Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1149

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-08-2003
Datum publicatie
15-08-2003
Zaaknummer
AWB 03/588 en 03/699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 26 mei 2003 heeft het College, na doorzending door verweerder, van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 mei 2003. Het beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/588.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp2000), is ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 03/588 en 03/699 1 augustus 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaken van:

A, h.o.d.n. Taxi A, te X, verzoeker,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te Den Haag, verweerder.

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 26 mei 2003 heeft het College, na doorzending door verweerder, van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 mei 2003. Het beroep is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/588.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar dat verzoeker had gemaakt tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2002, waarbij de aan verzoeker verleende vergunning voor het verrichten van taxivervoer, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp2000), is ingetrokken.

Bij brief van 23 juni 2003 heeft verzoeker de gronden van het beroep aangevuld.

Op 24 juni 2003 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat het besluit van verweerder van 2 mei 2003 wordt geschorst. Dit verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 03/699.

Op 19 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en op 8 juli 2003 is een reactie van verweerder op het verzoek om voorlopige voorziening ter griffie van het College ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2003. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is aan de zijde van verzoeker tevens aanwezig geweest D.E. Bollegraf, voormalig medewerker van verzoeker.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 4, 6, 9, 99 en 105 van de Wet personenvervoer 2000 luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

1. Een vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis van vakbekwaamheid.

3. Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

4. Onze Minister kan een ontheffing, de beperkingen waaronder een ontheffing is verleend en de aan een ontheffing verbonden voorschriften ambtshalve of op aanvraag wijzigen of intrekken.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)

Artikel 99

Het bestuursorgaan dat een vergunning heeft verleend, kan een vergunning volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels, wijzigen, schorsen of intrekken:

a. indien is gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde;

b. indien niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 9, eerste lid, bedoelde eisen, tenzij een ontheffing als bedoeld in het tweede lid van dat artikel is verleend.

Artikel 105

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

(…)"

De artikelen 26, 28 en 125 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp2000) luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 26

1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

(…)

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

2.2 Bij de beoordeling van deze zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker heeft op 29 december 2000 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wp2000.

- Bij besluit van 26 mei 2001 (P15520/T/TL/16131) heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoersgebied AZAM. In de bijlage bij dit besluit staat vermeld dat in deze taxionderneming door verzoeker gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Bp2000. Deze overgangsmaatregel houdt in dat verzoeker tot 1 juli 2001 aan de vakbekwaamheidseisen voldoet.

- Op 2 juli 2001 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van zijn voornemen tot intrekking van de aan verzoeker verleende ondernemingsvergunning taxivervoer.

- Bij brief van 3 september 2001 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat, naar aanleiding van door verzoeker op 3 augustus 2001 ingediende bewijsstukken dat verzoeker een opleiding Branchegerichte Ondernemersvaardigheden (BOV) volgt, het voornemen tot intrekking van de aan verzoeker verleende ondernemingsvergunning taxivervoer tot 1 januari 2002 wordt opgeschort.

- Bij besluit van 18 januari 2002 (P15520/T/TS/16131) heeft verweerder besloten de aan verzoeker bij besluit van 26 mei 2001 verleende vergunning met ingang van 30 april 2002 in te trekken, indien vóór die datum niet is aangetoond dat is voldaan aan de in hoofdstuk 2 van het Bp2000 gestelde eis van vakbekwaamheid.

- Tegen dit besluit heeft verzoeker op 12 februari 2002 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 24 februari 2003 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat is besloten om de aan verzoeker verleende vergunning ambtshalve te wijzigen in die zin dat de intrekking van die vergunning eerst in werking treedt zeven weken ná de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Op 20 maart 2003 is verzoeker naar aanleiding van zijn bezwaren telefonisch door verweerder gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Verzoeker heeft in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 als taxiondernemer regelmatig taxivervoer verricht. Om deze reden is bij het vergunningverlenende besluit van 26 mei 2001 de overgangsregeling in het kader van de ontheffing van de eis van vakbekwaamheid, als bedoeld in artikel 125, sub a, van het Bp2000 op verzoeker van toepassing verklaard, hetgeen inhoudt dat verzoeker een ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer is verleend. Blijkens dit besluit voldoet verzoeker tot 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid. Verzoeker heeft op 3 augustus 2001 kenbaar gemaakt dat hij aan de eis van vakbekwaamheid wil voldoen door het behalen van een erkend vakdiploma voor taxiondernemers (BOV-diploma). Aangezien verzoeker reeds met de BOV-opleiding was gestart, heeft verweerder in september 2001 besloten het voornemen tot intrekking van de verleende ondernemingsvergunning op te schorten tot 1 januari 2002. Nu na 1 januari 2002 niet is gebleken dat verzoeker aan de eis van vakbekwaamheid voldoet, is op 18 januari 2002 besloten de aan verzoeker verleende ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer met ingang van 30 april 2002 in te trekken. Deze intrekking is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften bieden geen ruimte om vakbekwaamheid aan te nemen enkel op grond van kennis en ervaring van verzoeker of diens ondergeschikte. Verzoeker heeft geen getuigschrift of verklaring in de zin van artikel 28 van het Bp2000 overgelegd, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat hij aan de eis van vakbekwaamheid voldoet.

Er bestaat geen aanleiding verzoeker, op grond van de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden, verder uitstel te verlenen voor het behalen van zijn BOV-deeldiploma's en intrekking van de hem verleende ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer achterwege te laten. Verweerder is van mening dat verzoeker in het verleden in ruime mate de tijd geboden om aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. De Wp2000 is met ingang van 1 januari 2000 in werking getreden en vanaf dat moment wist verzoeker, althans behoorde hij te weten, dat hij aan de eis van vakbekwaamheid dient te voldoen. In de bijlage bij het verleningsbesluit van 26 mei 2001 is voorts aangegeven dat voor 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid dient te worden voldaan. Bovendien heeft verzoeker reeds uitstel tot 1 januari 2002 gekregen voor het voldoen aan de eis van vakbekwaamheid. Verzoeker is derhalve gewaarschuwd dat intrekking van de hem verleende ondernemingsvergunning een reële optie was. Desondanks heeft verzoeker aangegeven dat hij nog drie BOV-deelexamens met positief resultaat moet afleggen.

De omstandigheid dat verzoeker naast zijn taxionderneming ook een winkel in ijs en chocolade exploiteert en dat het hem om die reden veel tijd kost om zijn BOV-deelexamens te behalen, vormt voor verweerder geen reden een uitzondering te maken op de gehanteerde gedragslijn om in beginsel geen uitstel meer te verlenen voor het behalen van de vereiste diploma's. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker een leasecontract met betrekking tot zijn voertuig heeft lopen.

Het beroep van verzoeker op het vertrouwensbeginsel wordt door verweerder niet gehonoreerd, reeds nu verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt wanneer en door welke persoon de beweerde toezegging, dat het mogelijk is om een vakbekwaam leidinggevende persoon in dienst te nemen met het doel alsnog aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen, zou zijn gedaan. Voorts is niet gebleken dat verzoeker op grond van de beweerd gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht die hij anders achterwege zou hebben gelaten, waardoor hij thans in een nadeliger positie is komen te verkeren.

4. Het standpunt van verzoeker

Het standpunt van verzoeker, zoals thans nog relevant, luidt als volgt.

De intrekking van de ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer is ten onrechte niet achterwege gebleven. Deze vergunning is verleend tot medio 2006. Aanvankelijk had verzoeker een collega, die beschikt over de vereiste vakbekwaamheid, bereid gevonden leiding te geven aan Taxi A, maar aangezien die persoon meer dan 20 uur binnen diens eigen taxionderneming werkzaam is, is van het aantrekken van deze persoon afgezien. Verzoeker overweegt thans zijn naam te laten bijschrijven in de vennootschap onder firma van bedoelde collega.

Verzoeker is zes jaar met positieve bedrijfsresultaten actief als zelfstandig taxiondernemer in Amsterdam. Hij heeft de nodige stratenkennis, mensenkennis, kennis van voertuigtechniek en -onderhoud en administratieve kennis opgebouwd. Hij heeft ruime ervaring en verleent professionele service aan zijn klanten.

Verzoeker heeft van de bestuurskamer van de Sociaal-economische Raad vrijstelling verkregen voor het behalen van het diploma Algemene Ondernemingsvaardigheden (AOV). Hij is nog bezig met het volgen van BOV-modules. Hij heeft de module 'Personeel en Communicatie' met succes afgerond, maar moet nog examen in drie andere modules afleggen. Hij studeert naast zijn werk als taxiondernemer en als exploitant van een winkel in ijs en chocolade, hetgeen veel energie kost. Op 2 juli 2003 heeft verzoeker examen in één BOV-module gedaan. De uitslag daarvan is hem nog niet bekend, maar hij gaat ervan uit dit examen met goed gevolg te hebben afgelegd. Op 3 september 2003 zal hij examen in de overige twee vereiste BOV-modules afleggen.

Indien de ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer daadwerkelijk wordt ingetrokken, ontstaan voor verzoeker financiële problemen in verband met een door hem afgesloten leasecontract voor het vervoermiddel ten behoeve van de taxionderneming.

Verzoeker heeft voorts verzocht het bestreden besluit bij wege van voorlopige voorziening te schorsen, zodat hij de gelegenheid heeft de vereiste BOV-deeldiploma's te behalen en voorts vanwege de financiële consequenties die voor verzoeker aan de intrekking van zijn ondernemingsvergunning zijn verbonden.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wbb kan, indien beroep bij het College is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van

23 juli 2003 is de voorzieningsrechter van oordeel dat onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan. Mede gelet op de ter zitting door partijen gegeven toestemming gaat hij daartoe over.

De voorzieningenrechter staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht de intrekking van de aan verzoeker verleende ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de Wp2000 kan een vergunning voor het verrichten van taxivervoer worden ingetrokken indien een vervoerder niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

Op grond van artikel 28, eerste lid, juncto artikel 125, van het Bp2000 kon door de vervoerder die taxivervoer verricht tot 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid worden voldaan indien aan bepaalde in laatstgenoemd artikel neergelegde voorwaarden werd voldaan.

Vanaf 1 juli 2001 dient een vervoerder die taxivervoer verricht en gebruik heeft gemaakt van de in artikel 125 van het Bp2000 opgenomen uitzonderingsregeling, op grond van artikel 26, eerste lid van het Bp2000 aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen. Hieraan kan, voorzover hier van belang, ingevolge artikel 28, eerste lid, sub a, van het Bp2000 worden voldaan door het aan verweerder overleggen van een door verweerder erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens, waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door verweerder vastgestelde onderwerpen.

Tussen partijen is niet in geschil en voor de voorzieningenrechter staat vast dat verzoeker aan verweerder geen getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, sub a, van het Bp2000 heeft overgelegd. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten de aan verzoeker verleende ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer in te trekken, omdat niet is voldaan aan de eis van vakbekwaamheid.

Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder handhaving van de intrekking van de hem verleende vergunning achterwege had moeten laten, omdat hij op 2 juli 2003 examen heeft gedaan voor het BOV-deeldiploma 'integrale bedrijfsvoering taxibedrijf' en hij op 3 september 2003 examen zal doen in de overige twee ontbrekende BOV-modules, zodat hij zeer spoedig aan de eis van vakbekwaamheid zal kunnen voldoen.

De voorzieningenrechter volgt dit betoog van verzoeker niet. Vanaf het moment van inwerkingtreding op 1 januari 2001 van de Wp2000 wist verzoeker, althans behoorde hij te weten, dat hij vóór 1 juli 2001 aan de eis van vakbekwaamheid moest voldoen. Tot op heden heeft hij echter minimaal twee door verweerder geëiste BOV-deelexamens (nog) niet met een positief resultaat afgelegd, terwijl hij door verweerder bij het verleningsbesluit van 26 mei 2001 en bij brief van 3 september 2001 uitdrukkelijk erop is gewezen dat hij de vereiste diploma's dient te behalen. De gevolgen van het niet (tijdig) behalen van de vereiste BOV-deeldiploma's komen derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter geheel voor rekening en risico van verzoeker. Een eventueel positief resultaat van het op 2 juli 2003 door verzoeker afgelegde BOV-deelexamen maakt dit niet anders.

Aan het voorgaande wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoeker vanwege zijn werkzaamheden binnen de door hem geëxploiteerde ijs- en chocoladewinkel weinig gelegenheid heeft gehad om de BOV-modules te bestuderen, dat verzoeker gedurende zes jaar met positieve bedrijfsresultaten als taxiondernemer actief is, alsmede dat hij bij intrekking van de verleende vergunning geconfronteerd wordt met een restschuld betreffende de lease van zijn vervoermiddel. Deze omstandigheden dienen immers voor zijn rekening en risico te komen.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat hij in afwachting van het behalen van de vereiste BOV-deelexamens overweegt als natuurlijk persoon toe te treden tot een vennootschap onder firma binnen de taxibranche en dat daarna bij verweerder een aanvraag zal worden ingediend, overweegt de voorzieningenrechter dat het onderhavige beroep enkel betrekking heeft op de intrekking van de aan verzoeker op diens aanvraag verleende ondernemingsvergunning voor het verrichten van taxivervoer. Een beoordeling van een aanvraag na toetreding van verzoeker tot een vennootschap onder firma kan derhalve thans niet aan de orde komen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is er voorts geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het hiertoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2003.

w.g. D. Roemers w.g. M.S. Hoppener