Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1352

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-08-2003
Datum publicatie
22-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/427 5 augustus 2003

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 22 januari 2002.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 22 januari 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 22 januari 2002 genomen beslissing op een klacht, bij brief van 14 december 2000 ingediend tegen appellant door Cetrac Centraal Accountantskantoor Midden- en Kleinbedrijf B.V., gevestigd te Amsterdam en h.o.d.n. Van Noort Gassler & Co Accountants (hierna: klaagster).

Bij een op 14 maart 2002 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 25 maart 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brieven van 17 mei 2002 en 14 maart 2003 heeft klaagster het College reacties op het beroepschrift van appellant doen toekomen. Bij brieven van 28 mei 2002 en 18 februari 2003 heeft appellant de beroepsgronden aangevuld.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 maart 2003, waar appellant in persoon is verschenen. Klaagster is niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht onderdelen van de tegen appellant ingediende klacht gegrond verklaard. Het betreft klachtonderdeel (a) dat appellant gehandeld heeft in strijd met de eer van de stand der registeraccountants als bedoeld in artikel 5 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994), alsmede klachtonderdeel (e) dat appellant door een oordeel te gegeven omtrent de arbeid van een andere accountant zonder deze in de gelegenheid te stellen inlichtingen te geven, gehandeld heeft in strijd met artikel 33 van de GBR-1994. De overige onderdelen zijn ongegrond verklaard. De raad van tucht heeft oplegging aan appellant van de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden geacht, omdat appellant eerder voor een soortgelijke misslag is veroordeeld en er geen blijk van heeft gegeven het onjuiste van zijn gedrag in te zien.

4. De beoordeling van de middelen van beroep

4.1 In beroep heeft appellant aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat hij artikel 33 van de GBR-1994 heeft overtreden, aangezien appellant in tenminste drie besprekingen met - medewerkers van - klaagster erop gewezen heeft dat de door klaagster ten behoeve van het reclamebureau Graaf Pove Pol & Van Schaik vof (hierna: GPPS) geproduceerde drie concept-jaarverslagen onvolledig en naar objectieve maatstaven onaanvaardbaar waren. Indien al sprake zou zijn geweest van een door appellant tegenover GPPS geuit oordeel omtrent de arbeid van - medewerkers van - klaagster, hetgeen appellant uitdrukkelijk betwist, is dit in ieder geval door verschillende besprekingen met - die medewerkers van - klaagster vooraf gegaan.

Nu in de bestreden beslissing geen sprake is van een afzonderlijk op de gestelde schending van artikel 5 van de GBR-1994 toegespitst verwijt jegens appellant en de raad van tucht zich kennelijk op het standpunt heeft gesteld dat schending van dit artikel automatisch voortvloeit uit de gestelde schending van artikel 33 van de GBR-1994, heeft de raad van tucht naar de opvatting van appellant eveneens ten onrechte geoordeeld dat klachtonderdeel (a) gegrond is.

4.2 Het College stelt voorop dat in de in de tegen appellant ingediende klacht - onder "ad 1" - door klaagster nader is geconcretiseerd op grond van welke argumenten zij van mening is dat appellant artikel 5 van de GBR-1994 geschonden heeft.

De raad van tucht heeft in de samenvatting van de klacht, zoals in onderdeel 4, onder (a) van de uitspraak weergegeven, daarentegen volstaan met de gestelde schending van artikel 5 van de GBR-1994.

Mede gelet hierop valt uit de beoordeling van de raad van tucht, in het bijzonder de onderdelen 5.2 en 5.3 van de uitspraak, niet af te leiden welke van de door klaagster gestelde en kennelijk door de raad van tucht bewezen geachte gedraging(en) van appellant naar het oordeel van de raad van tucht in strijd zijn met artikel 5 van de GBR-1994.

Met name heeft de raad van tucht in haar beoordeling niet inzichtelijk gemaakt of, en zo ja in welk opzicht, behoudens in hetgeen door klaagster in verband met de beweerdelijke schending van artikel 33 van de GBR-1994 is gesteld met betrekking tot het geven van een oordeel door appellant omtrent haar arbeid (en in het bijzonder die van haar directeur B AA) zonder haar daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen terzake inlichtingen te geven, een zelfstandig tuchtrechtelijk verwijt aan appellant kan worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande is de bestreden tuchtbeslissing naar het oordeel van het College niet naar behoren met redenen omkleed en kan deze dan ook niet in stand blijven.

4.3 Voorzover de gegrondverklaring van de door klaagster gestelde schending van artikel 5 van de GBR-1994 geacht moet worden te zijn gebaseerd op de in onderdeel 5.3 van de tuchtbeslissing weergegeven overweging dat de raad aannemelijk acht dat appellant zich jegens GPPS negatief over klaagster(s organisatie) heeft uitgelaten, overweegt het College als volgt.

