Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL6088

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/617 en 03/930
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op 4 juni 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 april 2003. Het beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/617.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 7 maart 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 03/617 en 03/930 20 augustus 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaken van:

A, te X, verzoeker,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te Den Haag, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 4 juni 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 april 2003. Het beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/617.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 7 maart 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 is ingetrokken.

Op 21 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 11 augustus 2003 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat het besluit van verweerder van 24 april 2003 wordt geschorst. Dit verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/930.

Op 14 augustus 2003 is een reactie van verweerder op het verzoek om voorlopige voorziening ter griffie van het College ingekomen, waarin verweerder heeft verwezen naar zijn standpunt zoals dat is verwoord in het reeds ingediende verweerschrift in de hoofdzaak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2003. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

(…)"

De Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(…)

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)"

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp2000) luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 26

1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

(…)

Artikel 29

1. Indien de vervoerder door overlijden, wettelijke of lichamelijke onbekwaamheid van degene die op grond van artikel 26 voldeed aan de eis van vakbekwaamheid in een onderneming (…) niet langer aan deze eis voldoet, kan Onze Minister, te rekenen vanaf dit moment, de belanghebbende die het vervoer wenst voort te zetten, onverminderd het vereiste van een vergunning, op verzoek voor ten hoogste een jaar ontheffing verlenen van deze eis in die onderneming (…).

(…)

3. De periode, bedoeld in het eerste lid, kan in bijzondere gevallen met maximaal zes maanden worden verlengd.

(…)

5. Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan het voorschrift worden verbonden dat de belanghebbende binnen de periode waarvoor een ontheffing geldt, alsnog zal voldoen aan de eis van vakbekwaamheid."

2.2 Bij de beoordeling van deze zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij besluit van 21 september 2001 (P24568/T/TT/25818) heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoersgebied regio Rotterdam. De vakbekwaamheid in de taxionderneming van verzoeker wordt, blijkens deze vergunning, ingebracht door procuratiehouder P.

- Per 31 oktober 2001 is P als vakbekwaam leidinggevende persoon uit de taxionderneming van verzoeker getreden en met ingang van die dag is Q als procuratiehouder tot de taxionderneming van verzoeker toegetreden, met de bedoeling invulling te geven aan de eis van vakbekwaamheid.

- Omtrent het procuratiehouderschap van Q had verzoeker met hem een overeenkomst gesloten, gedagtekend 1 november 2001, die, voor zover hier van belang, als volgt luidde:

"2. R is verplicht alle medewerking te verlenen die nodig is voor het goed functioneren van het bedrijf.

3. Q zal maandelijks controle uit oefenen op de boekhouding, rijtijdenwet, en evt. vorderingen van de studie, voor het diploma taxiondernemer.

(…)

5. De vergoeding die Q hiervoor ontvangt, bedraagt (…) fl 476,- p.m. (…)

6. Q, zal elke week 8 tot 12 uur aanwezig zijn en ter beschikking staan van het bedrijf van R."

- Op 2 november 2001 heeft verweerder van verzoeker een aanvraag tot wijziging van de verleende vergunning in verband met wijziging van de vakbekwaam leidinggevende persoon ontvangen.

- Bij brief van 14 december 2001 heeft verweerder verzoeker ten aanzien van de beoogde nieuwe vakbekwaam leidinggevende persoon Q een "Verklaring inzake vakbekwaamheid" toegezonden en daarbij verzocht deze verklaring binnen vier weken ingevuld te retourneren.

- Bij brief van 1 februari 2002 heeft verweerder verzoeker van het voornemen tot intrekking van de aan verzoeker verleende vergunning in kennis gesteld, omdat binnen de taxionderneming van verzoeker niet langer wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid, en verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen twee weken zijn zienswijze ten aanzien van dit voornemen aan verweerder kenbaar te maken.

- Verzoeker heeft verweerder hierop de ingevulde "Verklaring inbreng vakbekwaamheid", gedagtekend 4 februari 2002, doen toekomen. Dit formulier bevat onder meer vragen over de door Q binnen de taxionderneming van verzoeker te verrichten taken, de door de taxiondernemer te verrichten taken en de taakverdeling tussen hen beiden.

