Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL1839

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-08-2003
Datum publicatie
25-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/494 en 02/495
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 21 maart 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 8 februari 2002.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op bezwaarschriften, ingediend tegen besluiten d.d. 30 maart 2001, strekkende tot afwijzing van verzoeken om (verlenging van de) toelating van de bestrijdingsmiddelen Daconil Vloeibaar 500 (hierna: Daconil ), Schimmelweg, Tattoo C (hierna: Tattoo) en Allure Vloeibaar (hierna: Allure).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 168K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/494 en 02/495 12 augustus 2003

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak in de zaken van:

1. de Stichting Zuidhollandse Milieufederatie, gevestigd te Rotterdam,

2. de Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

appellanten,

gemachtigde: mr. drs. J.R. Rutteman, werkzaam bij appellante sub 1,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, gevestigd te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage, en mr. M.K. Polano, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partijen deelnemen:

3. Syngenta Crop Protection B.V., te Roosendaal,

4. Bayer Crop Science B.V., gevestigd te Mijdrecht,

5. BASF Nederland B.V., gevestigd te Arnhem,

gemachtigde voor partij sub 3 en voor partij sub 4 voor zover het betreft het bestrijdingsmiddel Schimmelweg: mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te 's-Gravenhage,

gemachtigde voor partij sub 4 voor zover het betreft het bestrijdingsmiddel Tattoo C, alsmede voor partij sub 5: mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda.

1. De procedure

Op 21 maart 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen besluiten van verweerder van 8 februari 2002.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op bezwaarschriften, ingediend tegen besluiten d.d. 30 maart 2001, strekkende tot afwijzing van verzoeken om (verlenging van de) toelating van de bestrijdingsmiddelen Daconil Vloeibaar 500 (hierna: Daconil ), Schimmelweg, Tattoo C (hierna: Tattoo) en Allure Vloeibaar (hierna: Allure).

Bij brief van 23 mei 2002 hebben appellanten de gronden van hun beroep uiteengezet en stukken aan het College overgelegd.

Onder dagtekening 30 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 20 maart 2003 hebben appellanten nadere stukken ingezonden.

Op 21 maart 2003 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2003, waar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door eerdervermelde gemachtigden.

Voorts zijn ter zitting namens verweerder verschenen: A en B, beiden werkzaam bij verweerder.

2. Ontstaan en loop van het geding

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent het College de volgende gegevens.

2.1 De in het geding zijnde bestrijdingsmiddelen betreffen middelen op basis van de werkzame stof chloorthalonil en dienen ter bestrijding van schimmels bij de teelt van verscheidene gewassen in de land- en tuinbouw, de bloembollen- en bloementeelt en de boomkwekerij.

Het bestrijdingsmiddel Allure bevat tevens de werkzame stof prochloraz. Het middel Tattoo bevat tevens de werkzame stof propamocarb-hydrochloride. De toelating van het bestrijdingsmiddel Schimmelweg is een afgeleide van die van het middel Daconil.

2.2 Chloorthalonil is een zogenaamde kanalisatiestof, een stof die ingevolge het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (hierna: Bmb) vóór 1 januari 2000 diende te worden getoetst aan de normen en de criteria van het Bmb. Op 15 juli 1999 heeft verweerder aan de betrokken toelatinghouders het voornemen bekend gemaakt om alle toepassingen van bestrijdingsmiddelen op basis van chloorthalonil te beëindigen per 1 november 1999. Zulks, naar blijkt uit een vergaderstuk van verweerder d.d. 28 juni 1999, op de grond dat niet werd voldaan aan de in het Bmb opgenomen normen inzake persistentie, uitspoeling, het risico voor waterorganismen en voor bioaccumutatie.

Verweerder heeft destijds uit overwegingen van efficiency besloten vooralsnog geen beoordeling toe te passen aan de hand van de overige toelatingscriteria, vervat in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw), zoals de risico's voor de volksgezondheid, voor de toepasser en ter zake van andere van belang zijnde milieuaspecten dan hiervoor vermeld.

