Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI1063

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/1450
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van Tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/1450 10 juli 2003

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

drs. A RA, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 27 mei 2002.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 28 mei 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 27 mei 2002 genomen beslissing op een klacht, bij brief van 14 mei 2001 ingediend tegen appellant door C te D (hierna: klager).

Bij een op 26 juli 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 3 september 2002 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 4 oktober 2002 heeft het College van klager een reactie op het beroepschrift ontvangen.

Op 17 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn appellant, bijgestaan door mr. J.C.J. Wouters, advocaat te Rotterdam, en klager, bijgestaan door mr. M.V.R. Grandjean Perrenod Comtesse, advocaat te Rotterdam.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, behalve voor zover tegen die vaststelling grieven zijn aangevoerd, welke hieronder in paragraaf 4.1 worden besproken.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klachtonderdelen b en c gegrond verklaard voor zover het de in de overwegingen 5.4 en 5.5 vermelde gedragingen betreft, aan appellant terzake een schriftelijke waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

De raad van tucht heeft zijn gegrondverklaring van de klachtonderdelen b en c doen steunen op de volgende overwegingen, waarbij appellant is aangeduid als "betrokkene":

"5.3 Gebleken is dat tussen eind september 1999 en medio januari 2000 geen contact heeft plaatsgevonden tussen betrokkene en klager, afgezien van de afspraak voor een bespreking op 22 december 1999, die geen doorgang heeft gevonden. Niet is komen vast te staan dat betrokkene op 5 oktober 1999 een telefoongesprek met klager heeft gevoerd. Evenmin is dat aannemelijk geworden. Klager heeft uitdrukkelijk betwist dat zodanig gesprek heeft plaatsgevonden, tegenover welke betwisting klager zijn stelling, die in zijn eigen woorden niet meer is dan een vermoeden, onvoldoende heeft onderbouwd.

5.4 Gebleken is dat in de zo-even genoemde periode verscheidene gebeurtenissen van belang hebben plaatsgevonden. Er hingen controlekwesties die in de ogen van betrokkene noopten tot aanpassingen van de jaarrekening en die dientengevolge betrokkene ervan weerhielden om op het gebruikelijke tijdstip de controle af te ronden en de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening af te geven. Genoemd zijn de uitkomsten van de voorraadopname per balansdatum, de omvang en volwaardigheid van de handelsdebiteuren, met meenemen in de omzet 1998/1999 van een na balansdatum uitgeleverde order en de juistheid van delen van de in de concept-balans geactiveerde vooruitbetaalde posten. Ten aanzien van de voorraadopname heeft betrokkene in de stukken en ter zitting aangegeven dat hij van het controleteam had vernomen dat de onder verantwoordelijkheid van klager uitgevoerde voorraadopname onverklaarde verschillen te zien had gegeven, dat een hernieuwde voorraadopname zou plaatsvinden en dat het controleteam door toedoen van klager niet de beschikking verkreeg over de resultaten van de eerste voorraadopname. Betrokkene heeft gesteld dat hij het betreffende gedrag van klager onacceptabel vond. Ook voor betrokkene stond vast dat klager verantwoordelijk was voor de totstandkoming van de jaarrekening.

De Raad acht het onzorgvuldig dat betrokkene onder deze omstandigheden heeft nagelaten om de genoemde problemen en de in zijn ogen bestaande noodzaak van correcties in de (concept)jaarrekening, schriftelijk aan klager mee te delen. Eveneens acht de Raad het onjuist dat betrokkene heeft nagelaten aan klager te vragen of hij het was die aan het controleteam de resultaten van de eerste voorraadopname onthield en hem mee te delen dat hij de gang van zaken rond de eerste voorraadopname onacceptabel vond. Betrokkene had het tot zijn taak moeten rekenen om, los van de contacten die er zijn geweest tussen zijn controleteam en ondergeschikten van klager, klager als eindverantwoordelijke voor de jaarrekening in kennis te stellen van de genoemde voor klager ernstige problemen.

