot zorgvuldig handelen.

Dit klachtonderdeel moet mitsdien in zoverre gegrond worden verklaard.

Overigens zijn geen feiten of omstandigheden aanneme-lijk geworden, waaruit zou kunnen of moeten worden afgeleid dat betrok-kene jegens klaagster heeft gehandeld op een wijze die hem tuchtrechtelijk zou kunnen worden verwe-ten.

Het voorgaande brengt mee dat de klacht in de onderdelen I. en II. onge-grond is en in onderdeel III. gegrond is in voege als hiervoor omschreven.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende, waaronder ook die dat het evident was dat betrokkene in het onderhavige geval als partijdeskundige is opgetreden en daarvan ook geenszins een geheim heeft gemaakt, is de Raad van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de geconstateerde overtre-ding, te dezer zake kan worden volstaan met oplegging van de maatre-gel van schrifte-lijke waarschuwing.

6. Beslissing:

De Raad van Tucht:

Verklaart de klacht in de onderdelen I. en II. ongegrond.

Verklaart de klacht in onderdeel III. gegrond in voege als hiervoor om-schre-ven en legt te dier zake de maatregel van schriftelijke waarschu-wing aan betrokkene op.

Aldus beslist door:

mr. A. Rutten-Roos, voorzitter,

mr. A.J. Coster RA en G. van Essen RA, leden,

in tegenwoordigheid van W. Welmers, adjunct-secretaris,

en uitgesproken in het openbaar op

__________ ______-____

adjunct-secretaris voorzitter