2.3 Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de toelatinghouders zijn bij besluiten van verweerder d.d. 3 december 1999 het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing van de bestrijdingsmiddelen gewijzigd. Naar blijkt uit een vergaderstuk van 2 november 1999, stelde verweerder zich op het standpunt dat de resterende toepassingen voldeden aan de normen van het Bmb. Uit dit vergaderstuk blijkt tevens dat weliswaar de toets aan het Bmb was afgerond, doch dat de beoordeling aan de hand van eerderbedoelde overige toelatingscriteria van de Bmw niet had plaatsgevonden, omdat aanvankelijk het voornemen bestond de toelatingen te beëindigen.

Bij besluiten van - eveneens - 3 december 1999 zijn de toelatingen van de middelen procedureel verlengd tot 1 november 2000 teneinde de risicoschattingen voor de overige milieuaspecten op te stellen en de besluitvorming af te ronden. Daarbij is vermeld dat een tweetal metabolieten zou worden getoetst aan de vereisten, opgenomen in de meest recente versie van het "Guidance Document on relevant Metabolites".

Een door appellante sub 1 gedaan verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot evengenoemd besluiten, is afgewezen bij uitspraak van de president van het College d.d. 8 september 2000.

2.4 Omtrent de beoordeling van voornoemde overige milieuaspecten en van eerderbedoelde metabolieten is gerapporteerd in een vergaderstuk d.d. 5 oktober 2000, dat is behandeld in de vergadering van verweerder 11 oktober 2000. Verweerder heeft in verband met deze beoordeling het voornemen uitgesproken om middelen op basis van chloorthalonil te beëindigen, daarbij onder meer in aanmerking nemend dat niet is vastgesteld dat de middelen en hun omzettingsproducten (-) geen schadelijke uitwerking hebben op het grondwater en (-) geen voor het milieu onaanvaardbare effecten hebben. Bij besluiten van 31 oktober 2000 heeft verweerder de toelating van chloorthalonilhoudende middelen procedureel verlengd tot 1 april 2001.

2.5 De president van het College heeft, beslissende op een verzoek om voorlopige voorziening van appellante sub 1, bij uitspraak van 16 februari 2001 evenvermelde besluiten van 31 oktober 2000 geschorst en bepaald dat de desbetreffende bestrijdingsmiddelen worden behandeld als waren de toelatingen daarvan niet verlengd. Deze beslissing berust op onder meer de volgende overwegingen:

"Tijdens de behandeling ter zitting van het vorige verzoek om voorlopige voorziening d.d. 1 september 2000 is, zoals in de hiervoor ten dele weergegeven uitspraak van de president van 8 september 2000 tot uitdrukking is gebracht, van de zijde van verweerder uitdrukkelijk toegezegd dat in oktober 2000 een inhoudelijke beslissing op de aanvragen om verlenging van de toelating van chloorthalonil houdende bestrijdingsmiddelen zou worden genomen.

Verweerders gemachtigde heeft tijdens de behandeling ter zitting van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening, daarnaar gevraagd, aangegeven dat de thans voorliggende besluiten van 31 oktober 2000 de ter zitting van 1 september 2000 in het vooruitzicht gestelde beslissingen betreffen, die zijn genomen naar aanleiding van een inhoudelijke, dat wil zeggen op een toetsing aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet berustende beoordeling van de verlengingsaanvragen.

Voorts is van de zijde van verweerder bij die gelegenheid tevens erkend dat het hier, aldus beschouwd, om definitieve besluiten gaat, doch dat louter om niet af te wijken van verweerders vaste praktijk om - uit zorgvuldigheidsoogpunt en met analoge toepassing van artikel 4:8 van de Awb - de toelatingshouders die met dergelijke besluiten worden geconfronteerd in de gelegenheid te stellen hun zienswijze daarop kenbaar te maken, nog - tot 1 april 2001 - tot procedurele verlenging is overgegaan.

In dit verband heeft het onder meer de aandacht van de president getrokken dat in de bijlage bij de besluiten van 31 oktober 2000 onder meer is aangegeven dat:

"alle onderhavige toepassingen op basis van de metabolieten (….) niet voldoen aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwater zoals opgenomen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Bmb). Op basis van het feit dat (….) dienen alle toepassingen te worden beëindigd."

Gelet op de tekst van de aangevallen besluiten, zoals verder toegelicht ter zitting, moet dan ook als vaststaand worden aangenomen dat voor alle hier aan de orde zijnde toepassingen van de in geding zijnde bestrijdingsmiddelen geldt dat, gelet op de in de, afgeronde, (verlengings)aanvraagprocedure aangedragen en toegelichte gegevens, niet wordt voldaan aan bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria.

Naar voorlopig oordeel van de president biedt de Wet in een situatie als de onderhavige geen ruimte om, onder verwijzing naar artikel 5 van de Wet, dan niettemin tot verlenging van de toelating van de in geding zijnde bestrijdingsmiddelen over te gaan. Dienaangaande overweegt de president als volgt.

Het specifieke karakter van het instituut van de procedurele verlenging geeft naar zijn aard slechts een termijn met het oog op het verkrijgen van inzicht in de vraag of nog steeds aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan.

Dit karakter valt af te leiden uit het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, derde volzin, van de Wet, waaruit blijkt dat de toelating kan worden verlengd voor de periode, die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging is gemoeid.

De uitkomst van die beoordeling is, blijkens het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de Wet beslissend voor het antwoord op de vraag of ten aanzien van de betrokken middelen nog steeds aan die voorwaarden voor toelating is voldaan.

Gelet op het eerstoverwogene valt dan niet in te zien dat er hier - nu verweerder zelf in de thans aangevallen besluiten tot de conclusie is gekomen dat met betrekking tot de onderhavige bestrijdingsmiddelen voor de hier relevante toepassingen niet ten volle aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet is voldaan - een noodzaak tot verder onderzoek en dus tot verlenging zou bestaan.

De artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb (…) kunnen hier, naar voorlopig oordeel van de president, de grondslag van de gegeven procedurele verlengingen niet vormen. Daartoe overweegt de president als volgt.

Uit de artikelen 3, 3a en 4 van de Wet en uit de op laatstgenoemd artikel gebaseerde Rtb 1995 volgt, naar het oordeel van de president, dat daarin limitatief is aangegeven hoe verweerder aanvragen als hier aan de orde heeft te behandelen en, gelet op het bepaalde in artikel 10, eerste en vierde lid, van die regeling, op welke manier aanvragers zich, desgewenst, kunnen doen gelden, indien de overgelegde gegevens aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit houdende gehele dan wel gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.

De president is van oordeel dat een verwijzing naar de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb - al aangenomen dat deze artikelen hier in zich zelve toepasselijk zouden zijn - niet door de hier door de wetgever verkieslijk geachte systematiek kan heen breken.

Het voorgaande leidt de president tot de conclusie dat er geen wettelijke grondslag valt aan te wijzen waarop verlenging van de gewraakte toelatingen in een geval als het onderhavige kan worden gebaseerd. Door toch tot verlenging van deze toelatingen over te gaan, terwijl verweerder tezelfdertijd concludeert dat de in geding zijnde bestrijdingsmiddelen niet voldoen aan bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria en verweerder de aangevallen besluiten in zoverre zelf als definitief heeft gekenmerkt, heeft verweerder deze besluiten, naar voorlopig oordeel van de president, genomen in strijd met de Wet.".

2.6 Bij besluit van 15 maart 2001 heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen voormelde besluiten van 31 oktober 2000 gegrond verklaard en deze besluiten, casu quo de daarbij verleende procedurele verlengingen, met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.7 Bij besluiten van 30 maart 2001 heeft verweerder, overwegende dat ten gevolge van evengenoemd besluit, waarbij de procedurele verlenging voor de betrokken bestrijdingsmiddelen is komen te vervallen, de destijds ingediende aanvragen tot verlenging dienen te worden beschouwd als aanvragen om toelating, waarbij de aanvragen getoetst zullen worden aan de thans geldende criteria, de aanvragen tot toelating van de middelen Daconil, Allure en Tattoo afgewezen op de grond dat niet is vastgesteld dat deze middelen en hun omzettingsproducten geen voor het milieu onaanvaardbare effecten hebben en dat uit de beoordeling van de gegevens is gebleken dat:

"I. alle toepassingen, op basis van de metaboliet SDS-3701, niet voldoen aan de norm voor persistentie, zoals opgenomen in artikel 5 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen:

II. alle onderhavige toepassingen op basis van de werkzame stof chloorthalonil, met met uitzondering van de toepassing in bloembol- en bolbloemgewassen; zaaiuien, zaaisjalotten en 2e jaars plantuien; 1e jaars plantuien, picklers, zilveruien en plantsjalotten; bloembol- en bolbloemgewassen en de toepassingen onder glas, voldoen niet aan de normen voor waterorganismen zoals opgenomen in artikel 7 van het Besluit milieutoelatinseisen bestrijdingsmiddelen;

III de toepassingen met een PIEC-waarde > 5 mg/kg in de bodem op basis van de metaboliet SDS-3701 voldoen niet aan de chronische norm voor regenwormen zoals opgenomen de Uniforme Beginselen (UB); niet voldaan worden aan artikel 7a van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen;

IV.het chronisch risico voor regenwormen voor wat betreft chloorthalonil en de metaboliet VIS-01 kan niet worden beoordeeld omdat gegeven ontbreken. Niet vastgesteld kan worden dat er geen risico's zijn; artikel 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, gelezen in samenhang met artikel 7a van het Besluit milieu toelatingseisen bestrijdingsmiddelen;

V. het risico van chloorthalonil voor bodemmicro-organismen kan niet voor alle toepassingen worden beoordeeld omdat de onderzoeksgegevens bij voldoende hoge concentraties in de bodem ontbreken. Niet vastgesteld kan worden dat er geen risico's zijn: artikel 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, gelezen in samenhang met artikel 7a van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen."

Ten aanzien van het middel Schimmelweg is geconcludeerd dat vanwege de afwijzing van de aanvrage voor de moedertoelating van Daconil, geen grond voor een afgeleide toelating bestaat.

2.8 Van de zijde van de betrokken toelatinghouders zijn tegen de besluiten van 30 maart 2001 bezwaarschriften ingediend.

Bij brief 15 november 2001 zijn vanwege partij sub 3 ter ondersteuning van het in bezwaar gestelde nieuwe onderzoeksgegevens aan verweerder toegezonden.

Op 20 november 2001 heeft verweerder in reactie op de bezwaren bij de Adviescommissie voor de bezwaarschriften Ctb een verweerschrift ingediend. Dit geschrift bevat de volgende conclusie:

"Gelet op artikel 3 en artikel 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn de aanvragen naar het oordeel van het CTB terecht afgewezen omdat is vastgesteld dat de omzettingsproducten van de onderhavige bestrijdingsmiddelen niet voldoen aan het bepaalde bij het Belsuit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (blijkens de overgangsregeling in artikel 8 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 2000 is het bepaalde in dat Besluit niet van toepassing op de onderhavige aanvraag). Het betreft in dit geval geen voorlopig oordeel, maar gelet op de geschiedenis van de behandeling van de aanvraag met betrekking tot bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof chloorthanonil, noodzakelijkerwijs een definitief oordeel. Daarop kan niet anders dan een afwijzend besluit volgen. Het is aan de voormalige toelatinghouders om aan te tonen dat wel aan de normen in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen wordt voldaan. Is dit niet het geval, kan de toelating niet worden verlengd, dan wel een nieuwe toelating worden verleend.

Uit het voorgaande volgt eveneens dat moet worden aangenomen dat deskundigen verschillen van inzicht in welke mate al dan niet wordt voldaan aan de vereisten waaraan een bestrijdingsmiddel moet voldoen om te worden toegelaten. Het CTB heeft op zorgvuldige wijze alle aspecten beoordeeld en alle nieuwe gegevens die appellanten tijdens de beoordeling van de aanvraag hebben overgelegd in die beoordeling betrokken. Uit deze verschillen van mening kan slechts één conclusie worden getrokken; niet met voldoende zekerheid staat vast dat de betreffende bestrijdingsmiddelen kunnen voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat er geen voor het milieu onaanvaardbare effecten zijn. Gelet ook op het feit dat appellanten niet hebben aangetoond dat het CTB op onmiskenbare onjuiste grondslag het bestreden besluit heeft gebaseerd moet worden aangenomen dat voor alle betreffende bestrijdingsmiddelen geldt dat gelet op de in deze procedure, tot op het laatste moment, overgelegde gegevens niet wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 3 en 3a van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962."

