Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AJ9977

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/1891
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 26 november 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de intrekking van de hem op grond van de Wet personenvervoer 2000 verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 2003-07-18
Algemene wet bestuursrecht 7:1, geldigheid: 2003-07-18
Algemene wet bestuursrecht 1:2, geldigheid: 2003-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1891 18 juli 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Meijs, werkzaam bij verweerders ministerie

1. De procedure

Op 26 november 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 oktober 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de intrekking van de hem op grond van de Wet personenvervoer 2000 verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

Verweerder heeft op 3 januari 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2003, waarbij verweerder zijn standpunt nader heeft toegelicht. Appellant is niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- B heeft door middel van een hiertoe bestemd aanvraagformulier, gedagtekend 12 juni 2001, een aanvraag ingediend voor een taxivergunning ten behoeve van zijn taxibedrijf. Volgens opgave in deze aanvraag zal de vakbekwaamheid binnen de onderneming worden ingebracht door appellant.

- Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft verweerder een taxivergunning voor onbepaalde tijd afgegeven aan B.

- Bij brief van 3 januari 2002 heeft appellant verweerder meegedeeld zijn vakbekwaamheid niet meer in te brengen in B's onderneming, wegens niet nakoming van afgesproken verplichtingen door B.

- Vervolgens heeft verweerder bij brief van 8 februari 2002 B laten weten voornemens te zijn de vergunning in te trekken, nu binnen Bt's onderneming niet wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

- Bij besluit van 6 maart 2002 heeft verweerder besloten de vergunning met ingang van 6 juni 2002 in te trekken.

- Bij brief van 15 april 2002 hebben appellant en B tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij appellant heeft aangegeven zijn vakbekwaamheid weer in B's taxionderneming in te brengen.

- Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Hiertegen heeft alleen appellant beroep ingesteld.

3. De beoordeling

Het College ziet zich eerst voor de vraag gesteld of verweerder appellant terecht in zijn bezwaar heeft ontvangen, nu ingevolge artikel 8:1 juncto artikel 7:1 van de Algemene wet bustuursrecht (Awb) alleen een belanghebbende bezwaar tegen een besluit kan maken. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Het College is van oordeel dat het belang van appellant niet rechtstreeks doch slechts indirect, als gevolg van zijn civielrechtelijke rechtsbetrekking met B op grond van de procuratieovereenkomst, bij het besluit tot intrekking van B's taxivergunning was betrokken. Hieruit volgt dat verweerder appellant ten onrechte als belanghebbende in de zin van de Awb heeft aangemerkt en in diens bezwaar heeft ontvangen.

Het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant, dient dan ook gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Voor zover het beroep zich richt tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar van B moet dit niet ontvankelijk worden verklaard, aangezien het belang van appellant daarbij niet rechtstreeks is betrokken. Het College is niet gebleken dat appellant namens B beroep heeft ingesteld.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 oktober 2002 voor zover hierbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard;

- verklaart het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

besluit;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- (zegge honderd en negen euro)

vergoedt;

- verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2003.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.H. Vazquez Muñoz