Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1130

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
15-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/1153
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1153 22 juli 2003

20120 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 31 januari 2002,

gemachtigde: mr. N.C. Hereman, werkzaam bij De Bruijn, Stout en Van Wensveen accountants en belastingadviseurs B.V. te Hellevoetsluis.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 9 april 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 31 januari 2002 genomen beslissing op een klacht, bij brief van 26 januari 2001 ingediend tegen appellant door B wonende te Yen h.o.d.n. Real Fun International (hierna: klager).

Bij een op 7 juni 2002 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 9 juli 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 18 maart 2003, waar appellant is verschenen met zijn gemachtigde. Klager is niet verschenen. Als getuige, medegebracht door appellant, is ter zitting verschenen en gehoord C te X, secretaresse van appellant.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd. Ter motivering van de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht onder meer het volgende overwogen:

"Betrokkene heeft ter zitting van de Raad verklaard er niet van op de hoogte te zijn geweest dat klager regelmatig naar zijn kantoor heeft gebeld. Desgevraagd zou de secretaresse van betrokkene tegen hem gezegd hebben dat zij zich daar ook niets meer van kon herinneren. Zulks is echter in tegenstelling tot hetgeen betrokkene heeft verklaard in zijn brief van 15 maart 2001:

"Zij heeft ook dagen en tijden genoemd dat ik wel aanwezig was."

Deze zinsnede maakt aannemelijk dat betrokkene wist dat klager één of meerdere malen telefonisch contact met het kantoor van betrokkene had opgenomen. Vaststaat dat betrokkene daarop niet heeft gereageerd door klager terug te bellen, dan wel hem schriftelijk te berichten over de voortgang respectievelijk resultaten van zijn activiteiten.

De Raad acht de handelwijze van betrokkene in strijd met een behoorlijke belangenbehartiging, zoals die van een accountant-administratieconsulent verwacht mag worden en mitsdien in strijd met de eer van de stand van accountants-administratieconsulenten."

4. De verklaring van de getuige

Ter zitting heeft C, die ten tijde hier van belang als secretaresse van appellant werkzaam was, na het afleggen van de belofte, zakelijk weergegeven en voorzover van belang, als getuige het volgende verklaard.

Zij kan zich niet exact herinneren hoe vaak zij klager aan de telefoon heeft gesproken. Zij vermoedt dat dit drie maal het geval is geweest. Zij kan zich evenmin herinneren wanneer het eerste telefoongesprek met klager heeft plaatsgevonden.

Tijdens het eerste telefoongesprek met klager wist zij niet met wie zij van doen had. Zij heeft later van appellant vernomen wie klager was. Bij verhindering van appellant om een telefoongesprek aan te nemen, is de normale procedure dat zij aan haar gesprekspartner doorgeeft dat deze zal worden teruggebeld of dat die persoon zelf kan terugbellen. Zij kan zich niet herinneren of zij bij gelegenheid van het eerste telefoongesprek klager heeft toegezegd dat hij door of namens appellant zou worden teruggebeld.

Zij herinnert zich dat zij op een bepaald moment klager in opdracht van appellant heeft opgebeld met de mededeling dat appellant geen financier heeft gevonden voor het project van klager. Zij heeft klager bij die gelegenheid medegedeeld dat hij de door hem afgegeven bescheiden op het kantoor van appellant kon komen ophalen. Nadien heeft zij persoonlijk de bescheiden aan klager overhandigd. Dit is het enige dat zij van de onderhavige kwestie afweet. Data zijn haar niet bekend.

5. De beoordeling van de middelen van beroep

De grieven van appellant richten zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat appellant - ondanks zijn wetenschap dat klager meermalen contact met zijn kantoor had opgenomen - verzuimd heeft zich telefonisch of schriftelijk tot klager te wenden met betrekking tot de voortgang van zijn werkzaamheden, alsmede tegen het oordeel van de raad van tucht dat (-) een dergelijke handelwijze in strijd is met een behoorlijke belangenbehartiging, zoals die van een accountant-administratieconsulent mag worden verwacht, (-) een dergelijke handelwijze in strijd is met de eer van de stand van accountants-administratieconsulenten en (-) de ernst van de verweten overtreding oplegging van de maatregel van een schriftelijke waarschuwing rechtvaardigt.

Appellant stelt dat hij bij monde van zijn secretaresse aan klager heeft laten weten dat hij met de werkzaamheden voor klager bezig was, maar dat hij nog geen financier voor het project van klager had gevonden.

Gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd, overweegt het College als volgt.

Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht uit de inhoud van de brief van appellant van 15 maart 2001 op goede gronden kunnen afleiden dat appellant - anders dan hij ter zitting van de raad van tucht heeft gesteld - op de hoogte was van het feit dat klager regelmatig telefonisch contact met appellant heeft gezocht teneinde te vernemen of appellant een financier voor zijn onderneming had gevonden.

Voorts stelt het College vast dat namens appellant ook in het beroepschrift is erkend dat hij ervan op de hoogte was dat klager een aantal malen contact met zijn kantoor had opgenomen. Tevens is in het beroepschrift gesteld dat appellant bij monde van zijn secretaresse aan klager zou hebben laten weten nog met de zaak bezig te zijn, maar nog geen financier te hebben gevonden.

Het College wijst er voorts op dat appellant in zijn brief aan de raad van tucht van 15 maart 2001 heeft gesteld dat klager "tot zijn verrassing" zijn map met gegevens op het kantoor van appellant heeft opgehaald en verder niets van zich heeft laten horen tot het indienen van de klacht.

In het licht van het vorenstaande kan aan de ter zitting van het College door de getuige C afgelegde verklaring, inhoudende dat zij in opdracht van appellant klager telefonisch zou hebben medegedeeld dat appellant geen financier heeft gevonden en in verband daarmee klager heeft verzocht zijn map met gegevens op het kantoor van appellant te komen ophalen, niet de betekenis toekomen die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Deze verklaring is niet alleen in tegenspraak met de eerder door appellant gestelde onbekendheid met de pogingen van klager om met hem in contact te treden en de gestelde verrassing over het feit dat klager zijn map met gegevens op het kantoor van appellant heeft opgehaald, maar tevens, zonder dat appellant daarvoor een afdoende verklaring heeft gegeven, pas in de fase van het hoger beroep naar voren gebracht.

Op grond van het vorenoverwogene concludeert het College dat de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat appellant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door niet - telefonisch of schriftelijk - te reageren op de herhaaldelijk door klager verzochte informatie met betrekking tot diens zaak. Het College ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de door de raad van tucht opgelegde maatregel van schriftelijke waarschuwing niet in verhouding zou staan tot de door appellant begane overtreding. Anders dan appellant stelt is hier immers niet slechts sprake van een ongelukkige wijze van communicatie tussen hem en klager, maar van het in strijd met een behoorlijke belangenbehartiging nalaten van informeren van een cliënt.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep moet worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op het bepaalde in Titel IV van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten en in het bijzonder op artikel 5 van de Gedrags- en beroepsregels voor Accountants-Administratieconsulenten.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener