Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AL1838

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
25-09-2003
Zaaknummer
AWB 00/619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Kaderregeling ontheffingen experiment

Golden Harvest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/619 28 augustus 2003

16050 Meststoffenwet

Kaderregeling ontheffingen experiment

Golden Harvest

Uitspraak in de zaak van:

de vennootschap onder firma A, te X, appellante,

gemachtigde: mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Veghel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

1. De procedure

Op 21 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen een namens verweerder door de directeur van Bureau Heffingen te Assen genomen besluit d.d. 13 juni 2000.

Bij schrijven van 6 september 2000 heeft appellante de gronden voor haar beroep uiteengezet.

Onder dagtekening 20 november 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 30 oktober 2001 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Aldaar zijn verschenen voor appellante mr. Roorda, voornoemd, en B, vennoot van appellante. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Haan en ing. K.H. de Boer, beiden werkzaam bij Bureau Heffingen.

Bij beschikking van 9 januari 2002 heeft het College, oordelend dat het onderzoek niet volledig is geweest, het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een vraag van het College te beantwoorden.

Bij schrijven van 31 januari 2002 is van de zijde van verweerder antwoord gegeven op evenbedoelde vraag.

Bij brief van 21 maart 2002 heeft appellante een reactie gegeven op het gestelde in voormeld schrijven van verweerder d.d. 31 januari 2002.

De zaak is andermaal behandeld ter zitting op 5 augustus 2003. Appellante is daar vertegenwoordigd door eerdergenoemde gemachtigden. Namens verweerder is verschenen mr. S.C. Vissering-van der Reijt, werkzaam bij Bureau Heffingen.

2. De grondslag van het geschil

Bij de beoordeling van dit geding gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1 Vanwege appellante is op 30 december 1999 een zogenoemde "Aanvraag ontheffing uitbreidingsverbod" ingediend bij Bureau Heffingen.

Deze aanvraag is gedaan op grond van artikel 2 van de Kaderregeling ontheffingen experiment "Golden Harvest" (Stcrt. 1998, nr. 243; hierna: Kaderregeling). Krachtens dit artikel wordt op een daartoe strekkende aanvraag van de producent, tot een daarbij vastgestelde hoeveelheid meststoffen ontheffing verleend van het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Kaderregeling.

2.2 Bij besluit van 10 februari 2000 heeft verweerder appellante te kennen gegeven dat de aanvraag niet voor inwilliging in aanmerking komt, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 4, onder e, van de Kaderregeling. Deze voorwaarde houdt in, dat na 1 januari 1996 geen sprake mag zijn van een afname van het voor het bedrijf geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen als gevolg van een registratie, bedoeld in artikel 9 of 10 van de Wet verplaatsing mestproductie.

Verweerder heeft bij dit besluit in overweging genomen dat appellante, die op 27 juni 1997 is aangegaan, het onderhavige bedrijf op 7 juli 1997 heeft gekocht van C te Y (hierna: C). In verband hiermede heeft verweerder voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan voorwaarden van de Kaderregeling, de registratie bij het mestnummer van het bedrijf van C in aanmerking genomen. Blijkens deze registratie is na 1 januari 1996 het niet gebonden mestproductierecht varkens en kippen van laatstvermeld bedrijf met 3.665 kg. fosfaat afgenomen door een drietal registraties in de hiervoor bedoelde zin, welke hebben plaatsgevonden op 25 juli 1996, 27 augustus 1996 en op 24 december 1996.

2.3 Bij het bestreden besluit d.d. 13 juni 2000 heeft verweerder, beslissende op de bezwaren van appellante tegen voormeld besluit van 10 februari 2000, dit besluit gehandhaafd.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Hetgeen partijen over een weer naar voren hebben gebracht, betreft de reikwijdte van artikel 4, onder e, van de Kaderregeling. Hierbij is tevens aan de orde gesteld de betekenis van het in dit voorschrift voorkomende begrip "bedrijf". Aangaande deze kwestie heeft het College verweerder een vraag gesteld, als bedoeld in bovenvermelde beschikking van

9 januari 2002.

3.2 Gelet op het bepaalde in de Kaderregeling overweegt het College met betrekking tot de kernvraag van dit geding, namelijk of appellante in aanmerking komt voor een in artikel 2 van de Kaderregeling voorziene ontheffing van het in artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet genoemde verbod op uitbreiding van de productie van dierlijke meststoffen, het volgende.