Appellant heeft in zijn verweer, conclusie van dupliek en ter zitting in eerste aanleg gesteld dat GPPS zelf tot de conclusie was gekomen dat de door klaagster(s medewerkers) opgestelde concept-jaarrekening(en) niet aan de daaraan te stellen eisen voldeden. Tevens heeft appellant in dit verband gesteld dat hij er bij GPPS - die reeds na ontvangst van het eerste concept voornemens zou zijn geweest de samenwerking met klaagster te verbreken - op heeft aangedrongen klaagster in de gelegenheid te stellen zich te revancheren. Wel heeft appellant zowel in de procedure in eerste aanleg als in beroep erkend dat hij - desgevraagd - aan GPPS heeft medegedeeld dat de door klaagster opgestelde concept-jaarrekening(en) meer of minder ingrijpende correcties behoefden. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de wijze waarop hij met GPPS over de concept-jaarrekening(en) heeft gesproken als neutraal zakelijk, doch niet als laatdunkend kan worden aangemerkt.

De gedingstukken, meer in het bijzonder de brief van 18 juni 1998 van GPPS aan klaagster, rechtvaardigen niet de conclusie dat de wijze waarop appellant zich tegenover GPPS over klaagster heeft uitgelaten, tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Aannemelijk is dat GPPS in verband met het uitblijven van een tijdige jaarrekening 1997 zich tegenover appellant, die in het verleden de stukken voor GPPS heeft verzorgd, heeft beklaagd. Niet is komen vast te staan dat appellant daarop heeft gereageerd op een andere wijze dan hij heeft gesteld. In het bijzonder is naar het oordeel van het College, gelet op de inhoud van voormelde brief, niet komen vast te staan of zelfs maar aannemelijk geworden dat het aan appellant te wijten is dat GPPS de relatie met klaagster heeft verbroken.

4.4 Met betrekking tot hetgeen de raad van tucht terzake van klachtonderdeel (e), zoals in de bestreden tuchtbeslissing samengevat, heeft overwogen, overweegt het College als volgt.

Appellant heeft reeds in (de bijlagen bij) zijn verweer in eerste aanleg d.d. 2 februari 2001 gesteld dat naar aanleiding van de door klaagster opgestelde drie concept-jaarrekeningen voor GPPS steeds, en wel op 15 mei 1998, 4 juni 1998 en 18 juni 1998, een bespreking tussen hem en - medewerkers van - klaagster heeft plaatsgevonden. In haar reactie op dit verweer heeft klaagster dit niet betwist. Ter zitting d.d. 3 september 2001 is namens klaagster erkend dat sprake is geweest van drie door haar (medewerkers) opgestelde concept-jaarrekeningen, door klaagster ook wel aangeduid als werkstukken, alsmede dat (en waarom) er in ieder geval met betrekking tot het derde concept een afspraak was dat appellant daarnaar - in juni 1998 - zou kijken. Voorts staat vast dat de directeur van klaagster op 16 juni 1998 aan appellant een memo heeft gezonden, waarin met betrekking tot de hier aan de orde zijnde werkzaamheden door klaagster is gesteld dat zij voor de door appellant bestede tijd "ter begeleiding van het geheel" te zijner tijd een declaratie verwacht, welk memo eindigt met de zin "Ere wie ere toekomt".

In het licht van het vorenstaande kan naar het oordeel van het College, anders dan de raad van tucht zonder nadere motivering als vaststaand heeft aangenomen, niet worden staande gehouden dat appellant klaagster niet in de gelegenheid zou hebben gesteld inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de drie door haar (onderscheiden medewerkers) opgemaakte concepten van de jaarrekening 1997 van GPPS.

De omstandigheid dat sprake is geweest van een drietal gewijzigde, door (medewerkers van) klaagster opgestelde, concept-jaarrekeningen 1997 van GPPS, alsook de inhoud van voormeld memo van de directeur van klaagster aan appellant en de door appellant bij het beroepschrift overgelegde declaratie die hij in reactie op dit memo aan klaagster heeft doen toekomen - welke declaratie onweersproken mede betrekking heeft op door appellant met klaagster in verband met die concepten gevoerde besprekingen van 15 mei 1998, alsmede 4 en 18 juni 1998 - wijzen veeleer op het tegendeel.

Gelet op al het vorenstaande kan de bestreden tuchtbeslissing ook in zoverre niet in stand blijven.

4.5 Het College acht zich voldoende geïnformeerd om zelf op de klacht, voorzover die door het door appellant ingestelde beroep ter beoordeling staat, te beslissen. Het College overweegt daartoe het volgende.

De handelwijze van appellant in de onderhavige kwestie kan, gelet op de omstandigheden van het geval, naar het oordeel van het College niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar worden aangemerkt. Uit de gedingstukken volgt dat appellant door GPPS, welke onderneming hij jarenlang had bijgestaan, is benaderd en uitdrukkelijk is verzocht werkzaamheden te verrichten ter afronding van de jaarrekening 1997, welke ernstige vertraging had opgelopen. Voorts maken de gedingstukken aannemelijk dat klaagster van deze werkzaamheden van appellant op de hoogte was en hem, mede gelet op de spoedeisendheid van de werkzaamheden en de omstandigheid dat de vaktechnisch eindverantwoordelijke persoon begin juli 1998 in het buitenland verbleef, heeft toegestaan de werkzaamheden af te ronden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het College van oordeel dat de klachtonderdelen (a) en (e) ongegrond zijn.

Deze uitspraak berust op het bepaalde in titel IV van de Wet op de Registeraccountants.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing van de raad van tucht van 22 januari 2002;

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener