Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AK3415

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/1479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 2 augustus 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juni 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 17 januari 2002, genomen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1479 30 juli 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 2 augustus 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juni 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 17 januari 2002, genomen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Verweerder heeft op 28 oktober 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2003, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. De maatschap is vertegenwoordigd door A, bijgestaan door C. Namens verweerder is diens gemachtigde verschenen, bijgestaan door drs. M. Honig van GeoRas (hierna: Honig), die een toelichting heeft gegeven op de eerder door hem beoordeelde satellietbeelden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) 2801/1999, is onder meer het volgende bepaald:

'' Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met: tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 hectare en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.''

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 inwerking getreden met ingang van 13 december 2001, is het volgende bepaald:

'' Artikel 53

1. Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die beginnen vóór 1 januari 2002."

Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), zoals deze luidde ten tijde van belang, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

l. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft een aanvraag oppervlakten 2001 ingediend, door verweerder ontvangen op 27 april 2001, ter verkrijging van een subsidie als voorzien in de Regeling. Appellante heeft onder meer de percelen met volgnummers 1 en 2 met respectievelijk een oppervlakte van 3,73 en 6,81 hectare maïs opgegeven.

- Bij brief van 20 december 2001 is aan appellante medegedeeld dat bij een controle door middel van teledetectie is vastgesteld dat het perceel met volgnummer 1 voor een gedeelte van 2,53 ha niet voldoet aan de definitie akkerland. Appellante is in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren en aan te tonen dat betreffend perceel in de jaren 1987 tot en met 1991 wel is gebruikt voor akkerbouw.

- Bij brief van 28 december 2001 heeft appellante van deze gelegenheid gebruik gemaakt en aangegeven dat de percelen 1 en 2 in de jaren 1987 en 1988 in eigen beheer werden gebruikt. Als bewijsstukken heeft appellante landbouwtellingen en diverse kopieën uit de financiële boekhouding overgelegd.

- Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag voor akkerbouwsubsidie voor de gewasgroep maïs afgewezen. Hierbij is als reden vermeld dat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte 2,53 ha bedraagt; aangezien het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, namelijk 31,95%, is appellante geen subsidie toegekend.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 februari 2002 bezwaar gemaakt waar bij ze als bewijsstukken een landbouwtelling, rekening afschriften en een factuur heeft overgelegd.

- Op 15 mei 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waar appellante zich op het standpunt heeft gesteld dat perceel 1 in 1987 beteeld is geweest met maïs. Als bewijsstuk heeft appellante foto's uit oktober 1987 getoond.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit, waarbij appellantes bezwaar ongegrond is verklaard, houdt onder meer het volgende in.

'' Door middel van satellietfoto's en de interpretatie daarvan door GEORAS, is gebleken dat het perceel met volgnummer 1 in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 gedeeltelijk met gras beteeld is geweest. Om deze satellietfoto's te weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Ten aanzien van het perceel met volgnummer 1 (…) met een aangevraagde oppervlakte van 3,73 ha. waarvan 2,53 ha. niet aan de definitie akkerland voldoet, dient u aan te tonen dat dit in één van de jaren 1987 tot en met 1991 is gebruikt voor de teelt van een akkerbouw- of tuinbouwgewas, en derhalve voldoet aan de definitie akkerland uit artikel 1, onder l, van de Regeling.

Het door u overgelegde bewijs bij brief van 28 december 2001 en bij uw bezwaarschrift van 26 februari 2002, is als onvoldoende beoordeeld. Uit de door u overgelegde landbouwtellingen, de financiële boekhouding, de rekeningafschriften en de factuur van het loonbedrijf D blijkt dat u in de referentieperiode maïs heeft geteeld, maar niet dat dit op het perceel met volgnummer 1 is geweest. Voorts heeft u een tweetal topografische kaarten overgelegd, waarop u, in samenhang met de landbouwtelling van 1989, heeft aangegeven hoe uw teeltplan er in 1989 uit zag. Hieruit blijkt echter niet, dat er op het perceel met volgnummer 1 in de referentieperiode 1987 tot en met 1991 één jaar daadwerkelijk een akkerbouwgewas dan wel een tuinbouwgewas is geteeld.

Op de hoorzitting d.d. 15 mei 2002, heeft u voorts een fotoboek ter inzage gelegd. Op de foto's is de bouw van een koestal te zien. U heeft enkele rekeningen van de aannemer overgelegd, waaruit valt af te leiden dat de bouw van de koestal heeft plaatsgevonden in 1987. Specifiek heeft u een foto aangewezen, met als onderschrift 22 oktober 1987, waarop de verplaatsing van een tank valt te zien. U heeft daarbij de route van de te verplaatsen tank beschreven en aangegeven dat deze langs het perceel met volgnummer 1 voerde. U heeft aangegeven dat op de achtergrond, achter een aantal bomen, het perceel met volgnummer 1 te zien is en dat deze op dat moment beteeld is met maïs.

Hierover merk ik het volgende op.

Mijns inziens, blijkt uit de foto niet voldoende dat het zich om het perceel met volgnummer 1 handelt. Bovendien blijkt uit de foto ook niet duidelijk dat er op het door u aangewezen perceel maïs geteeld werd, daar het perceel verscholen ligt achter enige bomen.

Op de hoorzitting heeft u overigens aangegeven dat het in de referentieperiode gebruikelijk was, om heel snel na het hakselen van de maïs gras in te zaaien. In de tweede helft van april of mei werd het gras dan gemaaid en werd op de bestaande zode mest uit gereden. Daarna werd alles omgeploegd en werd er maïs ingezaaid.

Hierover bericht ik u het volgende.

U heeft geen bewijsmiddelen overgelegd waaruit blijkt dat er in de periode tussen de data van de satellietbeelden op het perceel met volgnummer 1 een akkerbouwgewas of een tuinbouwgewas is geteeld.

Nu u, gelet op het bovenstaande, niet heeft aangetoond dat het perceel met volgnummer 1 aan de definitie akkerland voldoet, is dit perceel terecht op 1,20 ha. gezet. De totaal geconstateerde oppervlakte maïs is derhalve 8,01 ha. Het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte mais is daarmee 2,53 ha. Uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte is dit 31,59 %."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

''Uit de topografische kaarten in samenhang met de landbouwtelling, fakturen van loonwerker en landbouwschap kunt u de conclusie trekken dat dit bedrijf een akkerbouwgewas, in dit geval mais, heeft geteeld. Tevens kunt u zien op de topografische kaarten waar deze gewassen hebben gestaan.

Het volgende betreft het jaar 1987.

Hierover willen wij graag het volgende opmerken; op de foto is het perceel, althans de ligging, in samenhang met de situatieschets, duidelijk te zien. Doordat het perceel gedeeltelijk aan het oog onttrokken is door bomen wordt de beoordeling niet makkelijk, doch niet onmogelijk. De heer Honig van Georas heeft aangegeven dat op het zuidelijk (lees: noordelijk) gedeelte mais geteeld is. Als wij deze opmerking langs de foto leggen wordt de gewassituatie direct helder. Het gehele perceel is bedekt met mais. Dit in samenhang met fakturen van loonwerkers en landbouwtelling blijkt wel degelijk dat er in de referentiejaren een akkerbouw-, dan wel tuinbouwgewas is geteeld.''

Ter zitting heeft appellante voorts het volgende aangevoerd. Georas heeft tijdens de hoorzitting twijfels geuit en geen duidelijkheid gegeven omtrent het zuidelijk gedeelte van het betreffend perceel. Op dit gedeelte van het perceel zou ten tijde van de referentieperiode maïs hebben kunnen staan, aldus appellante.

5. Het standpunt van verweerder

Aan de door appellante getoonde foto kan niet de door appellante gewenste betekenis worden toegekend. De satellietbeelden laten aan duidelijkheid met betrekking tot het gewas dat op perceel 1 heeft gestaan, niets te wensen over. Interpretatie van de betreffende satellietbeelden heeft er immers toe geleid dat ten aanzien van een oppervlakte van 1,20 ha wel is geconstateerd dat daarop een ander gewas dan gras heeft gestaan, aldus verweerder.

6. De beoordeling van het geschil

Wat partijen verdeeld houdt, is of het ter zitting nader aangeduide, zuidelijke gedeelte van perceel 1 in de periode van 1987 tot en met 1991, en met name in 1987, in gebruik is geweest als akkerland als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling.

Verweerder heeft zich, in navolging van de interpretatie van twee satellietbeelden uit 1987 van dit perceel door GeoRas, op het standpunt gesteld dat er in 1987 geen maïs, zoals appellante stelt, maar gras heeft gestaan.

Het College is van oordeel dat verweerder op grond van de twee satellietbeelden van het betreffende perceel van 24 april 1987 en 2 oktober 1987 als toegelicht ter zitting, niet met zekerheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat er in 1987 geen maïs heeft gestaan en overweegt hiertoe als volgt.

Aan het satellietbeeld van 24 april 1987 kan ter zake geen betekenis worden gehecht, reeds niet nu, zoals door verweerder ter zitting is erkend, het betreffende deel van het perceel na die datum kan zijn omgeploegd en met maïs beteeld. Uit het satellietbeeld van 2 oktober 1987 heeft verweerder geconcludeerd dat er op het noordelijke deel van het perceel maïs heeft gestaan en op het zuidelijke gedeelte gras. Verweerder heeft evenwel niet op overtuigende wijze kunnen aangeven hoe hij, gelet op de betrekkelijk geringe kleurverschillen tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het perceel, tot deze conclusie is gekomen. Zijn verklaring dat er op de zuidelijke grens van het perceel mogelijkerwijs een bomenrij heeft gestaan, is hiervoor onvoldoende.

Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel dient te worden vernietigd.

Het College is niet van kosten gebleken die met toepassing van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

7. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 20 juni 2002;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift beslist met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 218,-- (zegge:

tweehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, mr. E.J.M Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003.

w.g. M.J. Kuiper w.g. M.H. Vazquez Muñoz