Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL8116

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 9 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de intrekking en terugvordering van de aan hem toegekende slachtpremie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies 2.3
Regeling dierlijke EG-premies 2.4a
Regeling dierlijke EG-premies 2.4b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/598 20 augustus 2003

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: Meerle B.V. B.A. te Ulvenhout,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij LASER.

1. De procedure

Op 9 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de intrekking en terugvordering van de aan hem toegekende slachtpremie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Verweerder heeft op 13 juni 2002 een verweerschrift ingediend.

Op 7 februari 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden. Zijdens appellant is bij die gelegenheid niemand verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt doen toelichten door zijn gemachtigde.

Op 11 februari 2003 heeft het College een schrijven van appellant ontvangen.

Bij beschikking van 14 februari 2003 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld nadere stukken in het geding te brengen.

Op 7 april 2003 zijn de bedoelde stukken ontvangen.

Op 28 april 2003 heeft het College een nadere memorie van appellant ontvangen.

Op 20 juni 2003 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Namens appellant heeft C, werkzaam bij Meerle B.V. B.A. het woord gevoerd. Verweerder heeft zijn standpunt weer doen toelichten door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijk ordening der markten in de sector rundvlees luidt, voorzover hier van belang, als volgt

" Artikel 12

1. Een producent, die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima, toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar een derde land.

(…)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commisie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1254/1999, luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 35

Aanvraag

1. De steunaanvraag "dieren" moet alle voor de betaling van de slachtpremie noodzakelijke gegevens bevatten, met name de geboortedatum van het dier voor de na 1 januari 1998 geboren dieren.

(…)

De lidstaten mogen toestaan dat de aanvraag wordt ingediend door een andere persoon dan de producent. In dat geval moeten in de aanvraag de naam en het adres zijn vermeld van de producent die voor de premie in aanmerking kan komen.

Behalve de gegevens die op grond van de voorschriften in het kader van het geïntegreerd systeem moeten worden verstrekt, dient iedere aanvraag te bevatten:

a) in geval van toekenning bij het slachten, een verklaring van het slachthuis of een door het slachthuis opgesteld of geviseerd document met ten minste de volgende gegevens:

i) naam en adres van het slachthuis (of een gelijkwaardige code),

ii) datum van de slacht, identificatienummers en slachtnummers van de dieren,

(…)

De lidstaat kan evenwel bepalen dat de onder a) (…) bedoelde gegevens worden verstrekt door een of meer door de lidstaat erkende organen en dat dit met name per computer mag gebeuren.

De lidstaat controleert geregeld en onverwachts de juistheid van de afgegeven verklaringen of documenten en, in voorkomend geval, van de in de vijfde alinea bedoelde gegevens.

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen lidstaten die beschikken over een gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, bepalen dat de door de slachthuizen aan de bevoegde autoriteit verstrekte gegevens betreffende de slacht van de dieren van een bepaalde producent als aanvraag voor een slachtpremie namens deze producent worden beschouwd, voorzover dit gegevensbestand naar het oordeel van de lidstaat voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de gegevens ervan voor de toepassing van de slachtpremieregeling (…)

De lidstaat kan evenwel bepalen dat een aanvraag vereist is. In dat geval kan hij voorschrijven van welke soorten gegevens de aanvraag vergezeld moet gaan.

De lidstaten die besluiten het bepaalde in dit lid toe te passen, stellen de Commissie daarvan vóór I januari 2000 in kennis. Latere wijzigingen worden vóór de tenuitvoerlegging ervan aan de Commissie gemeld.

(…)"

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten bepaalt onder andere:

"Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van tenminste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt."

De Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 2.3

(…)

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.

Artikel 2.4a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.

2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.

3. Indien zich wijzigingen voordoen in de door de producent op de deelnamemelding vermelde gegevens stelt hij LASER daarvan in kennis door middel van een nieuwe deelnamemelding, welke moet zijn ontvangen binnen veertien dagen nadat de desbetreffende wijziging is opgetreden.

Artikel 2.4b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de de bepalingen van de PVV-verordening door het betrokken abattoir aan het I&R-register.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 5 januari 2000 heeft verweerder van appellant een ingevuld en ondertekend formulier ontvangen voor deelname aan de Slachtpremieregeling. Op dit formulier staat onder andere de volgende voorgedrukte tekst: 'De aanvrager verklaart dat hij/zij bekend is met de voorwaarden en verplichtingen als bepaald in de Regeling dierlijke EG-premies, Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad en Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie.'

- Op 20 september 2000 en 25 oktober 2000 zijn slachtmeldingen gedaan, die zijn aangemerkt als namens appellant ingediende aanvragen voor het verkrijgen van een slachtpremie.

