Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1350

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
22-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/756, 02/757 en 02/1699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 8 mei 2002 heeft het College per fax van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 maart 2002. (zaak 02/756). Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen zijn besluit van 23 mei 2001 om haar geen premie voor zoogkoeien op grond van de Regeling Dierlijke EG-premies ( hierna: de Regeling) toe te kennen ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/756, 02/757 en 02/1699 13 augustus 2003

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: A.Wilschut, Fb, werkzaam bij Wilschut Fiscaal Advies CV te Barendrecht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 8 mei 2002 heeft het College per fax van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 maart 2002. (zaak 02/756). Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen zijn besluit van 23 mei 2001 om haar geen premie voor zoogkoeien op grond van de Regeling Dierlijke EG-premies ( hierna: de Regeling) toe te kennen ongegrond verklaard.

Op 8 mei 2002 heeft het College per fax een beroepschrift van appellante ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 maart 2002 (zaak 02/757). Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen zijn besluit van 11 mei 2001 om haar geen premie voor mannelijke runderen op grond van de Regeling toe te kennen ongegrond verklaard.

Op 4 oktober 2002 heeft het College per fax een beroepschrift ontvangen van appellante, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2002 ( zaak 02/1699). Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen zijn besluit van 30 augustus 2001 om haar geen extensiveringspremie op grond van de Regeling toe te kennen ongegrond verklaard.

Bij op 8 augustus 2002 ontvangen fax heeft appellante de gronden voor haar beroep in zaak 02/756 geformuleerd. In de overige 2 zaken verwijst appellante voor de motivering van haar beroepen naar zaak 0/756.

Verweerder heeft op 11 september 2002 een verweerschrift ingediend in zaak 02/756, op 10 september 2002 in zaak 02/757 en op 15 november 2002 in zaak 02/1699.

Het College heeft de zaken ter behandeling gevoegd en onderzocht ter zitting van 21 mei 2003, alwaar partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht. Voor appellante is voorts verschenen B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EEG) nr. 1254/99 luidt voor zover hier van belang;

"Artikel 12

1.Het totale aantal dieren waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kan worden verkregen, wordt begrensd door de toepassing van een veebezettingsgetal van twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare per kalenderjaar. Het veebezettingsgetal geeft de verhouding weer tussen het aantal GVE en het areaal van het bedrijf dat voor de voedering van de dieren van hetzelfde bedrijf wordt gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal, niet groter is dan 15 GVE.

2.Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van:

a) de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien en vaarzen, schapen en/of geiten waarvoor premieaanvragen zijn ingediend, en het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de aan de producent toegekende totale referentiehoeveelheid melk. Voor de omrekening van het aldus verkregen aantal dieren in GVE wordt gebruikgemaakt van de omrekeningstabel in bijlage III;

b) het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor de runderveehouderij en de schapen- en/of geitenhouderij beschikbaar is.

(….)

artikel 13

1.Producenten die de speciale premie en/of de zoogkoeienpremie ontvangen, komen in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.

(….)"

Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidt voorzover hier van belang als volgt:

"Artikel 2

1.Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende:

a) (….)

c) elk voederareaal moet gedurende een periode van ten minste zeven maanden die begint op een door de Lid-Staat te bepalen datum tussen 1 januari en 31 maart, beschikbaar zijn voor het houden van dieren.

(….)

artikel 9

1. (…)

2. wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

(…)"

In artikel 1.1 van de Regeling waren ten tijde van belang de begrippen voederareaal en bedrijf als volgt gedefinieerd:

" bedrijf:

a. geheel van de door de producent beheerde of te zijner beschikking gestelde produktie-eenheden die in Nederland zijn gelegen waarvan hij eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, dan wel pachter op basis van een door de grondkamer goedgekeurd of geregistreerd pachtcontract, dan wel

b. door de producent beheerde grond dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen op grond van een overeenkomstig artikel 192 , respectievelijk artikel 194 van de Landinrichtingswet vastgesteld plan van tijdelijk gebruik, dan wel krachtens artkel 46, vierde lid, van de Reconstructiewet Midden Delfland of krachtens artikel 28, vierde lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings- Drentse Veenkoloniën , dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, of

c. de in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen waarvan de producent op basis van een schriftelijke overeenkomst tenminste gedurende de aanhoudperiode het gebruik heeft, of

d. in Nederland gelegen gelegen grond welke door een terreinbeherende organisatie op basis van een schriftelijke overeenkomst tenminste gedurende 7 maanden vanaf 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd aan de producent in gebruik is gegeven, of

e. (….)

voederareaal:

oppervlakte van het bedrijf welke gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zeven maanden beschikbaar is voor rundvee- en schapen- of geitenhouderij en dat wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, tweede lid, onder b, van verordening 1254/1999;"

Artikel 4, lid 1, van de Regeling luidde ten tijde van belang:

" Het voederareaal moet beschikbaar zijn met ingang van 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 mei 2000 heeft appellante een aanvraag oppervlakten ingediend. Met deze aanvraag heeft zij om registratie van totaal 52,75 ha voederareaal verzocht. Tevens heeft zij daarbij verzocht om in aanmerking te komen voor het extensiveringbedrag 2000.

- Op 31 augustus 2000 heeft appellante in het kader van de Regeling een aanvraag ingediend voor het aanhouden van 16 zoogkoeien.

- Op 27 oktober 2000 heeft appellante in het kader van de Regeling een aanvraag ingediend voor het aanhouden van 4 stieren.

- Tijdens een door de Algemene Inspectie Dienst op het bedrijf van appellante uitgevoerde controle is vastgesteld dat drie van de door appellante als voederareaal opgegeven percelen bij haar in gebruik zijn op basis van een met Staatsbosbeheer gesloten pachtovereenkomst, die betrekking heeft op de periode van 1 april 2000 t/m 30 november 2000. Tevens heeft de AID vastgesteld dat het door appellante als voederareaal opgegeven perceel 6 niet, zoals door haar opgegeven, 3.35 ha groot is, maar slechts 3.26 ha.

- Bij een op 12 februari 2001 verzonden mededeling heeft verweerder appellante meegedeeld dat op basis van de AID controle van de door haar opgegeven oppervlakte voederareaal van 52.75 ha slechts 25.62 ha is geconstateerd. Het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte is daarmee groter dan 20%. Voor appellante is vervolgens 0 ha voederareaal geregistreerd.

- In verband met het feit dat voor appellante 0 ha voederareaal werd geregistreerd heeft verweerder bij besluiten van 11 mei 2001 en 23 mei 2001 de door appellante ingediende aanvragen voor mannelijke runderen respectievelijk zoogkoeien afgewezen. In verband met de afwijzing van deze premieaanvragen heeft verweerder bij besluit van 30 augustus 2001 tevens de aanvraag van appellante voor het extensiveringsbedrag verkoopseizoen 2000 afgewezen.

- Tegen de besluiten van 11 mei 2001 en 23 mei 2001 heeft appellante op 22 juni 2001 bezwaar gemaakt. Tegen het besluit van 30 augustus 2001 heeft appellante per faxbericht van 12 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder de drie bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten betreffende de premie voor mannelijke runderen en de premie voor zoogkoeien houden

- samengevat - het volgende in.

Het met Staatsbosbeheer gesloten pachtcontract gaat in op 1 april 2000. Daarmee zijn de van Staatsbosbeheer gepachte percelen die appellante als voederareaal heeft opgegeven, niet beschikbaar met ingang van 31 maart 2000, zoals vereist is ingevolge artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 juncto artikel 4, eerste lid, van de Regeling. Het staat verweerder niet vrij van deze dwingendrechtelijke bepalingen af te wijken. Dat appellante, naar zij stelt, de facto reeds vóór 1 april over de bewuste percelen kon beschikken betekent niet dat deze gepachte gronden op 31 maart 2000 tot het bedrijf van appellante behoorden. Daarmee kunnen deze percelen niet als voederareaal worden aangemerkt dat vanaf 31 maart 2000 ter beschikking staat van het vee van appellante.

Het verschil tussen de door appellante opgegeven en de geconstateerde oppervlakte voederareaal is groter dan 20%. Artikel 9, tweede lid, eerste en tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 bepaalt vervolgens dat voor appellante geen voederareaal kan worden geregistreerd.

Daarmee heeft appellante geen ruimte in haar veebezettingsgetal, zoals ingevolge artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 1254/99 vereist is om voor premie voor mannelijke runderen en zoogkoeien in aanmerking te kunnen komen.

Het bestreden besluit met betrekking tot de extensiveringspremie houdt, samengevat, in dat artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1254/99 het verkrijgen van extensiveringspremie afhankelijk stelt van het verkrijgen van premie voor mannelijke runderen en/of zoogkoeien. Voor het verkoopseizoen 2000 heeft verweerder de premieaanvragen voor mannelijke runderen en zoogkoeien afgewezen. Daarom moet ook de gevraagde extensiveringspremie worden afgewezen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

De periode waarvoor Staatsbosbeheer de percelen verpacht heeft is niet bewust gekozen en uit gewoonte in de pachtovereenkomst opgenomen. In de praktijk kunnen de verpachte gronden van half maart tot eind november voor beweiding gebruikt worden. Staatsbosbeheer geeft inmiddels aan zulke pachtcontracten een looptijd van 1 januari tot en met 31 december. Desgevraagd kan een verklaring van Staatsbosbeheer overgelegd worden, waaruit blijkt dat de verpachte gronden ook reeds voor 1 april konden worden gebruikt.

Op grond hiervan wordt dus voldaan aan de voorwaarde dat de gronden reeds op 31 maart beschikbaar moeten zijn.

Verweerder heeft appellante ten onrechte niet gehoord over haar bezwaren. Appellante heeft daardoor niet de gelegenheid gekregen een bewijsaanbod te doen voor het indienen van een aanvullende verklaring van Staatsbosbeheer bij verweerder.

De wijze waarop verweerder de toepasselijke regelgeving uitlegt is te strikt. Van oneigenlijk gebruik van de regels is geen sprake nu reeds vóór 1 april feitelijk over de van Staatsbosbeheer gepachte gronden kon worden beschikt. Bij juiste belangenafweging had verweerder niet mogen oordelen dat de gepachte percelen niet als voederareaal kunnen worden aangemerkt. Daarenboven is er sprake van onevenredig zware benadeling van appellante.

5. De beoordeling van het geschil

Voor de beoordeling van de drie beroepen is beslissend of verweerder terecht besloten heeft dat het voederareaal waarover appellante in 2000 beschikt op 0 ha dient te worden gesteld, waardoor appellante niet over de voor toekenning van de gevraagde premies voor mannelijke runderen en zoogkoeien vereiste ruimte in haar veebezetting beschikt, tengevolge waarvan appellante vervolgens ook niet voor de gevraagde extensiveringspremie in aanmerking kan komen. Het College overweegt daaromtrent het volgende.

Gelet op de hiervoor in rubriek 2.1 weergegeven toepasselijke regelgeving dient het voederareaal van een bedrijf met ingang van 31 maart van het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, in dit geval 31 maart 2000, gedurende een aaneengesloten periode van 7 maanden beschikbaar te zijn. Nu appellante een pachtcontract met Staatsbosbeheer heeft, dat ingaat per 1 april 2000 wordt niet voldaan aan de dwingendrechtelijke eis dat de gepachte percelen beschikbaar moeten zijn voor het houden van dieren ingaande 31 maart 2000.

Voor een belangenafweging als door appellante bepleit biedt de toepasselijke regelgeving geen ruimte.

Dat appellante stelt dat zij feitelijk reeds vóór 1 april over deze gronden kon beschikken en dat Staatsbosbeheer, naar zij stelt, desgevraagd bereid is te bevestigen dat er aan die zijde geen bezwaar tegen zou hebben bestaan indien de overeenkomst per 31 maart 2000 was ingegaan, kan niet tot het oordeel leiden dat appellante ingaande 31 maart 2000 over de gepachte percelen beschikte krachtens een rechtsgeldige titel.

Het College kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij, nu verweerder er vanaf heeft gezien haar naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften te horen, geen gelegenheid heeft gehad een aanvullende verklaring van Staatsbosbeheer aan verweerder over te leggen. Niet valt in te zien waarom deze verklaring niet reeds bij het indienen van de bezwaarschriften had kunnen worden geproduceerd.

Het College overweegt tenslotte dat de grief van appellante dat de beslissing om geen premie toe te kennen, gelet op de in deze zaak spelende omstandigheden, onevenredig zwaar uitwerkt niet kan slagen. Nu de van Staatsbosbeheer gepachte gronden niet ingaande 31 maart 2000 voor appellante beschikbaar waren voor het houden van vee is niet voldaan aan de voorwaarden van de communautaire regelgeving. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 17 juli 1997 in de zaak Farmers Union (C-354/95) voor recht verklaard dat bij onderzoek van artikel 9, tweede lid en verder, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 niet gebleken is van feiten of omstandigheden, die de geldigheid van dit artikel kunnen aantasten, (onder meer) gelet op het evenredigheidsbeginsel.

Op grond van het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. W.E. Doolaard en mr. F.W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F.Claessens