3.3 De voorwaarden voor het verlenen van een zodanige ontheffing zijn opgesomd in artikel 4 van de Kaderregeling. Uit het bepaalde onder c, d en e van dit artikel blijkt - zoals ook in de Toelichting bij de Kaderregeling is uiteengezet - dat het experiment "Golden Harvest" zich richt op bestaande bedrijven waarop onderscheidenlijk (-) in een redelijke omvang bedrijfsmatig kippen worden gehouden, (-) reeds enige tijd in een redelijke omvang kippenmest wordt geproduceerd. Hierbij moet in aanmerking worden genomen:

- dat in artikel 4, onder c, ter zake van de minimale omvang van het mestproductierecht van het bedrijf de situatie op 1 januari 1996 als uitgangspunt wordt genomen,

- dat in artikel 4, onder d, met betrekking tot de daarin bedoelde minimale mestproductie wordt uitgegaan van de productie in 1996, en

- dat in artikel 4, onder e, ter zake van de daarin bedoelde afname van het niet gebonden mestproductierecht van het bedrijf voor varkens en kippen, 1 januari 1996 als peildatum wordt genoemd.

Het bepaalde in artikel 4 van de Kaderregeling brengt met zich dat een bedrijf dat na 1996 is ontstaan niet voor een ontheffing als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, in aanmerking komt.

3.4 In artikel 5 van de Kaderregeling is een bijzondere regeling getroffen voor het geval het bedrijf is ontstaan als gevolg van een afsplitsing van een ander bedrijf. In een dergelijke situatie gelden in afwijking van artikel 4, onder c, d en e, voor verlening van ontheffing de voorwaarden geformuleerd in artikel 5, onder a tot en met d.

In artikel 5, onder c, is als voorwaarde vermeld dat het na afsplitsing ontstane bedrijf van dezelfde persoon, rechtspersoon, of samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen is als het bedrijf waarvan het voor de splitsing deel uitmaakte.

3.5 Van de zijde van appellante is onder meer naar voren gebracht dat met de verkoop van zaken door C aan appellante het bedrijf van C is opgehouden te bestaan. In de onderhavige zaak gaat het, aldus appellante, om een geheel ander - nieuw - bedrijf, dat een eigen mestnummer heeft gekregen, en niet, zoals verweerder meent, om de voortzetting van het bedrijf van C. Dit betekent, volgens appellante, dat voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4, onder e, van de Kaderregeling, geen rekening mag worden gehouden met de vervreemding van mestproductierechten in het kader van de bedrijfsvoering door C.

3.6 Het College overweegt naar aanleiding hiervan dat, indien appellante in juli 1997 is begonnen met de uitoefening van een nieuw bedrijf, met betrekking tot dat bedrijf, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in § 3.3 en § 3.4, niet wordt, casu quo kan worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 4 van de Kaderregeling, aangezien het niet gaat om een bedrijf dat reeds in 1996 functioneerde.

Van een bedrijf in de betekenis van artikel 5 van de Kaderregeling, dat is ontstaan als gevolg van een afsplitsing van een ander - bestaand - bedrijf, is geen sprake, aangezien vaststaat dat niet wordt voldaan aan de in § 3.4 weergegeven voorwaarde van artikel 5, onder c.

Indien - zoals verweerder meent - het bij appellante gaat om hetzelfde bedrijf als bij C, althans in de betekenis die bij de toepassing van de Kaderregeling aan het begrip "bedrijf" moet worden gehecht, moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4, onder e, van de Kaderregeling.

Uit het voorafgaande volgt dat het in § 2.1 omschreven verzoek om ontheffing, op grond van het bepaalde in de Kaderregeling niet voor inwilliging in aanmerking komt.

3.7 Met betrekking tot het beroep dat appellante heeft gedaan op besprekingen die met vertegenwoordigers van verweerder zijn gehouden en afspraken welke in dat verband zouden zijn gemaakt, overweegt het College het volgende.

Geoordeeld moet worden dat het bij de Kaderregeling gaat om beleidsregels in de betekenis van Titel 4.2 van de Awb. In dit verband wordt mede verwezen naar de uitspraak van College 19 december 2002, AWB 01/575 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF 4486). In deze uitspraak was een gelijksoortige kaderregeling als de onderhavige aan de orde.

Gegeven het rechtskarakter van de Kaderregeling, is ingevolge artikel 4:84 van de Awb afwijking daarvan mogelijk, indien zou moeten worden geoordeeld dat een strikte toepassing gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Kaderregeling te dienen doelen. Het leveren van een onderbouwing voor de stelling dat sprake is van bijzondere omstandigheden in evenbedoelde zin, ligt (primair) op de weg van degene die daarop een beroep doet.

Het College is van oordeel dat hetgeen appellante in het kader van eerdervermeld beroep op besprekingen en afspraken naar voren heeft gebracht, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat door optreden aan de zijde van verweerder bij haar zodanige verwachtingen zijn gewekt, dat de in het geding zijnde weigering van ontheffing onredelijk zou kunnen worden geacht. Het College ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat hier sprake is van bijzondere omstandigheden in de betekenis van artikel 4:84 van de Awb.

3.8 Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet kan slagen.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht het College geen termen aanwezig.

Derhalve moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins