Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1351

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
22-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/1858
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 20 november 2002 heeft het College, na doorzending door de rechtbank Amsterdam, van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op het door appellant gemaakte bezwaar tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een aanvraag van appellant om een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1858 13 augustus 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. M.J.G. van den Bosch, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 20 november 2002 heeft het College, na doorzending door de rechtbank Amsterdam, van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op het door appellant gemaakte bezwaar tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2002. Bij dit besluit heeft verweerder een aanvraag van appellant om een vergunning tot het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) afgewezen.

Verweerder heeft op 23 december 2002 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder alsnog beslist op het door appellant gemaakte bezwaar.

Bij brief van 31 maart 2003, ontvangen op 3 april 2003, heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Op 6 mei 2003 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2003, alwaar appellant en de gemachtigde van verweerder hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet bevat onder meer de volgende bepalingen

" Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(..)

2. Een vergunning kan worden geweigerd (…).

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)"

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) bepaalt onder meer het volgende:

" Artikel 26

1. De vervoerder die (...) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

(...).

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

(...)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft op 16 augustus 2001 van appellant een verzoek ontvangen om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

- Op 29 oktober 2001 heeft appellant met B een procuratieovereenkomst gesloten.

- Bij brieven van 16 oktober 2001, 16 november 2001, 28 januari 2002 en 1 februari 2002 heeft verweerder appellant verzocht enkele ontbrekende documenten inzake zijn aanvraag in te zenden.

- Ten behoeve van de beoordeling van de vergunningaanvraag heeft appellant aan verweerder een formulier "Verklaring inbreng vakbekwaamheid", gedagtekend 20 februari 2002, doen toekomen.

- Bij brief van 28 april 2002 heeft B verweerder meegedeeld dat hij zich per direct als procuratiehouder uit de onderneming van appellant terugtrekt.

- Bij besluit van 18 juli 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Bij brief van 26 augustus 2002 heeft appellant tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt.

- Op 23 december 2002 heeft appellant bij verweerder een verklaring omtrent het gedrag, gedateerd 21 november 2002, ten name van C ingediend.

- Op 14 januari 2003 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Op 27 januari 2003 (Stcrt. 29 januari 2003, nr. 20) heeft verweerder de Beleidsregel inzake toetsing vakbekwaamheid in het taxivervoer vastgesteld. In deze beleidsregel zijn de uitgangspunten neergelegd welke in acht worden genomen bij de uitleg van de term "permanent en daadwerkelijk leiding geven aan het vervoer" in het kader van de toetsing van de vakbekwaamheid in het taxivervoer. Aan deze beleidsregel kan het volgende worden ontleend:

"(…)

Inwerkingtreding en overgangsregeling

Deze beleidsregel is van toepassing bij de behandeling van aanvragen om een vergunning voor taxivervoer die zijn ingediend na de datum waarop deze beleidsregel is gepubliceerd. Taxiondernemingen die op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregel houder zijn van een vergunning voor taxivervoer dienen op 1 januari 2005 te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid volgens de criteria die zijn vervat in deze beleidsregel. Tot die datum worden deze ondernemingen geacht te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid, indien de leiding aan het taxivervoer plaatsvindt op de manier die bij de aanvraag van de vergunning is aangegeven.

(…)"

- Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder beslist op het door appellant gemaakte bezwaar.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Dit besluit luidt als volgt:

"(…)

In artikel 14, eerste lid Bp 2000 staat:

Vergunningen worden op naam van de vervoerder gesteld.

(…)

De aanvraag wordt door de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Vervoer, op naam van diegene gesteld, die de aanvraag indient. De handelsnaam die gehanteerd wordt, is die naam die door de ondernemer is opgegeven. Echter bij de beoordeling van de aanvraag is de handelsnaam niet van belang. Gekeken wordt naar de persoon van de aanvrager. Hij is tenslotte de beoogd ondernemer, die aan de vereisten van betrouwbaarheid en vakbekwaamheid moet voldoen.

(…)

Overigens blijkt uit de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam van 20 juli 2001 en 9 augustus 2001, dat A in ieder geval in de periode van zijn vergunningsaanvraag, die dateert van 16 augustus 2001, ingeschreven heeft gestaan onder de handelsnaam Taxi A.

(…)

De aanvraag om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer is afgewezen omdat er door de ondernemer, noch door enig andere persoon in de onderneming, werd voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

Er is mij geen schrijven bekend waarin, voordat het bestreden besluit werd genomen, een nieuwe vakbekwaam leidinggevende in de onderneming werd gebracht. Noch is enig telefonisch contact met betrekking tot dit onderwerp mij bekend. Het relatief anoniem opvragen van een nieuw formulier, kan niet worden gezien als een verzoek om een nieuwe vakbekwaam leidinggevende in te brengen. Indien A een nieuwe vakbekwaam leidinggevende wilde inbrengen, dan had hij dit tijdig moeten doen. Dat wil zeggen dat dit had moeten gebeuren voordat het primaire besluit werd genomen, ook had hij zijn wens tenminste traceerbaar kenbaar moeten maken. De aanvraag van nieuwe formulieren is geen duidelijke aanwijzing, dat er beoogd wordt een nieuwe vakbekwaam leidinggevende in te brengen.

Bij brief van 16 oktober 2001, 16 november 2001, 28 januari 2002 en 1 februari 2002, is verzocht om een "verklaring omtrent gedrag" van B, de vakbekwaam leidinggevende op dat moment. In deze brieven werd tevens gewaarschuwd dat indien de verklaring niet voor een bepaalde datum ontvangen was, de aanvraag buiten behandeling zou worden gesteld. De laatste termijn werd gesteld in de brief van 1 februari 2002. Deze vermeldt dat de documenten vóór 22 februari 2002 ontvangen moesten zijn door de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Vervoer. Deze termijn had A ook kunnen gebruiken om een andere vakbekwaam leidinggevende in te brengen. De gestelde termijnen zijn ruimschoots voldoende. De afwijzing van de aanvraag is overigens ongeveer 17 weken na de geboden termijn verzonden en ruim twee maanden nadat de mededeling van B d.d. 28 april 2002 dat hij zich terugtrok als vakbekwaam leidinggevende, was binnengekomen.

Bij brief van 23 december 2002 heeft A nadere stukken ingediend. Deze stukken betroffen een kopie EG-verklaring taxivervoer en een verklaring omtrent gedrag van C. Langs deze weg wilde A een nieuwe vakbekwaam leidinggevende in zijn onderneming inbrengen.

In de bezwaarschriftfase wordt weliswaar ex nunc getoetst, doch de integrale heroverweging ex artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht houdt nog geen onbeperkte heroverweging in. De heroverweging wordt in casu beperkt door de grondslag van het geschil.

De grondslag van het geschil is de weigering om een vergunning af te geven voor het verrichten van taxivervoer aan A, wegens het niet voldoen aan de eis van vakbekwaamheid. Daarmee zijn de buitengrenzen van het geschil bepaald. Aangezien noch in de aanvraag, noch op enig ander moment in de voorfase sprake is geweest van invulling van de vakbekwaamheidseis door C, leent deze nieuwe omstandigheid zich niet voor behandeling in bezwaar. Inbreng van de vakbekwaamheid door C is slechts mogelijk door het indienen van een nieuwe aanvraag.

(…)

Overigens, zoals hierboven al aangegeven, is A meermaals gewaarschuwd, dat wanneer de gevraagde documenten zoals de verklaring omtrent gedrag, niet tijdig zouden worden verzonden, dit gevolgen zou hebben voor de aanvraag. A heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad tot "reparatie". De beslissing is zeker niet plotseling, nu deze ongeveer 17 weken na de uiterst gestelde termijn is verzonden. Uitgaande van een beslistermijn van 12 weken (artikel 12 lid 1 Bp 2000) is de beslissing eerder laat dan snel genomen. Van plotseling kan, gezien de voorafgaande aanhoudende briefwisseling mijnerzijds, ook geen sprake zijn geweest.

(…)

Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel is het overigens aan A om de gegrondheid van zijn vermoeden aannemelijk te maken. A heeft niet nader aangegeven welke concrete gevallen hij bedoelt. Hiermee is het onmogelijk voor mij om het beroep op het gelijkheidsbeginsel met feiten en argumenten te weerleggen. Derhalve kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet worden gehonoreerd.

Overigens zijn er vóór 1 juli 2001 op basis van het bepaalde in artikel 125 Bp 2000 vergunningen verleend aan ondernemers die op dat moment niet aan de eis van vakbekwaamheid voldeden. De vergunning werd hen verleend onder de voorwaarde dat zij 1 juli 2001 zelf vakbekwaam zouden zijn. Deze ondernemers hebben wanneer zij op deze datum niet vakbekwaam waren veelal enkele maanden uitstel gekregen om alsnog aan deze eis te voldoen. A heeft verklaard nog niet met de opleiding begonnen te zijn, maar te wachten tot de vergunning is verleend. Wanneer hem positief op zijn aanvraag wordt beslist, dan zal hij met de opleiding beginnen.

Met in achtneming van de hierboven geschetste situatie, is er geen reden, om vanwege de situatie van A, een uitzondering te maken op de gehanteerde gedragslijn om in principe geen uitstel meer te verlenen voor het behalen van de vereiste diploma's.

(…)"

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - kort samengevat weergegeven - onder meer aangevoerd dat verweerder in de afwijzing van de vergunning een onjuiste handelsnaam heeft gehanteerd. Voorts heeft appellant C, die aan het vereiste van vakbekwaamheid voldoet, niet eerder als vakbekwaam leidinggevende ingebracht, omdat hij niet op de hoogte is gebracht door verweerder van de terugtrekking van B.

De nieuwe beleidsregel van 27 januari 2003 is alleen van toepassing bij de behandeling van aanvragen om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer, die zijn ingediend ná de datum waarop deze beleidsregel is gepubliceerd. Op de aanvraag van appellant is dan ook overgangsrecht van toepassing. In dit verband doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat taxiondernemers met een procuratiehouder wel uitstel hebben gekregen tot 1 januari 2005 om het diploma beroepsvervoer te halen. Appellant stelt voorts dat hij als gevolg van het niet tijdig nemen van een beslissing en tevens de onrechtmatigheid daarvan schade heeft geleden en nog lijdt, weshalve hij het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen acht.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep, dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 maart 2003, nu in dit besluit aan het bezwaar niet tegemoet is gekomen. Niet is gebleken danwel aangetoond dat appellant nog een afzonderlijk belang heeft bij beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Dit beroep moet derhalve wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard. Wel acht het College termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant.

Inhoudelijk is in geding of verweerder terecht de weigering om appellant een vergunning te verlenen voor het verrichten van taxivervoer, in bezwaar heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Voor het College staat allereerst vast dat appellant zelf niet voldoet aan alle eisen die aan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer zijn verbonden. Appellant heeft niet aangetoond dat hij beschikt over de vereiste vakbekwaamheid, aangezien hij niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit, ten bewijze dat hij met goed gevolg de examens AOV en BOV heeft afgelegd. Het door appellant overgelegde diploma betreft niet deze examens.

Voorts stelt het College vast dat evenmin door een ander persoon binnen de onderneming aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan. Vast staat dat appellant bij zijn aanvraag om een taxivergunning B als vakbekwaam leidinggevende heeft opgegeven, die zich evenwel vóór de primaire beslissing heeft teruggetrokken. De inbreng, eerst nadat deze primaire beslissing was genomen, van C als vakbekwaam persoon kan, naar verweerder terecht heeft betoogd, in dit geding niet (meer) aan de orde komen. Het staat appellant vrij C door middel van een nieuwe aanvraag als vakbekwaam leidinggevende in te brengen.

Dat appellant naar eigen zeggen niet op de hoogte was van de terugtrekking van B, waardoor hij C niet tijdig danwel eerder als vakbekwaam persoon heeft ingebracht, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico dient te blijven. Hierbij neemt het College in aanmerking dat appellant bij herhaling is gewezen op (de gevolgen van) het ontbreken van stukken betreffende B ten behoeve van de behandeling van de vergunningaanvraag en is hem meerdere malen een termijn gesteld, waarbinnen stukken bij verweerder aanwezig dienden te zijn. Deze termijn had appellant ook kunnen aangrijpen om een andere vakbekwaam leidinggevende in te brengen.

Onder verwijzing naar zijn beleidsregel van 27 januari 2003 heeft verweerder in het bestreden besluit ook geconstateerd dat in de onderneming van appellant de vakbekwaamheid in ieder geval niet door C kan worden ingebracht. De inhoud en toepasselijkheid van verweerders beleidsregel, kan en zal het College in dit geding buiten beoordeling laten, reeds omdat verweerder, naar hij uitdrukkelijk én in het bestreden besluit én ten verweer tot uitdrukkingheeft gebracht, ook zonder die beleidsregel tot de conclusie van het bestreden besluit is gekomen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, reeds omdat appellant niet behoort tot de groep taxiondernemers aan wie verweerder heeft toegestaan de vakbekwaamheid in te brengen door middel van een procuratiehouder. Hij kan zich dus niet beroepen op de door verweerder in zijn beleidsregel van 27 januari 2003 voor deze groep getroffen overgangsregeling.

De overschrijding door verweerder van de beslistermijnen die ingevolge artikel 7:10 van de Awb zijn gesteld, kan evenmin leiden tot het oordeel dat verweerder in afwijking van de Wet en het Besluit de gevraagde vergunning had behoren te verlenen.

Ook het betoog dat verweerder een onjuiste handelsnaam heeft gehanteerd, leidt niet tot het door appellant ermee beoogde doel. Nog daargelaten dat voor de inhoudelijke beoordeling van een aanvraag als hier aan de orde de handelsnaam op zichzelf niet van belang is, blijkt onmiskenbaar uit een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam, gedateerd 20 juli 2001, dat appellant in ieder geval in de periode van zijn vergunningsaanvraag ingeschreven heeft gestaan onder de handelsnaam "Taxi A".

Wat ten slotte ook voor het overige zij van het betoog van appellant over de handelwijze van verweerder, zulks doet naar het oordeel van het College niet af aan de terechte conclusie dat appellant niet voldoet aan de aan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer gestelde eisen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Aan het treffen van een voorlopige voorziening komt het College derhalve niet toe.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke kosten worden vastgesteld op € 15,10 wegens

reiskosten, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ad € 109,-- wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren