Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AJ9966

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-08-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/1628
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1628 19 augustus 2003

20020 Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 8 juli 2002.

1. De procedure

Bij brief van 1 mei 2001 heeft appellant bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen K te Y en L te Z. K en L zijn werkzaam bij de maatschap P, voorheen maatschap Q (hierna beide aan te duiden als: de maatschap).

Bij beslissing van 8 juli 2002 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 5 september 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 2 december 2002 heeft K gereageerd op het beroepschrift. Bij brief van 4 december 2002 heeft L gereageerd op het beroepschrift.

Bij faxbericht van 15 mei 2003 heeft L een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2003. Aldaar waren aanwezig appellant, diens gemachtigde mr. A.H. van Engelen RA, kantoorhoudende te Nieuwegein, alsook K en L.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

Op de grief van appellant tegen de samenvatting van de klacht door de raad van tucht zal het College ingaan in § 3.1 van deze uitspraak.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 In de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht als volgt samengevat:

"Klager verwijt betrokkenen dat zij de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000 bedrieglijk niet nakomen."

In § 3.3 van het beroepschrift heeft appellant naar voren gebracht dat de klacht betrekking heeft op klachtwaardig handelen zowel in de periode voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000 als daarna. Ter zitting van het College heeft appellant bevestigd van mening te zijn dat de raad van tucht de klacht onjuist (want: onvolledig) heeft samengevat.

3.1.1 Het College zal derhalve allereerst beoordelen of de raad van tucht de klacht juist heeft samengevat.

Paragraaf 1.1 van het klaagschrift van 1 mei 2001 luidt als volgt:

"Het gaat in deze zaak om de niet nakoming van een op 11 december 2000 tussen A en de Maatschap gesloten vaststellingsovereenkomst."

In zijn brief van 29 november 2001 aan de raad van tucht heeft de toenmalige gemachtigde van appellant, voorzover hier van belang, het volgende medegedeeld:

"A heeft er in zijn klaagschrift voor gekozen om zijn klacht te beperken tot de bedrieglijke niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

(…)

(…) Het moge echter duidelijk zijn dat achtergrondinformatie wel mee kan worden genomen in de onderhavige klachtprocedure.

A zal daarom eerst nog kort ingaan op hetgeen zich heeft voorgedaan voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst. Daarna bespreekt A de bedrieglijke niet-nakoming nader."

Uit deze citaten blijkt naar het oordeel van het College onmiskenbaar dat de klacht uitsluitend betrekking heeft op bedrieglijke niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000, waarop K en L volgens appellant tuchtrechtelijk kunnen worden aangesproken, en dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de periode vóór 11 december 2000 is bedoeld als achtergrondinformatie. De raad van tucht heeft de klacht derhalve juist samengevat, zodat de hiertegen gerichte grief faalt.

3.1.2 Gelet op het vorenoverwogene kan hetgeen appellant in § 3.6, aanhef en onder I tot en met V, van het beroepschrift heeft gesteld over het handelen van met name K in de periode voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst niet leiden tot het oordeel dat de raad van tucht de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

3.2 In § 3.6, onder VI, van het beroepschrift heeft appellant betoogd dat de bedrieglijke niet-nakoming van de overeenkomst is gelegen in de niet (volledige) betaling van het winstrecht en zijn beperkte inzage in de schriftelijke stukken van de maatschap.

Het College stelt vast dat de rechtbank Maastricht in § 3.4 van haar vonnis van 7 mei 2003, door L overgelegd bij faxbericht van 15 mei 2003, heeft overwogen dat de maatschap de vaststellingsovereenkomst door middel van betaling integraal is nagekomen en dat appellant dientengevolge geen "bijzondere status" meer heeft in de maatschap, op grond waarvan hij recht zou hebben op volledig inzicht in de administratie.

K en L hebben in hun op 4 maart 2002 bij de raad van tucht ingekomen memorie uitdrukkelijk gesteld dat de bedragen die uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst verschuldigd waren medio december 2001 aan appellant zijn voldaan. Appellant heeft dit in zijn beroepschrift niet tegengesproken, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling van het beroep gesteld dat nog € 519,96 aan rente moet worden voldaan. Zo dit laatste al juist mocht zijn, ziet het College onder deze omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijtbaar niet-nakomen van de vaststellingsovereenkomst. De aanspraken van appellant op eerdere betaling van een gedeelte van het aan hem toekomende winstdeel zijn overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst niet gehonoreerd toen S niet tot de maatschap bleek te kunnen toetreden. Dat de onmogelijkheid voor S de beoogde toetreding tot de maatschap te financieren reeds bij het totstandkomen van de vaststellingsovereenkomst bekend was bij - voorzover in deze procedure van belang - K, is niet komen vast te staan.

Met betrekking tot het klachtonderdeel over het niet verlenen van inzage in stukken van de maatschap stelt het College vast dat appellant ingevolge de vaststellingsovereenkomst de agenda en notulen van het vennotenoverleg alsmede de (concept)jaarrekening en de periodieke verslaglegging ontvangt. Gedurende de looptijd van de vaststellingsovereenkomst verkrijgt hij inzage in de administratie van de maatschap. K en L hebben gesteld dat appellant alle notulen heeft ontvangen. Appellant heeft niet gewezen op ontbrekende notulen. Het is het College derhalve niet gebleken dat aan deze verplichting uit de vaststellingsovereenkomst niet zou zijn voldaan.

Vaststaat dat appellant de jaarrekeningen 1999 en 2000 van de maatschap heeft ontvangen. De jaarstukken met betrekking tot 2001 zijn niet aan appellant verstrekt nu deze eerst zijn vastgesteld nadat de bedragen waarop hij ingevolge de vaststellingsovereenkomst aanspraak kon maken aan hem waren voldaan. Ingevolge de vaststellingsovereenkomst had appellant slechts een bijzondere positie in de maatschap zolang zijn financiële belang bij de maatschap voortduurde. Aan bedoelde positie van appellant is in december 2001 een einde gekomen met de voldoening van hetgeen waarop hij ingevolge de vaststellingsovereenkomst aanspraak had. Het niet aan appellant verstrekken van de jaarstukken 2001 is derhalve niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Wat betreft de inzage in de (overige) stukken is door appellant niet concreet aangegeven wanneer, voordat hetgeen de maatschap hem verschuldigd was werd betaald, hem inzage is geweigerd. Appellant heeft melding gemaakt van een verzoek in augustus 2002. Dit verzoek is derhalve gedaan nadat de maatschap in december 2001 het appellant nog toekomende winstdeel had betaald. Het College kan derhalve niet vaststellen dat het verwijt dat appellant ten onrechte inzage in stukken is geweigerd gegrond is.

3.3 Al hetgeen appellant in het beroepschrift verder nog heeft aangevoerd, met inbegrip van de "gronden van procedurele aard" met betrekking tot de gang van zaken bij de raad van tucht, kan aan het vorenoverwogene niet afdoen.

Hetgeen appellant ter zitting van het College aan nieuwe verwijten en nieuwe stukken heeft aangedragen, moet wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocedure, in het bijzonder het verdedigingsbeginsel, buiten beschouwing worden gelaten.

3.4 De door appellant gevorderde veroordeling van K en L in de kosten van de tuchtprocedure moet reeds achterwege blijven omdat de daartoe vereiste wettelijke grondslag ontbreekt.

3.5 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

Na te melden beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet op de Registeraccountants.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts , in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B. van Velzen

913/01.19

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A,

wonende te X,

klager;

gemachtigde mr. J.A. Kopp, advocaat te Amsterdam

CONTRA

K en L

beiden kantoorhoudende te Y

betrokkenen.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- Bij klaagschrift van 1 mei 2001 heeft klager een klacht ingediend tegen betrokkenen.

- Betrokkenen hebben zich elk bij brief van 6 september 2001 verweerd.

- Daarna heeft klager gerepliceerd op 29 november 2001 en hebben betrokkenen gedupliceerd op 1 maart 2002.

- De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van Tucht van 25 april 2002, alwaar klager, bijgestaan door mr. J.A. Kopp, advocaat te Amsterdam, alsmede betrokkenen zijn verschenen.

- Mr. Kopp heeft pleitaantekeningen overgelegd.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten:

1. Klager is sinds 1982 werkzaam geweest als zelfstandig registeraccountant. Laatstelijk oefende klager zijn beroep uit als lid van de maatschap Q Accountants en Belastingadviseurs, hierna te noemen de maatschap.

2. Tussen klager en de overige leden van de toenmalige maatschap, te weten betrokkene K, B, C en D, zijn op 20 september 2000 en 11 december 2000 overeenkomsten gesloten, die betrekking hebben op het uittreden van klager en het -nadien- toetreden van nieuwe maten. Klager is per 1 december 2000 uit de maatschap getreden.

3. Bij de onderhandelingen en de totstandkoming van de overeenkomsten is klager bijgestaan door E als adviseur en de maatschap door F.

4. Tussen klager en de overige maten c.q. nieuwe leden van de maatschap zijn geschillen gerezen betreffende de totstandkoming en inhoud van de op 11 december 2000 gesloten overeenkomst. Klager heeft in verband daarmee een civiele procedure tegen de maatschap aanhangig gemaakt. Klager vordert daarin -kort gezegd- (schade)vergoeding op grond dat de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000 afwijkt van de afspraken in de overeenkomst van 22 september 2000.

DE KLACHT

1. Klager verwijt betrokkenen dat zij de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000 bedrieglijk niet nakomen.