5.5 Gebleken is verder dat betrokkene begin december 1999 een bespreking heeft gevoerd met de heren E en F, waarin de stand van de jaarrekening- controle is besproken en waarin de meergenoemde problemen en de door betrokkene voorgestelde correcties zijn besproken. Vaststaat dat noch vóór de bespreking noch kort daarna de door betrokkene voorgestelde correcties aan klager bekend zijn gemaakt. Ook staat vast dat betrokkene klager tevoren niet heeft geïnformeerd over het aanstaande gesprek of zijn voorgenomen standpunt in dat gesprek en evenmin klager de inhoud van het gesprek na afloop heeft bevestigd, hoewel, blijkens het gespreksverslag, de heer E na dat gesprek ging praten met personeel van G en het dus aan betrokkene is overgelaten te overleggen met klager.

Gezien het belang van de gebeurtenissen voor klager als verantwoordelijke voor de jaarrekening oordeelt de Raad dat deze nalatigheden verwijtbare omissies van betrokkene zijn.

De Raad oordeelt dat er geen deugdelijke reden is geweest voor betrokkene om van begin oktober 1999 tot 17 januari 2002 (het College leest: 2000) te wachten met het aanspreken van klager over de problemen."

Voor de overige overwegingen wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

4. De motivering

4.1 Appellant heeft terecht, zoals ook door klager wordt erkend, de volgende aanvullingen en correcties op de door de raad van tucht in zijn uitspraak vastgestelde feiten naar voren gebracht:

grief 1 ad punt 2.3: appellant was niet belast met de controle van de jaarrekening van G B.V. (hierna: G). Appellant was verantwoordelijk voor de controle van de jaarrekening, inclusief de geconsolideerde jaarrekening, van H International B.V. en haar dochterondernemingen, waaronder begrepen G. De jaarrekening van deze laatste was geen enkelvoudig object van controle.

grief 4 ad punt 2.13: toen de heer I de ontslagmededeling deed, had appellant de bespreking al verlaten.

grief 5 ad punt 2.14: er is geen vonnis in kort geding overgelegd. De in dit punt vermelde feiten kunnen worden afgeleid uit de beschikking van de rechtbank te Breda van 21 juli 2000.

4.2 De grieven 2 en 3 houden in dat de raad van tucht bepaalde punten niet heeft vastgesteld. Voorzover appellant hiermee bedoelt dat de raad van tucht deze punten ten onrechte niet heeft opgenomen in de rubriek 'de vaststaande feiten' falen de grieven, aangezien het aan de raad van tucht is een selectie van vaststaande feiten te maken en hij niet verplicht is een uitputtende opsomming van vaststaande feiten in zijn uitspraak te vermelden. Voorzover appellant bedoelt dat de raad van tucht de door appellant naar voren gebrachte punten bij zijn beoordeling van de klacht onvoldoende in ogenschouw heeft genomen, geldt het volgende.

4.3 Appellant heeft in hoofdzaak het volgende naar voren gebracht. Klager was sinds eind september 1999 bekend met alle controle-aangelegenheden. Klager had de afhandeling van de controle-aangelegenheden gedelegeerd aan de heer J, controller in het bedrijf van klager. J heeft in dit kader contact gehad met het hoofdkantoor van K in L. Onjuist is dat begin december 1999 voorgestelde correcties zijn besproken met de heren E en F, althans voor zover het de voorraadkwestie betrof. De hertelling zou immers per eind december plaatsvinden. Voor het overige valt volgens appellant niet in te zien waarom hij correcties niet zou mogen bespreken met zijn opdrachtgever, de aandeelhouder, alvorens deze met de bestuurder van de vennootschap te bespreken. Uit het verslag van de bijeenkomst blijkt dat die correcties nog met de bestuurder van de vennootschap moesten worden besproken. Appellant ziet voorts niet in waarom hij klager vóór zijn gesprek met zijn opdrachtgever op de hoogte had moeten stellen van het aanstaande gesprek of zijn voorgenomen standpunt in dat gesprek, terwijl hij evenmin reden ziet waarom hij dat gesprek na afloop aan klager had moeten bevestigen.

4.4 Klager heeft erkend dat J uit hoofde van zijn functie eerstverantwoordelijk was voor boekhoudkundige zaken, maar hij heeft betwist dat J een gedelegeerde rol heeft gekregen in die zin dat appellant over geen enkel onderwerp en bij geen enkele gelegenheid contact met klager zou hoeven op te nemen. Klager heeft voorts betwist dat hij op 30 september 1999 op de hoogte is gebracht van alle controle-aangelegenheden.

4.5 Het College overweegt met betrekking tot het vorenstaande dat het wellicht correcter zou zijn geweest wanneer appellant in de periode tussen 30 september 1999 en 17 januari 2000 contact met klager had opgenomen over de controle-aangelegenheden die aan de orde waren, maar het College kan niet tot het oordeel komen dat de eer van de stand der registeraccountants is geschaad doordat appellant een dergelijk tussentijds contact met klager niet heeft opgenomen. Datzelfde geldt voor het nalaten van het doen van schriftelijke mededelingen aan klager over deze kwesties.

Het College neemt hierbij in aanmerking dat klager, hetzij door hetgeen hijzelf al rechtstreeks van appellant of medewerkers van diens controleteam had vernomen, dan wel door hetgeen zijn medewerker J hem al dan niet desgevraagd zal hebben verteld, minstens globaal op de hoogte moet zijn geweest van de problemen die speelden en de oplossingen die in dat kader werden gezocht. Bij eventuele onduidelijkheden daaromtrent had klager, indien hij dat had gewenst, ook zelf contact met appellant kunnen opnemen.

Het College kan voorts niet inzien waarom appellant schriftelijke mededelingen had moeten verstrekken. Uit de stukken blijkt immers dat er al aan oplossingen werd gewerkt. Wat betreft de vraag of het klager was die aan het controleteam de resultaten van de eerste voorraadopname had onthouden, merkt het College op dat niet is komen vast te staan dat de mening van appellant hierover enige rol bij de verdere afwikkeling van de kwestie heeft gespeeld. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat appellant klager hierover mondeling of schriftelijk had dienen te benaderen.

Voorts is het College met appellant van oordeel dat het hem vrijstond met de heren E en F overleg te plegen, zonder dat hij dit vooraf aan klager meldde. E en F vertegenwoordigden voor appellant de aandeelhouder en zijn opdrachtgever. Nog afgezien van de vraag of appellant al niet mocht menen dat E nog nader overleg met klager over voorgestelde correcties zou voeren, kan het College niet inzien dat het overleg dat uiteindelijk op 17 januari 2000 heeft plaatsgevonden zodanig laat was dat daarmee de eer van de stand der registeraccountants is geschonden.

Het College acht bij dit alles van belang dat, zoals de raad van tucht met juistheid heeft overwogen, niet is gebleken dat klager object is geworden van onderzoek van appellant.

Het College acht het beroep derhalve gegrond.

Het College zal de bestreden tuchtbeslissing vernietigen en de zaak zelf afdoen door de klacht in alle onderdelen ongegrond te verklaren.

4.6 Deze uitspraak berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants en in het bijzonder op artikel 5 van de Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht van 27 mei 2002;

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. J.L.W. Aerts en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Bruining

914/01.20

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

C

wonende te D

klager

gemachtigde: mr. M.V.R. Grandjean Perrenod Comtesse

advocaat te Rotterdam

C O N T R A:

Drs. A RA

kantoorhoudende te B

betrokkene

gemachtigde: mr. J.C.J. Wouters

advocaat te Rotterdam

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Bij brief van 14 mei 2001, aangevuld bij brief van 6 juni 2001 heeft de toenmalige gemachtigde namens klager een klacht ingediend tegen betrokkene. Betrokkene heeft zich verweerd bij brief van 28 juni 2001. Daarna heeft klager gerepliceerd bij brief van 14 augustus 2001, waarna betrokkene heeft gedupliceerd bij brief van 4 september 2001, aangevuld bij brief van 15 februari 2002.

1.2 De klacht is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 25 februari 2002, alwaar zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, alsmede betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde. Elk van de gemachtigden, alsmede betrokkene, heeft een pleitnota overgelegd.

DE VASTSTAANDE FEITEN

2. Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten:

2.1 Klager is van 1972 tot 1 september 2000 in dienst geweest van G B.V., gevestigd te D, hierna aan te duiden als G.

2.2 G maakt deel uit van H Inc., gevestigd in I, alwaar H ter beurze is genoteerd. Klager heeft sedert 1987 de positie van statutair directeur van G bekleed.

2.3 Betrokkene is sedert omstreeks 1992 de verantwoordelijke vennoot van J Accountants, kantoor B, belast met de controle van de jaarrekening van G.

2.4 Het boekjaar van G loopt van 1 september t/m 31 augustus. Klager was als directeur van G verantwoordelijk voor de jaarrekening.

2.5 De controle van de jaarrekening 1998/1999 is door het onder verantwoordelijkheid van betrokkene werkende controleteam aangevangen in juni 1999. De slotcontrole besloeg de laatste twee weken van september 1999.

2.6 Op 30 september 1999 is buiten aanwezigheid van betrokkene een bespreking gehouden tussen de manager en de controleleider van het controleteam met een aantal functionarissen van G, waaronder klager. In deze bespreking zijn kwesties aan de orde gesteld welke van belang waren voor de afronding van de controle. Het betrof de uitkomsten van de voorraadopname per balansdatum, de omvang en volwaardigheid van de handelsdebiteuren, het als omzet 1998/1999 aanmerken van een of meer orders, waarop na balansdatum was geleverd en de juistheid van een aantal in de concept-balans per 31 augustus 1999 als vooruitbetaald geactiveerde posten.

2.7 Op 6 december 1999 sprak de heer E, assistant controller van G in I, een bespreking af over de stand van de controle van de jaarrekening van G, teneinde van betrokkene te vernemen wat de probleempunten waren en hoe deze konden worden opgelost.

2.8 Op 10 december 1999 vond deze bespreking plaats tussen betrokkene, de manager van zijn controleteam en de heren E voornoemd en F, European controller van G met standplaats R. Tijdens dit onderhoud zijn onder meer een aantal door, althans onder verantwoordelijkheid van betrokkene voorgestelde correcties in de jaarrekening besproken.

In het verslag van deze bespreking, dat is opgesteld door de manager van het controleteam, is onder meer het volgende vermeld: "We discussed the adjustments and agreed on them, unless local management of the company will come up with details showing the opposite. The proposed adjustments have not yet been discussed with local management in D."

In dit verslag is tevens vermeld: "we agreed on the following 'to do' points: E will discuss AA proposed adjustments with local company personnel'". De Raad leest AA als J.

2.9 Tussen klager en betrokkene was een bespreking op 22 december 1999 afgesproken.

Daaraan voorafgaand ontving betrokkene op 21 december 1999 een e-mail van de heer E waarin onder meer aan betrokkene werd verzocht om in de navolgende dagen geen discussies met klager te voeren. De geplande bespreking is door betrokkene afgezegd.

2.10 Vanaf 27 december 1999 heeft een hertelling van de voorraden bij G plaatsgevonden.

2.11 Op 10 januari 2000 heeft het controleteam van betrokkene een intercompany memorandum gezonden aan het kantoor van J in I. Aan het memorandum zijn toegevoegd het verslag van de bespreking op 10 december 1999 met de heren E en F en het final engagement memorandum, audit 1999 gedateerd 8 december 1999 (updated 10 januari 1999). Het memorandum vermeldt dat het uitsluitend voor intern gebruik is bestemd.

Bovendien is hierin vermeld: "Please note that the proposed adjustments have not yet been discussed with local management, as we agreed to wait for the final results of the physical of December 31 1999 an de rollback of inventories to august 31, 1999." De Raad leest na "physical": inventories.

2.12 Op 17 januari 2000 vond een bespreking plaats tussen klager, K, betrokkene en de manager van het controleteam. In dit gesprek zijn de hiervoor onder 2.6 genoemde kwesties besproken.

2.13 Op 25 januari 2000 is een bespreking gehouden tussen onder meer klager en de heer L, vice-president international van G/H, in het bijzijn van betrokkene. In dit gesprek zijn de meergenoemde kwesties, die voor betrokkene aanleiding waren geweest de afgifte van een goedkeurende verklaring op te schorten, aan de orde gesteld. Tevens is door de heer L aan klager meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst met G zou moeten worden beëindigd.

2.14 Uit een overgelegd vonnis in kort geding leidt de Raad af dat de advocaat van G het gesprek van 25 januari 2000 bij brief van 31 januari 2000 aan klager heeft bevestigd en dat in de brief als reden voor het ontslag wordt aangegeven dat het voorlopige rapport van J en diverse verklaringen van medewerkers van G aantonen dat klager verkopen en winst onjuist heeft weergegeven met het oog op zijn bonus.

2.15 Vanaf 26 januari 2000 heeft klager praktisch gesproken geen werkzaamheden meer voor G verricht.

2.16 In een brief van 13 maart 2000 heeft betrokkene aan de advocaat van G onder meer het volgende meegedeeld:

"Ingevolge uw verzoek bevestig ik dat ik in de slotvergadering betreffende de controle van de 1997 jaarrekening van de vennootschap, gehouden op 8 oktober 1997, met de heer C, algemeen directeur van de vennootschap, gesproken heb over het tijdstip van verantwoording van omzet in de jaarrekening. Aanleiding hiertoe was het reeds in de 1997 jaarrekening verwerken van omzet uit hoofde van een verkooporder met de agent op de Canarische Eilanden, terwijl de aflevering na balansdatum plaats vond.

In dit gesprek is van mijn kant gesteld dat deze verwerkingswijze onjuist was en in de toekomst ook niet meer voor moest komen. Overigens is de jaarrekening per 31 augustus 1997 voor deze post niet aangepast, gezien de zeer beperkte invloed hiervan op het getrouwe beeld van deze jaarrekening.

Van bovenbedoelde bespreking is door een van onze medewerkers toendertijd een intern verslag opgesteld, gedateerd 13 oktober 1997, waarin bovenbeschreven informatie is opgenomen."

2.17 In mei 2000 heeft G bij de Rechtbank te Breda een verzoek ingediend, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met klager.

Het verzoek heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van klager per 1 september 2000. Daarbij werd aan klager een vergoeding toegekend volgens de kantonrechtersformule, waarbij factor c = 1,5 is gehanteerd.

DE KLACHT

3. De klacht betreft de volgende verwijten:

a. Ten onrechte heeft betrokkene de tijdige afgifte van een goedkeurende verklaring opgehouden voor de jaarrekening 1998/1999 van G.

b. Ten onrechte heeft betrokkene nagelaten het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen jegens klager.

c. Ten onrechte heeft betrokkene nagelaten tijdig inlichtingen in te winnen bij klager ten einde de getrouwheid van de jaarrekening 1998/1999 te kunnen onderzoeken.

d. Ten onrechte heeft betrokkene mededelingen gedaan, dan wel mededeling doen uiten door zijn medewerkers, over klager bij diens superieuren, zonder behoorlijke en deugdelijke verificatie.

e. Ten onrechte heeft betrokkene tijdens de ontslagprocedure een verklaring afgelegd over een interne aantekening, teneinde de indruk te wekken dat hij klager deugdelijk geïnformeerd zou hebben.

f. Ten onrechte heeft betrokkene zich in het algemeen onzorgvuldig en volstrekt in strijd met de gedragsregels gehandeld die gelden voor accountants.

HET VERWEER VAN BETROKKENE

4. Betrokkene heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

4.1 Ad klachtonderdeel a.

De verklaring is afgegeven in april 2000. Niet duidelijk is wat de betekenis is van het woord tijdig. De controle kon niet eerder voltooid worden. Er is sprake van correcties van een eerdere verantwoording die noodzakelijk waren om tot een goedkeurende verklaring te komen. De leiding van de huishouding nam op de reeds in september 1999 gesignaleerde controleaangelegenheden geen beslissingen.

4.2 Ad klachtonderdeel b. en c.

Klager was wel verantwoordelijk voor de jaarrekening, maar is geen object geweest van enig onderzoek door of oordeel van betrokkene. De controleaangelegenheden, die later tot correcties zouden leiden, zijn met klager besproken. Betrokkene heeft volgens zijn dossieraantekeningen op 5 oktober 1999 circa een uur gesproken over de cliënt M. Betrokkene neemt aan dat dat betrekking heeft op een telefoongesprek met klager. Ook zijn controleaangelegenheden met N en K besproken.

Betrokkene heeft in december 1999 gevolg gegeven aan het verzoek van H om enkele dagen geen contact met klager te hebben. De afspraak voor 22 december 1999 is gemaakt maar afgezegd.

Betrokkene heeft klager nooit verdacht van malversaties, manipulaties of gebrek aan deskundigheid en heeft daarover geen mededelingen gedaan aan hoger geplaatsten.

4.3 Ad klachtonderdeel d.

Betrokkene ontkent mededelingen in de zin van artikel 11 GBR over klager te hebben gedaan of laten doen.

Betrokkene heeft wel in een interoffice memorandum de openstaande controleaangelegenheden gemeld en daarover op 10 december 1999 met E en F van G USA gesproken. Dat gesprek ging over de stand van de controle van de jaarrekening.

4.4 Ad klachtonderdeel e.

Betrokkene heeft geen verklaring afgelegd in de ontslagprocedure. Hij heeft slechts een brief geschreven aan de advocaat van G. Dat de bewuste brief in de procedure tegen klager is ingebracht, is niet de verantwoordelijkheid van betrokkene. Betrokkene zou onder ede hetzelfde hebben verklaard als hij nu schriftelijk heeft gedaan.

Betrokkene heeft zichzelf nooit als getuige aan G aangeboden. Het feit dat G in de ontbindingsprocedure getuigenbewijs heeft aangeboden, is niet met betrokkene afgestemd.

4.5 Ad klachtonderdeel f.

De in dit onderdeel vervatte beschuldiging is niet onderbouwd, zodat betrokkene zich daartegen niet kan verweren. Betrokkene betwist onzorgvuldig of in strijd met de gedragsregels te hebben gehandeld.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

5.1 De Raad zal klachtonderdeel a. behandelen na de onderdelen b. en c.

5.2 Klachtonderdelen b en c.

Gelet op de verwevenheid van de in deze klachtonderdelen aan de orde zijnde verwijten zal de Raad deze gezamenlijk behandelen.

5.3 Gebleken is dat tussen eind september 1999 en medio januari 2000 geen contact heeft plaatsgevonden tussen betrokkene en klager, afgezien van de afspraak voor een bespreking op 22 december 1999, die geen doorgang heeft gevonden. Niet is komen vast te staan dat betrokkene op 5 oktober 1999 een telefoongesprek met klager heeft gevoerd. Evenmin is dat aannemelijk geworden. Klager heeft uitdrukkelijk betwist dat zodanig gesprek heeft plaatsgevonden, tegenover welke betwisting klager zijn stelling, die in zijn eigen woorden niet meer is dan een vermoeden, onvoldoende heeft onderbouwd.

5.4 Gebleken is dat in de zo-even genoemde periode verscheidene gebeurtenissen van belang hebben plaatsgevonden. Er hingen controlekwesties die in de ogen van betrokkene noopten tot aanpassingen van de jaarrekening en die dientengevolge betrokkene ervan weerhielden om op het gebruikelijke tijdstip de controle af te ronden en de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening af te geven. Genoemd zijn de uitkomsten van de voorraadopname per balansdatum, de omvang en volwaardigheid van de handelsdebiteuren, met meenemen in de omzet 1998/1999 van een na balansdatum uitgeleverde order en de juistheid van delen van de in de concept-balans geactiveerde vooruitbetaalde posten. Ten aanzien van de voorraadopname heeft betrokkene in de stukken en ter zitting aangegeven dat hij van het controleteam had vernomen dat de onder verantwoordelijkheid van klager uitgevoerde voorraadopname onverklaarde verschillen te zien had gegeven, dat een hernieuwde voorraadopname zou plaatsvinden en dat het controleteam door toedoen van klager niet de beschikking verkreeg over de resultaten van de eerste voorraadopname. Betrokkene heeft gesteld dat hij het betreffende gedrag van klager onacceptabel vond. Ook voor betrokkene stond vast dat klager verantwoordelijk was voor de totstandkoming van de jaarrekening.

De Raad acht het onzorgvuldig dat betrokkene onder deze omstandigheden heeft nagelaten om de genoemde problemen en de in zijn ogen bestaande noodzaak van correcties in de (concept)jaarrekening, schriftelijk aan klager mee te delen. Eveneens acht de Raad het onjuist dat betrokkene heeft nagelaten aan klager te vragen of hij het was die aan het controleteam de resultaten van de eerste voorraadopname onthield en hem mee te delen dat hij de gang van zaken rond de eerste voorraadopname onacceptabel vond.

Betrokkene had het tot zijn taak moeten rekenen om, los van de contacten die er zijn geweest tussen zijn controleteam en ondergeschikten van klager, klager als eindverantwoordelijke voor de jaarrekening in kennis te stellen van de genoemde voor klager ernstige problemen.

5.5 Gebleken is verder dat betrokkene begin december 1999 een bespreking heeft gevoerd met de heren E en F, waarin de stand van de jaarrekeningcontrole is besproken en waarin de meergenoemde problemen en de door betrokkene voorgestelde correcties zijn besproken. Vaststaat dat noch vóór de bespreking noch kort daarna de door betrokkene voorgestelde correcties aan klager bekend zijn gemaakt. Ook staat vast dat betrokkene klager tevoren niet heeft geïnformeerd over het aanstaande gesprek of zijn voorgenomen standpunt in dat gesprek en evenmin klager de inhoud van het gesprek na afloop heeft bevestigd, hoewel, blijkens het gespreksverslag, de heer E na dat gesprek ging praten met personeel van G en het dus aan betrokkene is overgelaten te overleggen met klager.

Gezien het belang van de gebeurtenissen voor klager als verantwoordelijke voor de jaarrekening oordeelt de Raad dat deze nalatigheden verwijtbare omissies van betrokkene zijn.

De Raad oordeelt dat er geen deugdelijke reden is geweest voor betrokkene om van begin oktober 1999 tot 17 januari 2002 te wachten met het aanspreken van klager over de problemen.

5.6 In zoverre als hiervoor in de overwegingen 5.4 en 5.5 is besproken, acht de Raad de klacht gegrond.

5.7 Aan het voorgaande doet niet af dat de Raad geen aanwijzingen heeft dat klager, zoals hij ter zitting heeft doen bepleiten, object is geworden van onderzoek van betrokkene en dat betrokkene om die reden in dat vermeende onderzoek hoor en wederhoor had behoren toe te passen. Uit de stukken blijkt niet anders dan dat betrokkene van zijn bevindingen aangaande de jaarrekeningcontrole verslag heeft gedaan.

5.8 Klachtonderdeel a.

Bij dit klachtonderdeel heeft klager zich erop beroepen dat de controle van de jaarrekening gewoonlijk omstreeks eind september wordt afgerond, gevolgd door een bespreking daarover in de eerste helft van oktober. Vaststaat dat de controle van de jaarrekening 1998/1999 in april 2000 tot afgifte van een goedkeurende verklaring door betrokkene heeft geleid. Betrokkene heeft gemotiveerd aangegeven waarom de controle in dit geval langer heeft gevergd dan gebruikelijk was: enkele belangrijke kwesties zijn lang blijven openstaan.

Niet is gebleken dat G betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld zijn verklaring op een eerder tijdstip op te maken en dat betrokkene daarmee in gebreke is gebleven. Aan betrokkene kan dan ook niet worden verweten zijn verklaring niet tijdig te hebben afgegeven, afgezien van de gevolgen van de hiervoor gegrond bevonden klachtonderdelen.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.9 Klachtonderdeel d.

Blijkens de toelichting op dit klachtonderdeel heeft klager zijn verwijt gericht op mededelingen die betrokkene jegens derden over klager zou hebben gedaan. Zulks is echter, mede gelet op de betwisting van betrokkene, niet komen vast te staan, uitgezonderd het feit dat betrokkene in het gesprek met de heren E en F, in antwoord op de vraag of het een situatie van bewuste beïnvloeding of sturing van de resultaten door het management van G betrof, heeft geantwoord dat hij daarvoor niet over concrete aanwijzingen beschikte. Wat er zij van de door betrokkene voor zijn antwoord gekozen formulering, het betreft geen mededeling waaraan een deugdelijke grondslag ontbrak.

Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

5.10 Klachtonderdeel e.

Dit klachtonderdeel heeft blijkens de toelichting betrekking op de brief van betrokkene van 13 maart 2000, waaruit in overweging 2.16 is geciteerd.

Betrokkene heeft er terecht op gewezen dat deze brief niet tijdens de ontslagprocedure is opgemaakt, maar heeft anderzijds bevestigd dat hij aannam dat zijn brief in de ontslagprocedure een rol zou gaan spelen. Die omstandigheid alleen behoefde betrokkene er niet van te weerhouden een brief met deze inhoud te schrijven.

Van omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, is niet gebleken.

Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

5.11 Klachtonderdeel f.

De Raad is van oordeel dat betrokkene terecht heeft aangevoerd dat dit algemene verwijt ook na betwisting door betrokkene niet nader is onderbouwd. Voor zover betrokkene naar het oordeel van de Raad onzorgvuldig heeft gehandeld, is dat hiervoor in de overwegingen 5.4 en 5.5 aan de orde gekomen.

De Raad zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.

DE MAATREGEL

De Raad acht de hierna vermelde maatregel in overeenstemming met de aard en de ernst van de begane overtreding.

DE BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te 's-Gravenhage:

- gelet op het bepaalde in de artikelen 33 en 34 Wet op de Registeraccountants en op de artikelen 5 en 11 GBR-1994;

- verklaart de klachtonderdelen b en c gegrond voor zover het de in de overwegingen 5.4 en 5.5 vermelde gedragingen betreft;

- legt ter zake als maatregel op een schriftelijke waarschuwing;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen door mr. S.C.H. Koning, plv. voorzitter, H. Baas RA en W. de Bruijn RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, adj.-secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2002 door mr S.C.H. Koning voornoemd.

voorzitter adj. secretaris