- In dit formulier is verklaard dat de permanente en daadwerkelijke leiding over de vervoeractiviteiten binnen de taxionderneming van verzoeker in gezamenlijk overleg tussen verzoeker en Q plaatsvond. Q hield zich binnen de taxionderneming van verzoeker bezig met taken als het controleren van de rijtijden, rittenlijsten, auto- en taximeterkeuringen, boekhoudingen, advies en verzekeringen. In gezamenlijk overleg tussen verzoeker en Q werd de hoogte van de taxitarieven bepaald en werd beslist over de aanschaf van voertuigen. Klachten werden eveneens gezamenlijk afgehandeld. Voorts was Q belast met het toezicht op de administratie en boekhouding van de taxionderneming. Q zou, nog steeds volgens eerdervermelde opgave, gemiddeld 8 tot 12 uur per week als vakbekwaam leidinggevende persoon werkzaamheden (persoonlijk of telefonisch) binnen de taxionderneming van verzoeker verrichten. Hij was evenwel dagelijks beschikbaar. Voor deze werkzaamheden ontving beoogd vakbekwaam leidinggevende Q een bedrag van € 216,-- per maand. Naast het procuratiehouderschap binnen verzoekers onderneming was Q tevens procuratiehouder en als vakbekwaam leidinggevende persoon werkzaam binnen vier andere taxiondernemingen. Daarnaast verrichte Q binnen diens eigen taxionderneming chauffeurswerkzaamheden.

- Bij besluit van 7 maart 2002 (P24568/T/TS/33460) heeft verweerder besloten de aan verzoeker bij besluit van 21 september 2001 verleende vergunning met ingang van 7 juni 2002 in te trekken, omdat geen sprake is van daadwerkelijk en permanent leidinggeven door de vakbekwame persoon. Hiertoe heeft verweerder overwogen:

"dat invulling geven aan de vakbekwaamheid inhoudt dat de vakbekwame persoon wezenlijke beslissingen met betrekking tot de vervoerswerkzaamheden neemt en continu bij het leidinggeven aan het vervoer door de vervoeronderneming betrokken dient te zijn en dat deze betrokkenheid niet incidenteel mag zijn;

(…)

dat de noodzaak van aansturing van de taxionderneming door de vakbekwame persoon zich feitelijk op ieder moment binnen de bedrijfsvoering kan voordoen en dat dit met zich meebrengt dat de vakbekwame persoon adequaat en overeenkomstig het gevoerde beleid aansturing dient te geven en daadwerkelijk continu betrokken dient te zijn bij de dagelijkse gang van zaken;

dat het toestaan dat een vakbekwaam persoon in meer dan een onderneming werkzaam is tot gevolg zou hebben dat de continue betrokkenheid ernstig in gevaar komt en zodoende de inbreng van de vakbekwaamheid niet meer dan een formele verplichting wordt die niet of nauwelijks bijdraagt aan de daadwerkelijke kwaliteit van de bedrijfsgang binnen de taxionderneming;

dat de vakbekwame persoon blijkens zijn functie, bevoegdheden en concrete werkzaamheden daadwerkelijk leiding dient te geven aan het vervoer door de onderneming;

dat derhalve als uitgangspunt bij de uitleg van het begrip "permanent en daadwerkelijk leiding geven" geldt dat een persoon slechts in één vervoeronderneming belast kan zijn met het leidinggeven aan het (voorbereiden an het) vervoer;"

- Op 19 maart 2002 heeft verzoeker zich aangemeld voor de basisopleiding taxivervoer om zelf te (gaan) voldoen aan de eis van vakbekwaamheid.

- Tegen het besluit van 7 maart 2002 heeft verzoeker bij brief van 21 maart 2002 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 5 juni 2002 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat is besloten om de aan verzoeker verleende vergunning ambtshalve te wijzigen in die zin dat de intrekking van die vergunning eerst in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Hangende de bezwaarprocedure is op 21 augustus 2001 Q overleden.

- Op 24 september 2002 is verzoeker naar aanleiding van zijn bezwaren door verweerder gehoord.

- Bij brief van 21 maart 2003 heeft verzoeker verweerder medegedeeld dat hij bezig is met het volgen van cursussen voor het voldoen aan de eis van vakbekwaamheid. Hij heeft verweerder bij deze gelegenheid verzocht hem uitstel te verlenen voor het behalen van de vereiste diploma's, omdat hij zich vanwege de situatie in zijn vaderland Z moeilijk op zijn studie kan concentreren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij brieven van 13 juni 2003 en 18 juli 2003 heeft verweerder verzoeker verzocht de met de intrekking van zijn vergunning vervallen vergunningbewijzen retour te zenden.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hij heeft hiertoe overwogen:

"Bij de heroverweging van het bestreden besluit worden alle feiten en omstandigheden in acht genomen die thans bekend zijn. Dat houdt in dat als gevolg van het overlijden van de heer Q het toetsen of hij al dan niet als vakbekwaam persoon permanent en daadwerkelijk leiding kon geven aan de onderneming van bezwaarde, achterwege kan blijven.

Niet is gebleken dat bezwaarde zelf kan voldoen aan de eis van vakbekwaamheid en evenmin is gebleken dat de vakbekwaamheid binnen de onderneming thans op enige andere wijze wordt ingebracht."

In het verweerschrift heeft verweerder voorts het volgende aangevoerd.

De aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer is ingetrokken, omdat binnen de taxionderneming van verzoeker niet (langer) werd voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. De ten tijde van de vergunningverlening vakbekwaam leidinggevende persoon, P, is per 31 oktober 2001 uit de taxionderneming van verzoeker getreden.

Per diezelfde datum is Q als procuratiehouder tot de taxionderneming van verzoeker toegetreden met de bedoeling om invulling te geven aan de eis van vakbekwaamheid. Verweerder is van mening dat door de wijze waarop en de omstandigheden waaronder Q invulling gaf aan de eis van vakbekwaamheid binnen de taxionderneming van verzoeker, niet kan worden gesproken van permanent en daadwerkelijk leidinggeven door de vakbekwaam leidinggevende persoon.

Indien Q zou hebben voldaan aan de eis van vakbekwaamheid binnen de taxionderneming van verzoeker, zou intrekking van de vergunning achterwege zijn gebleven en zou verzoeker in aanmerking hebben kunnen komen voor een ontheffing op grond van artikel 29 van het Bp2000 gedurende een jaar.

4. Het standpunt van verzoeker

Ter ondersteuning van zijn beroep en zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker onder meer het volgende aangevoerd.

Het bestreden besluit is niet volgens de daartoe geldende vereisten tot stand gekomen. De betrokken belangen zijn onzorgvuldig afgewogen. Verweerder heeft onvoldoende aandacht geschonken aan het voornemen van verzoeker om zelf aan de eis van vakbekwaamheid te gaan voldoen en de termijn waarbinnen hij hieraan kan voldoen. Verzoeker is, nadat hij eenmaal van procuratiehouder heeft moeten veranderen en zijn volgende procuratiehouder onverwacht is overleden, tot het inzicht gekomen dat hij zelf aan de eis van vakbekwaamheid wil gaan voldoen. Daartoe heeft hij zich in maart 2003 voor deelname aan de vereiste cursussen aangemeld. Als gevolg van de recente gebeurtenissen in zijn land van herkomst Z, alwaar nog familieleden van verzoeker woonachtig zijn, heeft hij zich de afgelopen maanden slecht op zijn studie kunnen concentreren. Inmiddels heeft hij echter wel examen in één module van de cursus Algemene Ondernemersvaardigheden (AOV) en drie modules van de cursus Branchegerichte Ondernemersvaardigheden (BOV) met voldoende resultaat afgelegd. Op 3 september 2003 zal hij examen in één module van de BOV-cursus afleggen en op 5 september 2003 in vier modules van de AOV-cursus. Indien verzoeker deze examens moet goed gevolg aflegt, hoeft hij nog slechts één examen van de AOV-cursus met voldoende resultaat af te leggen om aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen.

De intrekking van de vergunning van verzoeker is onevenredig zwaar. Hij zal zijn onderneming niet langer kunnen voortzetten en zal voor zijn levensonderhoud ten laste van de openbare kas komen. Voorts zal het hem veel moeite kosten zijn taxionderneming weer op te bouwen wanneer hij zelf aan de eis van vakbekwaamheid voldoet.

Verzoeker was niet op de hoogte van het feit dat hij na het overlijden van de (beoogd) vakbekwaam leidinggevende persoon binnen zijn onderneming, mogelijk, een jaar de tijd zou hebben om zelf aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. Indien hij dat wel had geweten, had hij meer energie gestoken in het behalen van de daarvoor vereiste diploma's.

Verzoeker heeft, ondanks een daartoe strekkend verzoek van de zijde van verweerder, zijn vergunningbewijzen nog niet ingeleverd. Hij houdt zich ook thans nog bezig met het verrichten van taxivervoer.

Q heeft gedurende ongeveer vier maanden leiding gegeven aan de taxionderneming van verzoeker. Daarna heeft verzoeker een eigen boekhouder in de arm genomen. Q heeft geholpen bij de aanschaf van een voertuig en het afsluiten van verzekeringen. Voorts heeft Q verzoeker het werk als taxichauffeur uitgelegd en aangegeven op welke standplaatsen hij het beste met zijn taxi kon gaan staan.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wbb kan, indien beroep bij het College is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, mits procespartijen hiervoor toestemming hebben gegeven. Dit laatste is het geval.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van

18 augustus 2003 is de voorzieningenrechter van oordeel dat onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan.

Aan de orde is of verweerder bij het bestreden besluit terecht de intrekking van de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende.

Het besluit tot intrekking van de vergunning berust op het oordeel dat Q niet kon gelden als vakbekwame persoon die daadwerkelijk en permanent leiding gaf aan de onderneming van verzoeker. In bezwaar bestrijdt verzoeker dit oordeel. Bij het bestreden besluit overweegt verweerder dat de juistheid van dit oordeel in het midden kan blijven, nu Q is overleden. Uit hetgeen in het verweerschrift is opgemerkt, blijkt dat deze overweging onjuist is. Indien immers Q op het moment van diens overlijden wél kon gelden als vakbekwame persoon in vorenbedoelde zin, dan had verzoeker in aanmerking kunnen komen voor een tijdelijke ontheffing van de vakbekwaamheidseis, in welk geval een intrekking van de vergunning niet aan de orde zou zijn.

Door van een inhoudelijke heroverweging van zijn besluit van 7 maart 2002 af te zien, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Het bestreden besluit dient dientengevolge te worden vernietigd; het beroep is gegrond. Verweerder zal opnieuw op verzoekers bezwaarschrift moeten beslissen met inachtneming van de overwegingen van de voorzieningenrechter in deze uitspraak. Verder dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep (€ 116,--) aan verzoeker te vergoeden.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het treffen van een voorlopige voorziening in een situatie als hier aan de orde komt eerst in beeld, indien, naar voorlopig oordeel, ernstig betwijfeld moet worden of de intrekking van de taxivergunning de rechtmatigheidstoets niet zal kunnen doorstaan. Van zodanige twijfel is evenwel geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende.

Gelijk het College reeds eerder met een verwijzing naar het wettelijk stelsel heeft overwogen - zie onder meer de uitspraak van 31 maart 2003 (AWB 02/1440; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF7109) - acht de voorzieningenrechter het niet onjuist dat verweerder vergunningaanvragen voor een bedrijfsvoering van een eigen rijder die zelf niet aan de vakbekwaamheidseis voldoet, maar deze door een procuratiehouder laat inbrengen, kritisch beziet en niet op voorhand van de aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde taakomschrijving van de procuratiehouder uitgaat. Met name in gevallen waarin de taken en bevoegdheden van de procuratiehouder niet ondubbelzinnig omschreven worden, moet immers rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat na de vergunningverlening in de praktijk aan de vereiste continue en inhoudelijke betrokkenheid van de procuratiehouder geen concrete invulling zal worden gegeven.

Op basis van de voorhanden zijnde informatie overweegt de voorzieningenrechter dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat Q permanent en daadwerkelijk leiding zou geven aan het taxibedrijf van verzoeker. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat volgens de "Verklaring inbreng vakbekwaamheid" de permanente en daadwerkelijke leiding niet berust bij Q, doch bij "gezamenlijk overleg" (vraag 1). Ook de taakverdeling tussen ondernemer en leidinggevende wordt "in gezamenlijk overleg" vastgesteld (vraag 9). Een en ander suggereert een zodanige afhankelijkheid van verzoeker zelf, dat geen sprake is van een situatie waarin Q degene is die leiding geeft. Uit de beantwoording van de in de "Verklaring inbreng vakbekwaamheid" gestelde vragen, in onderlinge samenhang bezien, en de ter zitting op dit punt door verzoeker afgelegde verklaringen, lijkt in ieder geval te volgen dat de activiteiten van Q zich niet zouden uitstrekken over het gehele scala van leidinggevende werkzaamheden. De werkzaamheden van Q waren veeleer van adviserende en toezichthoudende aard, hetgeen eveneens duidt op de mogelijkheid dat de daadwerkelijke beslissingen uiteindelijk door verzoeker zelf werden genomen. Verder kunnen vraagtekens worden gezet bij de beschikbaarheid van Q om leiding te geven, aangezien Q naast werkzaamheden binnen diens eigen taxionderneming, welke, volgens diens eigen verklaring, minimaal twee dagen in beslag namen, als vakbekwaam leidinggevende persoon tevens binnen vier andere taxiondernemingen werkzaam zou zijn.

De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening (€ 116,--) aan verzoeker dient te vergoeden. Het verzoek om voorlopige voorziening is immers niet nodeloos ingediend, aangezien de vertegenwoordiger van verweerder ter zitting heeft verklaard dat verzoeker tot 21 augustus 2003, een jaar na het overlijden van Q, op legale wijze taxivervoer mag verrichten. In zoverre is verweerder verzoeker naar aanleiding van zijn verzoek om voorlopige voorziening - zij het beperkt - tegemoetgekomen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2003;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- bepaalt dat de door verzoeker betaalde griffierechten ten bedrage van € 232,-- (zegge: tweehonderd twee-endertig euro),

bestaande uit een bedrag van € 116,-- voor de behandeling van het beroep en een bedrag van € 116,-- voor de behandeling

van het verzoek om voorlopige voorziening, door verweerder aan verzoeker worden vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.

w.g. C.J. Borman w.g. M.S. Hoppener