2. In de toelichting op de klacht heeft klager aangevoerd dat de bedrieglijke niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst, alsmede de niet-nakoming van eerdere mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken, niet alleen civielrechtelijk onaanvaardbaar zijn, maar ook indruisen tegen de eerlijke, getrouwe en nauwgezette uitoefening van de beroepsgroep van registeraccountants.

De niet-nakoming ziet volgens klager op de betaling van zijn winstrecht en op de aan klager in de vaststellingsovereenkomst toegekende bijzondere status met daaraan verbonden rechten, te weten volledig inzicht in de administratie van de maatschap, de agenda, de notulen van vennotenoverleg, periodieke verslaggeving en (concept)jaarrekeningen.

HET VERWEER VAN BETROKKENEN

1. Betrokkene K heeft het volgende aangevoerd.

De klacht is niet-ontvankelijk. Het tuchtrecht is niet bedoeld om geschillen over een vermeende al dan niet nakoming van een overeenkomst te beslechten. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld om geschillen te beslechten die niet liggen in de relatie van de beroepsuitoefening als registeraccountant voor een cliënt. In deze heeft betrokkene niet gehandeld uit hoofde van zijn beroep als registeraccountant, doch voor zichzelf als ondernemer. Alle partijen werden bijgestaan door eigen, onafhankelijke externe adviseurs.

2. Betrokkene wil niet ingaan op het civielrechtelijke geschil teneinde zijn belangen in de civiele procedure niet te schaden.

Medio december 2001 is de gehele schuld aan klager integraal afgelost, zodat klager noch van de maatschap, noch van de contractspartijen iets te vorderen heeft.

Voorts heeft klager volgens betrokkene steeds de notulen van de vergaderingen gekregen, en heeft betrokkene gesteld dat klager steeds inzage kan krijgen in de notulen en in de administratie van de maatschap.

3. Betrokkene L heeft het volgende aangevoerd.

Betrokkene heeft verwezen naar het verweer van betrokkene K en dat tot het zijne gemaakt. Bovendien heeft betrokkene aangevoerd dat hij noch als partij noch als adviseur bij de totstandkoming van de overeenkomst van 11 december 2000 betrokken is geweest en dus niet aangesproken kan worden voor het al of niet nakomen van enige verplichting daaruit.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

1. Ontvankelijkheid.

Anders dan betrokkenen bepleiten, staat een beroep op de tuchtrechter ook open indien geklaagd wordt over gedragingen van een accountant die niet zijn verricht in de uitoefening als zodanig van het beroep van registeraccountant.

Hoofdstuk II van de GBR-1994 geeft immers regels die voor alle registeraccountants van toepassing zijn, in het bijzonder de regel dat de registeraccountant zich onthoudt van al hetgeen schadelijk is voor de eer van de stand der registeraccountants.

Ook gedragingen van de accountant als ondernemer zijn derhalve in beginsel aan het oordeel van de tuchtrechter onderworpen.

In de onderhavige zaak komt daarbij dat aan betrokkenen niet slechts het niet-nakomen van een overeenkomst wordt verweten, doch daaraan is toegevoegd dat zij bedrieglijk niet nakomen.

De Raad verwerpt derhalve het beroep dat betrokkenen op niet-ontvankelijkheid hebben gedaan.

2. Inhoud van de klacht.

Zoals in de stukken en ter zitting door klager is toegelicht, berust de klacht op de stelling dat betrokkenen, althans de maatschap, de op 11 december 2000 gesloten overeenkomst bedrieglijk niet nakomen. Klager heeft in dat verband ook de totstandkoming van die overeenkomst in zijn stellingen betrokken.

Daartegenover hebben betrokkenen gesteld dat de overeenkomst integraal is nagekomen. De Raad begrijpt deze stelling aldus, dat betrokkenen de civielrechtelijke vordering van klager als geheel bestrijden, mede gelet op de omstandigheid dat betrokkenen de door klagers gemachtigde bij pleidooi genoemde vorderingen punt voor punt hebben betwist.

Daartegenover heeft klager geen, althans onvoldoende feiten aangedragen en aangetoond, die zijn stellingen onderbouwen. Dit geldt ook voor het bedrieglijke aspect, dat klager in de klacht benadrukt heeft.

Een en ander brengt mee dat de klacht naar het oordeel van de Raad feitelijke grondslag mist.

3. Het hiervoor overwogene heeft betrekking op betrokkene K en à fortiori op betrokkene L, die onbetwist heeft aangevoerd dat hij niet als partij bij de vaststellingsovereenkomst van 11 december 2000 en de totstandkoming daarvan betrokken is geweest.

4. De klacht dient op grond van het voorgaande ongegrond te worden verklaard.

DE BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te 's-Gravenhage:

- gelet op het bepaalde in artikel 33 van de Wet op de Registeraccountants en artikel 5 GBR-1994;

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, plv. voorzitter, drs. H. den Boer RA en W. de Bruijn RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, adj.-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2002 door

mr. B.P.H.M. van den Wildenberg voornoemd.

adj. secretaris plv. voorzitter.