- Bij besluit van 12 juni 2001 heeft verweerder de aanvragen gehonoreerd en is appellant een premie toegekend van fl. 810,08.

- Bij besluit van 21 juli 2001 heeft verweerder appellant bericht, dat het besluit gecorrigeerd is en dat hij de inmiddels uitbetaalde premie dient terug te betalen.

- Dit besluit was gebaseerd op de bevindingen bij een controlebezoek bij het Gorkumsch Slachthuis op 25 januari 2001. De controleur had het slachthuis gesloten aangetroffen, waaraan de conclusie verbonden was, dat het slachthuis niet meer bestond en dat dus ook geen bedrijfsregister, houdende onder andere een administratie van slachtingen, was bijgehouden.

- Op grond daarvan zijn de premies voor alle in het jaar 2000 in het slachthuis geslachte runderen ingetrokken.

- Naar aanleiding van tegen de desbetreffende besluiten ingekomen bezwaarschriften heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld.

- Allereerst is bij de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees onderzocht of zich daar het bedrijfsregister bevond. Dit bleek niet het geval te zijn.

- Verweerder heeft voorts geconstateerd dat het Gorkumsch Slachthuis ten tijde van belang de slachtingen had uitbesteed en dat, mogelijk naast anderen. E daar slachtingen heeft verricht. Op basis van de administratie van E is voor een aantal runderen alsnog slachtpremie toegekend.

- Bovendien bleek, dat het Gorkumsch Slachthuis met ingang van 10 november 2000 is overgenomen.

- Appellant heeft tegen de intrekking van de hem toegekende slachtpremie bij schrijven van 16 augustus 2001 bezwaar gemaakt.

- Bij schrijven van 30 januari 2002 heeft verweerder appellant uitgenodigd het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. In een bijlage bij deze brief werd appellant erop gewezen dat hij tijdens de hoorzitting de mogelijkheid zou krijgen om bewijsstukken over te leggen, waaruit zou kunnen worden afgeleid, waar en wanneer de betreffende runderen zijn geslacht.

- Appellant heeft telefonisch gemeld de hoorzitting niet bij te zullen wonen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" In bezwaar heeft u aangegeven dat er bij u geen fouten zijn geconstateerd en dat het absurd is dat de premie wordt teruggevorderd omdat de administratie bij derden niet in orde blijkt te zijn.

Te dien aanzien merk ik het volgende op.

Bij een controle ingevolge het bepaalde in artikel 6 bis, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 door LASER op 25 januari 2001 op het abattoir Gorkumsch Slachthuis te Gorinchem is gebleken, dat genoemd abattoir geen register heeft bijgehouden als bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000.

U heeft zich, door middel van het indienen van de deelnamemelding, akkoord verklaard met het feit dat het abattoir de daadwerkelijke aanvraag namens u verzorgt.

Ik heb vastgesteld dat wel melding is gedaan van de slacht van de desbetreffende runderen door het abattoir en derhalve in het I&R-register een slachtdatum is geregistreerd.

In gevallen waarin een rund niet premiewaardig is verklaard als gevolg van het niet/ niet correct bijhouden door het abattoir van een register als bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, kan in bepaalde gevallen bewijsmateriaal worden geaccepteerd.

Uit het betreffende bewijsmateriaal dient echter onomstotelijk te kunnen worden vastgesteld dat de betreffende runderen op de in het I&R-register geregistreerde slachtdata bij het betreffende abattoir zijn geslacht.

Naast het door u ingediende bezwaarschrift heeft u geen bewijsmateriaal overlegd. Op basis van de beschikbare gegevens is niet komen vast te staan dat de betreffende runderen op de in het I&R-register geregistreerde slachtdatum in bovengenoemd abattoir zijn geslacht.

Na heroverweging van het besluit van de teammanager kom ik tot de conclusie dat dit besluit juist is.

Conclusie

Ik verklaar uw bezwaren ongegrond."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.Bij het bezwaarschrift had hij geen bewijsmateriaal toegevoegd, omdat dit niet gevraagd was. Gelet op het gestelde in het bestreden besluit legt hij nu facturen over ten bewijze van het feit, dat hij op 26 oktober 2000 en op 21 september 2000 tweemaal vijf runderen verkocht heeft aan de veehandelaar D. Die heeft op zijn beurt de runderen in twee aparte koppels op de veemarkt verkocht aan E uit F. Ten bewijze daarvan worden veemarktcheques overgelegd. Veehandelaar D heeft verklaard dat E de runderen voor de slacht heeft gekocht en ze ook naar het slachthuis gebracht heeft. Over andere bewijzen dan de overgelegde beschikt appellant niet. Hij heeft geen weegbon of rekening van het slachthuis, nu niet hij, maar E ze daar gebracht heeft.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat, waar Verordening (EG) nr. 2342/1999 de lidstaten de mogelijkheid biedt toe te staan dat de melding door het slachthuis als aanvraag wordt beschouwd, artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling een aanvrager geen andere keus laat dan de aanvraag te laten indienen door het slachthuis. Derhalve is de aanvrager niet zelf in de gelegenheid om onvolkomenheden in de voor hem ingediende aanvraag te voorkomen, terwijl hij wel het risico draagt dat zulke onvolkomenheden ertoe leiden, dat de aangevraagde premie niet wordt uitbetaald.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting biedt verweerder ingevolge zijn na consultatie van de Europese Commissie vastgestelde beleid een aanvrager in gevallen als hier aan de orde echter wel de gelegenheid om bij afwijzing van zijn aanvraag verweerder alsnog zelf van de informatie te voorzien, die hij anders bij een aanvraag had dienen over te leggen. Het gaat dan om gegevens ter identificatie van de geslachte runderen en van het slachthuis en betreffende de datum van de slacht, blijkend uit een ten tijde van de slacht opgemaakt document.

Gelet daarop en op het feit, dat een aanvrager door ondertekening van het voorgedrukte aanvraagformulier verklaart bekend te zijn met de voorwaarden en verplichtingen als bepaald in de Regeling en verordeningen (EG) nrs. 1254/1999 en 2342/1999, zodat hij geacht moet worden te weten aan welke vereisten de aanvraag moet voldoen en terzake desgewenst maatregelen kan nemen, kan niet gezegd worden dat het in de regeling neergelegde systeem voor een aanvrager onevenredig belastend is.

Het College overweegt vervolgens dat verweerder op basis van de voorliggende stukken terecht geoordeeld heeft dat niet vast staat dat de van het Gorkumsch Slachthuis afkomstige I&R-melding, dat de betrokken runderen geslacht zijn, in overeenstemming is met de feiten. Het bedrijfsregister van het slachthuis waaruit zulks zou kunnen blijken, is immers niet op het bedrijf beschikbaar. Appellant stelt dat verweerder meer onderzoek had moeten verrichten om deze administratie te achterhalen dan nu geschied is, maar heeft niet aangegeven waarop hij deze verplichting baseert.

Verweerder was op grond van zijn bevindingen gehouden de toekenning van premie aan appellant ongedaan te maken.

Gelet op het bepaalde in artikel 23a van de Landbouwwet, waarbij het bepaalde in de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor een geval als het onderhavige buiten toepassing is verklaard, behoefde verweerder appellant niet eerst met zijn bevindingen te confronteren, doch kon hij op basis daarvan direct tot intrekking van de toekenningsbeslissing overgaan. Gevolg van een en ander is wel, dat appellant eerst uit de op 30 januari 2002 bij de oproeping voor de hoorzitting op 15 februari 2002 meegezonden bijlage had kunnen opmaken, dat hem de gelegenheid geboden zou worden nader bewijs van de slacht van zijn runderen te leveren. Naar het oordeel van het College is genoemde bijlage niet zodanig helder geformuleerd dat appellant, zoals door verweerder in het verweerschrift bepleit, in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij, door deze gelegenheid ongebruikt voorbij te laten gaan, de mogelijkheid om nader bewijs te leveren verspeeld heeft.

Hetgeen appellant nu in beroep als bewijs heeft aangevoerd is echter onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen, dat hij alsnog voor toekenning van de gevraagde premie in aanmerking gebracht moet worden. Uit die stukken blijkt dat appellant op twee verschillende data vijf, met I&R-nummer geïdentificeerde, runderen aan veehandelaar D verkocht heeft. Vervolgens zijn er twee kopieën van veemarktcheques, waaruit blijkt dat D op diezelfde dagen acht, respectievelijk elf niet nader geïdentificeerde runderen aan E verkocht heeft. Van de zijde van D is vervolgens verklaard, dat de bewuste runderen in Gorkum geslacht zijn. Dat komt overeen met de vanuit het slachthuis gedane I&R-melding.

Verweerder neemt echter, zoals gezegd, ingevolge vast beleid slechts genoegen met een ten tijde van de slacht opgesteld document dat de gegevens bevat, die de aanvrager ingevolge artikel 35, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 bij zijn aanvraag dient te verstrekken. Appellant heeft het College er niet van kunnen overtuigen, dat de levering van een dergelijk bewijsstuk ondanks serieuze pogingen zijnerzijds door omstandigheden buiten zijn macht in dit geval niet tot de mogelijkheden behoord zou hebben. Derhalve ziet het College geen grond te oordelen dat verweerder in dit geval aan zijn beleid in redelijkheid niet heeft kunnen vasthouden.

Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. C.M. Wolters en mr. M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand