Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1078

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-07-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/698
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 29 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem een verklaring als bedoeld in artikel 125, onder b, van het Besluit personenvervoer 2000 te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/698 16 juli 2003

14915 Wet personenvervoer 2000

EG-verklaring taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. M.M.E. Antic, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerders ministerie,

1. De procedure

Op 29 april 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 maart 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de weigering hem een verklaring als bedoeld in artikel 125, onder b, van het Besluit personenvervoer 2000 te verstrekken.

Verweerder heeft op 23 juli 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Desgevraagd heeft verweerder op 17 februari 2003 nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met dat in de zaak AWB 02/699 plaatsgevonden op 19 februari 2003, waar partijen bij monde van gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht, en waar als getuige, meegebracht door appellant, is gehoord B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet personenvervoer 2000 is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)"

In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 26

1. De vervoerder die openbaar vervoer, anders dan per trein, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. (…)

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een (…) getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens (…) of

b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

(…)

In de Nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit is het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven als volgt nader toegelicht:

"De eis van vakbekwaamheid beoogt door inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming te waarborgen. Het predikaat "permanent" moet worden opgevat als een continue betrokkenheid bij het leidinggeven. De betrokkenheid mag niet incidenteel zijn. Indien het leidinggeven door de aard of grootte van de onderneming een voltijdse aangelegenheid is, betekent dit dat de vakbekwame niet slechts een gedeelte van de werktijd met daadwerkelijke leiding kan zijn belast. "Daadwerkelijk" geeft aan dat het om een inhoudelijke betrokkenheid bij het leidinggeven gaat. De functie van leidinggevende kan niet louter een formele status inhouden. Zo kan een bestuurder van een rechtspersoon die als vervoerder geldt de vakbekwaamheid niet inbrengen indien de leiding over het vervoer feitelijk bij een ander berust. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijkse ondernemersbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. De uitleg van het begrip permanent leidinggeven vergt tevens dat de vakbekwame ten aanzien van deze werkzaamheden naar buiten vertegenwoordigingsbevoegd is. Zonder een volmacht of mandaat om namens de vervoerder op te treden, kan de facto geen sprake zijn van leidinggeven als bedoeld in het onderhavige artikel."

In artikel 125 van het Besluit wordt daaraan het volgende toegevoegd:

"Artikel 125

Tot 1 juli 2001 wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht (…) en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 15 juni 2000 aan verweerder verzocht om een verklaring van vakbekwaamheid op grond van vijf jaar praktische ervaring in het besturen van een taxionderneming. Daarbij heeft hij opgegeven vanaf het jaar 1996 (mede) belast te zijn geweest met leidinggevende taken op de volgende gebieden: inkoop, prijsvaststelling, werkverdeling, klachtenbehandeling, bedrijfseconomie, administratie, personeel/CAO/rijtijden.

- Bij brief van 1 november 2000 heeft verweerder appellant verzocht om bepaalde aanvullende documenten, omdat nog niet afdoende kon worden vastgesteld dat appellant gedurende de wettelijk vereiste periode permanent en daadwerkelijk belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit het krachtens een geldige vergunning verrichten van taxivervoer.

- Bij besluit van 22 januari 2001 heeft verweerder een verklaring (door hem aangeduid als: een EG-verklaring) verstrekt met onder meer de volgende overwegingen

"dat blijkens artikel 125 onder b van het Besluit personenvervoer 2000 een EG-verklaring van taxivervoer wordt verstrekt indien ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste vijf jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning;

dat aan die persoon de eis wordt gesteld dat aan het taxivervoer permanent en daadwerkelijk leiding werd gegeven;

dat A voornoemd, aan de hand van diverse, door hem overgelegde bewijsstukken, heeft aangetoond dat hij de laatste vijf jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer; "

- Bij brief van 11 juni 2001 heeft verweerder appellant bericht voornemens te zijn bedoelde verklaring in te trekken, nadat verweerder uit onderzoek was gebleken dat deze is verstrekt op grond van vervalste documenten.

- Op 3 juli 2001 is appellant, vertegenwoordigd door zijn vader C, door verweerder ter zake van zijn voornemen gehoord.

- Bij besluit van 17 september 2001 heeft verweerder zijn besluit van 22 januari 2001 ingetrokken, daarbij overwegende dat

"is komen vast te staan dat de grondslag daaraan is komen te ontvallen, op grond van feiten en omstandigheden, die mij op het moment van verstrekking niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn (…)."

- Bij brief van 19 oktober 2001 heeft appellant tegen het besluit van 17 september 2001 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij verwezen naar een vennootschaps-overeenkomst en een exploitatie-overeenkomst, die appellant beide op 2 mei 1995 heeft gesloten met C, handelende namens TAXI 210 B.V. (i.o.).

- Bij bedoelde vennootschapsovereenkomst is onder meer overeengekomen dat TAXI 210 B.V. haar vakbekwaamheid inbrengt en appellant zijn werkkracht. Bij de exploitatie-overeenkomst geven genoemde partijen te kennen dat zij "door middel van de VOF tezamen en voor gemeenschappelijke rekening een taxibedrijf " uitoefenen.

- Op 10 december 2001 heeft appellant het bezwaarschrift mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

"dat tot 1 juli 2001 geldt dat degene die gedurende vijf jaar aantoonbaar belast is geweest met de dagelijks leiding van een bedrijf dat taxivervoer verricht aan de eis van vakbekwaamheid voldoet;

dat bezwaarde blijkens een afschrift uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam van 06 augustus 2001 als vennoot stond ingeschreven sedert 16-12-1996 en op basis van deze informatie dus niet aan de 5 jaar termijn kan voldoen;

dat bij het aanvragen van de EG-verklaring door bezwaarde gebruikt is gemaakt van een zogenaamd printscreen en dit schermafdruk geen goed beeld geeft van de historie van de betrokken inschrijving omdat de wijziging van de inschrijving slechts (digitaal) op het schermafdruk wordt weergegeven en dit niet wordt ingevoerd in het (juridisch) dossier, waardoor derden hiervan kennis kunnen nemen;

dat op een schermafdruk welke door bezwaarde bij de aanvraag van de EG-verklaring is overlegd, staat vermeld:

Aanvang van (huidige) vertegenwoordigingsbevoegdheid 27-06-1995

dat de inschrijving bij de Kamer van het dossier 33268866 V.O.F. Taxi 560 aangeeft dat bezwaarde op 16 december 1996 als vennoot tot de vennootschap is toegetreden en het bij de aanvraag gevoegde printscreen als datum van toetreding 27 juni 1995 vermeld en op deze wijze bij de aanvraag frauduleus een tijdvak van ruim 1 jaar en 5 maanden aan de registratiedatum werd toegevoegd, waardoor bezwaarde kon aantonen dat er een inschrijving bij de Kamer bestond die voldeed aan de 5 jaar termijn;

dat uit de aanvraag verklaring vakbekwaamheid blijkt dat bezwaarde heeft aangegeven dat deze vanaf '96 belast was met leidinggevende taken en dit blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel wordt bevestigd door de datum te weten 16-12-1996;

(…)

dat uit het vorengaande kan worden geconcludeerd dat de wijziging van de gegevens bij de Kamer heeft plaatsgevonden op instigatie van bezwaarde dan wel door tot opgave ter inschrijving gerechtigden en vaststaat dat bezwaarde hiervan bij de aanvraag van de EG-verklaring gebruik heeft gemaakt, als zijnde de gegevens die correspondeerden met de daadwerkelijke inschrijving bij de Kamer en hierdoor kennelijk heeft willen bewerkstelligen dat ten onrechte een tijdvak aan de registratiedatum werd toegevoegd;

dat de bij het bezwaarschrift overlegde vennootschapsovereenkomst slechts als aanvullend bewijs kan dienen om in combinatie met inschrijving bij de Kamer aan te tonen dat bezwaarde de laatste vijf jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van de onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning en deze verklaring geen grond vormt om de EG-verklaring alsnog toe te wijzen;

(…)

dat nu het hoofdbestanddeel van bewijs voor de afgifte van de EG-verklaring is komen te vervallen omdat van het tijdvak van 6 jaar een periode van ruim 1 jaar en 5 maanden is komen te vervallen (27 juni 1995 tot 16 december 1996) en door bezwaarde slechts ondersteunend bewijs in de vorm van een vennootschapsovereenkomst - welke in geen enkel dossier van de toenmalige vergunningverlener werd teruggevonden - is overlegd, kan hieruit worden geconcludeerd dat niet is aangetoond dat bezwaarde voor 16-12-1996 belast is geweest met het dagelijks beheer van de onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning; "

4. Het standpunt van appellant

Bij zijn beroepschrift heeft appellant heeft de gronden van zijn beroep als volgt samengevat:

"- Tot eind 1996 was de normale gang van zaken dat een taxinummer werd aangeschaft en dat de eigenaar van dit nummer een V.O.F. aanging met verschillende chauffeurs. De vennoten gingen vervolgens naar TCA waar de chauffeurs een roosterbriefje kregen (bijlage 2). Met dit roosterbriefje gingen de chauffeurs dan naar OLT/AZAM alwaar de vergunning werd afgegeven. Vanaf dat moment reden de chauffeurs als zelfstandig ondernemers.

- Bij deze gang van zaken was het niet verplicht de verschillende chauffeurs in te schrijven bij de Kamer van Koophandel.

- Inschrijving in het Handelsregister is evenmin een constitutief vereiste voor een V.O.F.

- Eerst eind 1996 werd verplicht gesteld dat de chauffeurs van de V.O.F. ook afzonderlijk werden ingeschreven in het Handelsregister.

- Om deze reden staat de heer A sinds 16 december 1996 ingeschreven.

- De heer A is echter reeds sinds medio 1995 als chauffeur en zelfstandig ondernemer werkzaam. Dit blijkt uit de exploitatie- en vennootschapsovereenkomst, de ledenlijst van de Taxichauffeurscoöperatie (bijlage 3), de Bijlage inschrijving vennoot natuurlijke persoon (bijlage 4) alsmede de roosterbriefjes over de betreffende periode.

- Waarom de exploitatie- en vennootschapsovereenkomst slechts als aanvullend bewijs kunnen dienen, is de heer A niet duidelijk en wordt dan ook door hem betwist. "

Ter zitting heeft appellant voorts onder meer het volgende aangevoerd:

"Nergens is de eis te vinden dat de leidinggevenden in een vennootschap onder firma ingeschreven moeten zijn in het Handelsregister wil er sprake zijn van vakbekwaamheid als bedoeld in de Wet Personenvervoer en het Besluit Personenvervoer. Sterker nog: uit (…) de Nota van Toelichting blijkt juist dat het gaat om een materieel criterium en juist niet om een louter formeel criterium.

De vraag is dus of de heer en mevrouw A voldoen aan het hierboven geschetste materiële criterium. Met andere woorden: waren de heer en mevrouw A in de periode 1 juni 1996 tot 1 juli 2001 belast met de permanente en daadwerkelijke leiding van een onderneming. Het antwoord luidt JA, sinds mei 1995 zijn zij zelfstandig ondernemer: zij zijn verantwoordelijk voor de auto, zij nemen hun eigen werk aan en ze voeren zelfstandig hun eigen administratie. Ter onderbouwing van deze stelling voeren de heer en mevrouw A het volgende aan:

- Sinds 26 apri1 1995 zijn de heer en mevrouw A toegetreden tot de Taxichauffeurscoöperatie "Taxi-Express" (zie bijlage 3 bij het beroepsschrift).

- Sinds 2 mei 1995 zijn zij als vennoot toegetreden tot de V.O.F. MOTAX/210 (zie de in de bezwaarfase overgelegde exploitatie- en vennootschapsovereenkomst) .

- Sinds 15 mei 1995 werken zij als taxichauffeur, zie de roosterbriefjes/weekstaten die als bijlage 2 bij het beroepschrift zijn overgelegd; deze roosterbriefjes werden verkregen van het OLT/AZAM waarna de desbetreffende chauffeur bekend was en op de vergunning van de V.O.F. zelfstandig werkzaam kon zijn. Pas vanaf 1997 werd het verplicht om de chauffeurs ook daadwerkelijk in te schrijven bij het OLT/AZAM hetgeen - ook in het geval van de heer en mevrouw A - is gebeurd.

- Op 2 mei 1995 hebben zij zich als vennoot laten inschrijven in het Handelsregister (zie bijlage 4 bij het beroepschrift). Helaas is de inschrijving van de heer en mevrouw A als vennoot over de periode voorafgaande aan december 1996 in het ongerede geraakt bij de Kamer van Koophandel. Er is toen door de Kamer de ter discussie staande "printscreen" afgegeven. (…) "

5. De beoordeling van het geschil

Gelijk het College eerder heeft overwogen, vormt de beslissing om een verklaring als bedoeld in artikel 125 aanhef en onder b van het Besluit te verstrekken, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien daarmee voor iedere door de betrokkene naderhand in te dienen vergunningsaanvraag vaststaat, dat hij aan de eisen van vakbekwaamheid voor het taxivervoer voldoet.

Voorts overweegt het College dat artikel 125 van het Besluit een in de tijd beperkte overgangsbepaling bevat, die afwijkt van de regel van artikel 28 van het Besluit en die derhalve strikt behoort te worden uitgelegd. Om te voldoen aan het bepaalde in artikel 125 van het Besluit, heeft appellant moeten aantonen dat hij in de vijf jaren vanaf 1 juli 1996 belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning. Hierin is appellant niet geslaagd met hetgeen hij heeft aangevoerd.

Immers, de omstandigheid dat appellant op 26 april 1995 is toegetreden tot een taxichauffeurscoöperatie en dat hij sinds 15 mei 1995 als taxichauffeur werkt, vormt op zich zelf nog geen bewijs dat hij vanaf die tijd ook daadwerkelijk het dagelijks beheer van een taxionderneming heeft gevoerd.

Dat bewijs is ook niet gelegen in zijn toetreding tot de vennootschap onder firma V.O.F. Motax/210, waarbij het College het volgende mede in aanmerking neemt.

Ingevolge de overgelegde vennootschapsovereenkomst brengt in genoemde vennootschap onder firma appellant zijn werkkracht in en TAXI 210 B.V. de vakbekwaamheid.

Blijkens de overgelegde exploitatieovereenkomst oefenen TAXI 210 B.V. en appellant "tezamen en voor gemeenschappelijke rekening een taxibedrijf" uit.

Evenmin heeft appellant een uittreksel uit het handelsregister overgelegd, waaruit de inschrijving blijkt van een taxionderneming waarover appellant het dagelijks beheer heeft gevoerd in een aaneengesloten periode van vijf jaar, die aansluit op de datum van 1 juli 2001. Verweerder heeft uitgelegd waarom, en appellant heeft niet weersproken dat, de overgelegde schermafdruk (printscreen) geen juiste weergave is van de betrokken inschrijving. Daarom kan verweerders verwijt dat terzake frauduleus is gehandeld, buiten beoordeling blijven. Overigens heeft appellant niets aangevoerd dat verweerder aanknopingspunt bood voor appellants stelling dat zijn inschrijving als vennoot in het handelsregister op 2 mei 1995 plaats vond maar in het ongerede is geraakt.

De conclusie van het vorenoverwogene is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, mr. W.E. Doolaard en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2003.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R. Meijer