Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI0682

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
01-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/1482
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 juli 2002, ontvangen door het College op 5 augustus 2002, heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 juli 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar premieaanvraag voor zoogkoeien ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1482 9 juli 2003

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.J.H. Terwal, werkzaam bij LASER.

1. De procedure

Bij brief van 30 juli 2002, ontvangen door het College op 5 augustus 2002, heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 juli 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar premieaanvraag voor zoogkoeien ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 25 november 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2003, alwaar verweerder zijn standpunt heeft toegelicht. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling, zoals luidend ten tijde hier van belang, bevat onder meer de volgende bepalingen.

"Artikel 2.4

Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, in aanmerking te komen:

a. dient de producent een premieaanvraag dieren in, die in één of meer door de minister vast te stellen aanvraagperioden per jaar door LASER moet zijn ontvangen.

(…)

Artikel 2.6

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4, is niet ontvankelijk indien deze niet binnen de door de minister voor die aanvraag vastgestelde periode door LASER is ontvangen.

(…)."

De Regeling vaststelling perioden dierlijke EG-premies 2001 bevat onder meer de volgende bepaling:

"Artikel 1

(…)

4. De periode voor het indienen van een aanvraag voor een premie, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling dierlijke EG-premies, voor zoogkoeien voor het jaar 2001 is het tijdvak van 1 augustus 2001 tot en met 31 augustus 2001.

(…)."

Aan de toelichting op deze regeling wordt het volgende ontleend:

"Periode voor het indienen van een aanvraag voor dierlijke EG-premies.

(…)

Indien een aanvraag na de laatste dag van het desbetreffende tijdvak wordt ingediend, leidt dit tot een verlaging van het steunbedrag met 1% per werkdag. Indien een aanvraag meer dan 25 dagen na de laatste dag van het desbetreffende tijdvak wordt ingediend is de aanvraag niet-ontvankelijk en kan deze niet langer leiden tot het verstrekken van een subsidie.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft een "Aanvraag Regeling dierlijke EG-premies zoogkoeien verkoopseizoen 2001" bij LASER ingediend ter verkrijging van premie voor zoogkoeien ingevolge de Regeling. Bedoelde aanvraag is gedateerd 2 oktober 2001 en door LASER ontvangen op 12 oktober 2001.

- Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft verweerder deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

- Bij brief van 24 oktober 2001 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 9 april 2002 heeft een hoorzitting plaatsgehad. Aan het verslag van de hoorzitting wordt het volgende ontleend:

"(…)

Mevrouw A geeft aan dat haar man in december 2000 is overleden. Door het overlijden van 2 broers van haar man in augustus en september 2001 is zij zo overstuur geraakt dat zij vergeten is om de aanvraag zoogkoeien 2001 in te sturen. Haar man en zijn 2 broers waren een identieke drieling. Mevrouw A geeft aan dat het was alsof haar eigen man 3 keer werd begraven. Op de vraag van de voorzitter of mevrouw A betrokken is geweest bij de afhandeling rond de sterfgevallen van haar zwagers antwoordt mevrouw A ontkennend. Mevrouw A geeft aan afgelopen winter overspannen te zijn geweest. Zij is hiervoor onder doktersbehandeling geweest. Na het overlijden van haar man heeft mevrouw A het bedrijf voortgezet.

(…)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellante ongegrond verklaard op grond van de overweging dat de aanvraagperiode liep van 1 augustus 2001 tot en met 25 september 2001. Verweerder heeft op 12 oktober 2001 de premieaanvraag ontvangen. De omstandigheid dat appellante te maken heeft gehad met sterfgevallen in de familie, waardoor het aan haar aandacht is ontsnapt om tijdig de premieaanvraag in te dienen, ontslaat haar niet van de verplichting dat te allen tijde moet worden voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen van de Regeling.

Dit betekent dat een aanvraag in ieder geval tijdig moet worden ingediend. Verweerder geeft aan te beseffen dat de gebeurtenissen omtrent het kort achter elkaar overlijden van de twee broers van haar overleden echtgenoot, gezien de bijzondere familierelatie, invloed gehad hebben op appellantes persoonlijk functioneren. Gelet echter op het feit dat appellante het bedrijf van haar overleden echtgenoot heeft voortgezet met daarbij het belang in de voortgang in de bedrijfsvoering, is verweerder van oordeel dat het onder die omstandigheden op de weg van appellante had gelegen zodanige maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door inschakeling van derden, dat kon worden voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen van de Regeling.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, onder verwijzing naar het verslag van de hoorzitting, aangevoerd dat door het overlijden van haar man en zijn twee broers, de premieaanvraag aan haar aandacht is ontsnapt.

5. De beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geding dat appellante de premieaanvraag voor zoogkoeien niet tijdig heeft ingediend. De periode voor het indienen was gelegen in het tijdvak van 1 augustus 2001 tot en met 31 augustus 2001. Verweerder heeft de aanvraag van appellante op 12 oktober 2001, derhalve buiten de indieningstermijn, ontvangen.

Ter beoordeling staat of verweerder op goede gronden heeft beslist om appellantes bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de premieaanvraag, ongegrond te verklaren. Naar het oordeel van het College dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Het College overweegt hiertoe als volgt.

Appellante heeft aangevoerd dat de te late indiening het gevolg is geweest van familieomstandigheden. Haar echtgenoot is op 26 december 2000 overleden. Door het overlijden van de twee broers van haar overleden echtgenoot op 6 augustus en op 5 september 2001 is zij overspannen geraakt, waardoor de aanvraag aan haar aandacht is ontsnapt.

Het College stelt vast dat appellante weliswaar heeft verklaard dat zij overspannen is geraakt, maar dat niet met doktersverklaringen nader heeft onderbouwd danwel aangetoond. Zulks had wel op haar weg gelegen, omdat verweerder het kort achter elkaar overlijden van de twee broers van haar overleden echtgenoot op zichzelf niet als een zodanig bijzondere omstandigheid behoefde aan te merken, dat hij van niet-ontvankelijkverklaring van de premieaanvraag had behoren af te zien.

Appellante heeft verweerder onvoldoende aanknopingspunten geboden om te beoordelen of zij gedurende de indieningstermijn niet in staat was om zorg te dragen voor de tijdige indiening van de aanvraag. Dat sprake was van moeilijke familieomstandigheden doet naar het oordeel van het College in beginsel niet af aan de ook op appellante, als producente, rustende verplichting om te voldoen aan de voorwaarden ingevolge de Regeling. Het College betrekt in de overweging dat appellante er voor heeft gekozen het bedrijf van haar overleden echtgenoot alsook de bedrijfsvoering voort te zetten. Niet kan worden gezegd dat verweerder dan in redelijkheid niet van appellante mocht verwachten dat zij ten behoeve van de voortgang van die bedrijfsvoering zodanige maatregelen nam, dat kon worden voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen ingevolge de Regeling.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. L. van Duuren