2.9 Genoemde Adviescommissie heeft de betrokken toelatinghouders op hun bezwaren gehoord op een hoorzitting van 28 november 2001. In onderdeel 6 (Sluiting) van het verslag van deze hoorzitting is het volgende vermeld:

"De voorzitter van de commissie deelt mede dat de commissie de hoorzitting tot 19 december 2001 (verschoven naar 9 januari 2002) aanhoudt. De commissie adviseert het Ctb om in overleg te treden met appellanten omtrent de vaststelling van de MTR en op basis van de argumenten van appellanten de afwijzingsgrond I, het niet voldoen van de metaboliet SDS-3701 aan de norm voor persistentie, te heroverwegen. Daarnaast adviseert de commissie het Ctb de conversie van de aanvraag tot verlenging van de toelating naar een aanvraag tot nieuwe toelating nader te bezien.

De commissie besluit dat indien in de periode tot 9 januari 2002 geen overeenstemming tussen het Ctb en appellanten wordt bereikt, blijkende uit een schriftelijke mdedeling van het Ctb en appellanten aan de adviescommissie, de behandeling van de bezwaarschriften op de zitting op 9 januari 2002 voortgezet zal worden. Indien het Ctb en appellanten wel tot overeenstemming komen zal de commissie hierover tijdig schriftelijk geïnformeerd worden."

2.10 Op 10 december 2001 heeft overleg plaatsgevonden tussen medewerkers van partij sub 3 en van verweerder. In de overwegingen bij de bestreden besluiten is omtrent dit overleg en hetgeen vervolgens is geschied, het volgende opgemerkt:

"Bij het overleg zijn nieuwe gegevens overgelegd, waardoor voldoende informatie beschikbaar is om adequaat een MTR [maximaal toelaatbaar risico; in dit geval de MTR-bodem van de metaboliet SDS-3701; toevoeging College] vast te stellen. Naar aanleiding hiervan is aan het RIVM advies gevraagd wat dit betekent voor het standpunt dat de metaboliet SDS-3701 niet voldoet aan de norm voor persistentie (Afwijzingsgrond I). Op basis van deze gegevens heeft op dit punt een heroverweging op basis van het bezwaarschrift plaatsgevonden. Gebleken is dat thans wordt voldaan aan de norm voor persistentie, zodat ook deze afwijzingsgrond kan vervallen. Dit betekent dat partijen ook op dit punt overeenstemming hebben bereikt. De commissie is hiervan op 4 januari 2002 schriftelijk op de hoogte gebracht door het CTB (bijlage 3)

De commissie heeft blijkens haar brief van 7 januari 2002 naar aanleiding van het voorgaande geen aanleiding gevonden om het horen van partijen op 9 januari 2002 voort te zetten en ziet ook overigens, nu partijen tot overeenstemming zijn gekomen, geen aanleiding een advies uit te brengen (bijlage 4)."

2.11 Van de zijde van de betrokken toelatinghouders is in de bezwaarprocedure voorgesteld het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing van de onderhavige bestrijdingsmiddelen te wijzigen. Bij de bestreden besluiten van 8 februari 2002 heeft verweerder, uitgaande van de voorgestelde wijzigingen en van nieuwe gegevens die van de zijde van de toelatinghouders naar voren waren gebracht, beslist de onderhavige middelen in teelten en op een wijze en in een dosering, als nader omschreven, toe te laten tot 1 december 2005 wat betreft Tattoo en tot 1 december 2007 wat betreft de overige middelen.

3. De beoordeling

3.1 Het College gaat allereerst in op de stelling van appellanten, dat verweerder bij de primaire besluiten van 30 maart 2001 niet kon beslissen op de verzoeken tot verlenging van de toelatingen van de onderhavige bestrijdingsmiddelen, aangezien als gevolg van het (hiervoor in § 2.6 vermelde) besluit van 15 maart 2001 op 30 maart 2001 geen toelating meer van kracht was.

3.2 Hieromtrent overweegt het College dat (zoals in § 2.7 is vermeld) verweerder bij het nemen van de besluiten van 30 maart 2001 de eertijds ingediende verzoeken om verlenging van de toelatingen heeft aangemerkt als verzoeken om toelating en dienovereenkomstig heeft beslist.

Naar het oordeel van het College is deze conversie - hoewel de noodzaak daarvoor niet direct duidelijk is - op zichzelf niet onjuist te achten, nu de betrokken toelatinghouders daarmee kennelijk hebben ingestemd. De omstandigheid dat de omzetting van verzoeken om verlenging naar verzoeken om toelating plaatsvond op een tijdstip waarop geen toelatingen meer van kracht waren, staat aan een dergelijke conversie niet in de weg, met name niet nu de gang van zaken welke tot die omstandigheid heeft geleid, niet aan de toelatinghouders is toe te rekenen.

3.3 Uitgaande van een procedure inzake aanvragen om toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen, gaat het College vervolgens in op de grief van appellanten, dat in de bezwaarprocedure betreffende de besluiten van 30 maart 2001, aanvullende gegevens zijn geleverd, en dat de bezwaarprocedure daardoor heeft gefungeerd als aanvraagprocedure. Daarnaast is - aldus appellanten - tijdens de bezwaarprocedure voorgesteld het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing te wijzigen. Door de aanvaarding van dit voorstel en het in aanmerking nemen van nieuwe, van de zijde van de toelatinghouders verstrekte, gegevens heeft verweerder beslist aangaande een wezenlijk andere aanvraag dan de aanvraag die voorlag bij de primaire besluiten van 30 maart 2001. Appellanten achten deze gang van zaken in strijd met het bepaalde in de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: Rtb) en met een goede procesorde.

3.4 Het College overweegt naar aanleiding hiervan in de eerste plaats dat verweerder bij de besluiten van 30 maart 2001 (zoals vermeld in § 2.7) duidelijk heeft aangegeven op welke punten de onderhavige bestrijdingsmiddelen niet voldoen aan de toepasselijke wettelijke toelatingscriteria. In de conclusie van het verweerschrift aan de Adviescommissie voor de bezwaarschriften Ctb (weergegeven in § 2.8) heeft verweerder in niet mis te verstane bewoordingen uiteengezet dat op basis van een zorgvuldige beoordeling van de gegevens die de toelatinghouders hebben overgelegd, definitief moet worden geoordeeld dat de toelatinghouders niet hebben aangetoond dat wordt voldaan aan de wettelijke normen, en dat derhalve een nieuwe toelating niet kan worden verleend.

Van de zijde van de toelatinghouders zijn (zoals blijkt uit § 2.7 en § 2.10) op 15 november 2001 en na de op 28 oktober 2001 gehouden hoorzitting nadere onderzoeksgegevens aan verweerder verstrekt. Voorts is verweerder, zoals hiervoor vermeld, bij de bestreden besluiten uitgegaan van een wettelijk gebruiksvoorschrift en een gebruiksaanwijzing in een gewijzigde vorm, als door de toelatinghouders voorgesteld.

3.5 Met betrekking tot de door appellanten aan de orde gestelde aanvaardbaarheid van de besluitvorming die heeft geleid tot de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen bij de bestreden besluiten, overweegt het College dat het Rtb, een mede op grond van de Bmw gegeven algemeen verbindend voorschrift, een afgeronde regeling behelst met betrekking tot onder andere de wijze van indiening van aanvragen om (verlenging van) toelating, de daarbij te verstrekken gegevens, de daarop te nemen beslissingen en daarvoor geldende termijnen, het vergaren van nadere noodzakelijke gegevens, het buiten verdere behandeling stellen van een aanvraag indien niet wordt voldaan aan bepaalde vereisten, en de mogelijkheid een aanvraag tijdens de behandeling op beperkte schaal te wijzigen.

Op grond van het bepaalde bij het Rtb moet worden aangenomen dat de regelgever de beoordeling van een aanvraag heeft willen binden aan de gegevens die in de aanvraagprocedure, binnen de daarvoor geldende termijn, zijn verstrekt.

Uit de aard van dit specifieke stelsel van voorschriften inzake de behandeling van aanvragen, waarbij op de aanvrager de plicht rust tot het aanleveren van gegevens die zijn vereist voor een beoordeling van de aanvraag aan de hand van de wettelijke toelatingscriteria, volgt dat verweerder bevoegd is te weigeren rekening te houden met eerst in de bezwaarprocedure naar voren gebrachte gegevens die in de aanvraagprocedure hadden behoren te worden geleverd.

3.6 Naar op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen, heeft verweerder in verband met de - zijns inziens - bijzondere procedurele ontwikkelingen die zich hadden voorgedaan ten aanzien van de betrokken toelatinghouders, aanleiding gevonden nadere gegevens die door de indieners van bezwaarschriften tegen de afwijzingsbesluiten van 30 maart 2001 in de bezwaarprocedure waren aangeleverd, te betrekken bij zijn beslissing op bezwaar.

3.7 Ofschoon het niet ontoelaatbaar is indien in verband met bijzondere omstandigheden aanleiding wordt gevonden in het kader van de bezwaarprocedure nader aangevoerde gegevens te aanvaarden, dient zulks, gelet op de waarborgen waarmee de aanvraagprocedure in het Rtb is omgeven, zeker wanneer derde-belanghebbenden bij de procedure zijn betrokken, te geschieden op een wijze die materieel recht doet aan de vereisten van het Rtb. In geval van het alsnog inwilligen van een verzoek om (verlenging van) toelating brengt dit met zich dat duidelijk wordt aangegeven welke nadere gegevens in aanmerking zijn genomen en welke de uitkomst is van de beoordeling van deze gegevens aan de hand van de wettelijke toelatingscriteria. Dit impliceert tevens dat duidelijk wordt gemotiveerd waarom, anders dan bij het primaire besluit, bij de beslissing op bezwaar wordt geoordeeld dat geen beletselen voor (verlenging van) toelating aanwezig worden geacht. Een op deze aspecten toegesneden motivering mag met name in een geval als het onderhavige, waarin (naar blijkt uit §2.7 en § 2.8) aanvankelijk sprake was van een duidelijk onder woorden gebrachte opvatting dat (verlenging van) toelating niet tot de mogelijkheden behoorde, niet ontbreken.

3.8 Het College is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat het bij de besluitvorming die heeft geleid tot de thans bestreden besluiten, heeft ontbroken aan de vereiste procedurele zorgvuldigheid. Hierbij neemt het College in overweging dat het gezien de opstelling van verweerder, zoals blijkend uit het in § 2.8 vermelde verweerschrift aan de Adviescommissie voor de bezwaarschriften Ctb, niet onbegrijpelijk is dat appellanten zich niet hebben laten vertegenwoordigen op de hoorzitting van 28 november 2001. Naar op grond van de gedingstukken moet worden aangenomen, hebben de ontwikkelingen die aanleiding hebben gegeven tot de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen, zich tijdens en (zoals vermeld § 2.10) met name na genoemde hoorzitting voorgedaan en hadden appellanten geen zicht op hetgeen zich in dat kader afspeelde. In verband hiermede was een voortzetting van de hoorzitting, waarvoor appellanten hadden moeten worden uitgenodigd, in elk geval geboden te achten.

3.9 Het College is voorts van oordeel dat de bestreden besluiten niet voldoen aan de hiervoor in § 3.7 geformuleerde motiveringsvereisten. In de overwegingen bij deze besluiten zijn weliswaar op het punt van de beoordeling van milieuaspecten tal van technische details vermeld, doch deze overwegingen verschaffen niet het vereiste inzicht ter zake van de vragen (-) welke door de betrokken toelatinghouders alsnog geleverde gegevens een beslissende rol hebben gespeeld bij de toelating, (-) hoe de daarbij gegeven waardering inzake de toelaatbaarheid van de bestrijdingsmiddelen zich verhoudt tot de beoordeling die bij de extensief gemotiveerde primaire afwijzingsbesluiten is gehanteerd, en (-) welke in dit verband de betekenis is van de wijziging van het wettelijk gebruiksvoorschrift en van de gebruiksaanwijzing.

Het College merkt in dit verband op dat het gezien de beschikbare gegevens niet aannemelijk is dat reeds op grond van uitsluitend een herwaardering van de bij de primaire besluiten beschikbare gegevens kon worden geconcludeerd dat een toelating op basis van evenbedoelde wijziging kon worden verleend.

3.10 In verband met het vorenoverwogene komt het College tot de slotsom dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard en dat de bestreden besluiten behoren te worden vernietigd.

Het College is niet gebleken dat appellanten proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen.

Voor en proceskostenveroordeling ten gunste van partijen sub 3, 4 en 5 acht het College geen termen aanwezig.

Derhalve wordt beslist zoals hierna is vermeld.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen;

- bepaalt dat het betaalde griffierecht, ten bedrage van € 218,--, door de Staat wordt vergoed aan appellante sub 1.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. L. van den Broek-Prins