Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI0419

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/1286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2001 heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoersgebied AZAM. In de bijlage bij dit besluit staat vermeld dat in deze taxionderneming door verzoeker gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Besluit personenvervoer 2000. Deze overgangsmaatregel houdt in dat verzoeker vóór 1 juli 2001 aan de vakbekwaamheidseisen dient te voldoen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75a, geldigheid: 2003-07-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(derde enkelvoudige kamer)

No.AWB 02/1286 10 juli 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, h.o.d.n. Taxi A, te Z, verzoeker,

gemachtigde: mr. R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder.

1. De feiten en het geschil

Bij besluit van 26 januari 2001 heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoersgebied AZAM. In de bijlage bij dit besluit staat vermeld dat in deze taxionderneming door verzoeker gebruik wordt gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Besluit personenvervoer 2000. Deze overgangsmaatregel houdt in dat verzoeker vóór 1 juli 2001 aan de vakbekwaamheidseisen dient te voldoen.

Bij besluit van 8 november 2001 heeft verweerder besloten de aan verzoeker bij besluit van 26 januari 2001 verleende vergunning met ingang van 8 februari 2002 in te trekken, indien vóór die datum niet is aangetoond dat is voldaan aan de in hoofdstuk 2 van het Besluit personenvervoer 2000 gestelde eis van vakbekwaamheid.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 december 2001, door verweerder ontvangen op 3 januari 2002, bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft daarbij verzocht naar aanleiding van zijn bezwaren door verweerder te worden gehoord.

Bij brief van 9 april 2002 heeft verweerder verzoeker medegedeeld ervan uit te gaan dat het bezwaarschrift van 27 december 2001 te laat is ingediend en dat kennelijk geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In dit schrijven staat verder vermeld dat indien verzoeker terzake van deze afwijzing een voor beroep vatbare beslissing wenst te ontvangen, hij dat binnen veertien dagen na dagtekening van de brief schriftelijk aan verweerder dient mede te delen.

Bij brief van 19 april 2002 heeft verzoeker verweerder medegedeeld het niet eens te zijn met de strekking van de brief van verweerder van 9 april 2002. Bij deze gelegenheid heeft verzoeker verweerder nogmaals verzocht naar aanleiding van zijn bezwaren te worden gehoord.

Bij besluit van 16 mei 2002 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 25 juni 2002 bij het College beroep ingesteld. Dit beroep is aangevuld bij brief van 19 augustus 2002 en strekt tot vernietiging van het besluit van verweerder van 16 mei 2002.

Bij faxbericht van 19 augustus 2002 heeft verzoeker verweerder gemotiveerd verzocht de werking van het besluit van 8 november 2001 tot intrekking van de verleende taxivergunning te schorsen, totdat verzoeker aan de vereisten van vakbekwaamheid heeft voldaan.

Bij faxbericht van 23 augustus 2002 heeft verzoeker zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 02/1545.

Bij brief van 10 september 2002 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat is besloten het primaire besluit van 8 november 2001 in te trekken en dat verzoeker taxivervoer kan verrichten op basis van de verleende vergunning van 26 januari 2001 totdat hernieuwde besluitvorming terzake heeft plaatsgevonden.

Hierop heeft verzoeker bij brief van 16 september 2002 het beroep ingetrokken en het College verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Bij brief van 4 oktober 2002 heeft verweerder het College desgevraagd een schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling doen toekomen en daarin gemotiveerd uiteengezet waarom dat verzoek zijns inziens niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Bij brief van 16 oktober 2002 heeft verzoeker gerepliceerd en bij brief van 19 december 2002 heeft verweerder desgevraagd gedupliceerd.

2. Wettelijk kader

De artikelen 4, 6 en 9 van de Wet personenvervoer 2000 luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

1. Een vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken. (…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

a. de eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid;

(…)"

De artikelen 26, 28 en 125 van het Besluit personenvervoer 2000 luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 26

1. De vervoerder die (…) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. De vervoerder meldt Onze Minister de vervanging van een persoon als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

b. een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven EG-verklaring als bedoeld in artikel 10 van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen.

(…)

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker meent dat verweerder met de intrekking van het primaire besluit van 8 november 2001 geheel aan hem is tegemoetgekomen en dat om die reden een veroordeling van verweerder in de proceskosten gerechtvaardigd is. Door de intrekking van het besluit van 8 november 2001 is immers voorkomen dat verzoeker hangende de bodemprocedure onevenredig nadeel zou leiden.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft in zijn schriftelijke reactie d.d. 4 oktober 2002 betoogd dat het verzoek om kostenveroordeling moet worden afgewezen en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

"De minister blijft van mening dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat het op de weg van A had gelegen om aan te tonen dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het ligt niet op de weg van de minister om hiertoe door middel van een hoorzitting als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid Awb nader onderzoek te verrichten. De minister was en is van mening dat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk was.

Echter bij de voorbereiding van het verweer ten behoeve van de procedure in beroep is door de minister vastgesteld dat bij de totstandkoming van het primair besluit van 8 november 2001, verzuimd is om toepassing te geven aan artikel 4:8, eerste lid Awb. Belanghebbende A is namelijk niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

De vaststelling van deze omissie bij de voorbereiding van het besluit, vormde voor de minister aanleiding om het primaire besluit ambtshalve in te trekken en in de plaats daarvan een nieuw besluit voor te bereiden, waarin uiteraard wel toepassing zal worden gegeven aan artikel 4:8 Awb.

Aan het verzoek van A om het door hem op 27 december 2002 ingediend bezwaarschrift alsnog ontvankelijk te verklaren, is derhalve niet tegemoetgekomen.

Uitsluitend de constatering dat de voorbereiding van het bestreden primair besluit niet overeenkomstig de Awb heeft plaatsgevonden, heeft de minister doen besluiten het primair besluit in te trekken.

Van geheel of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het verzoek van de indiener van het verzoek om voorlopige voorziening is naar het oordeel van de minister dan ook geen sprake."

5. De beoordeling

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Aan de orde is de beantwoording van de vraag of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.

Van tegemoetkomen kan sprake zijn indien het bestuursorgaan alsnog inhoudelijk het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt. Dan is er immers geen reden meer het beroep te handhaven. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van tegemoetkomen is in dat geval evenwel niet alleen de inhoud van het besluit van belang, maar dient ook rekening te worden gehouden met de reden waarom het nieuwe besluit wordt genomen dan wel een besluit wordt ingetrokken. Geplaatst tegen deze achtergrond is het volgende van belang.

Verweerder heeft zich in zijn schriftelijke reactie op het verzoek om kostenveroordeling op het standpunt gesteld dat met de intrekking van het primaire besluit van 8 november 2001 niet aan verzoeker is tegemoetgekomen, omdat bedoelde intrekking niet is gebaseerd op een gewijzigde opvatting bij verweerder ten aanzien van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, maar slechts verband houdt met, ambtshalve, geconstateerde gebreken aan de totstandkoming van het primaire besluit van 8 november 2001.

Verzoeker heeft daarentegen betoogd dat de ambtshalve intrekking van het primaire besluit door verweerder als tegemoetkomen moet worden aangemerkt, omdat daarmee het doel van het ingestelde beroep is bereikt.

Naar aanleiding van hetgeen partijen over een weer hebben gesteld, overweegt het College het volgende.

Het beroep van 25 juni 2002 heeft tot doel de vernietiging van het bestreden besluit van 16 mei 2002, strekkende tot niet-onvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van verzoeker, gericht tegen verweerders besluit van 8 november 2001.

Verweerder heeft zijn besluit van 16 mei 2002 evenwel niet ingetrokken.

Het College is van oordeel dat in die omstandigheden niet met vrucht kan worden gezegd dat verweerder met zijn besluit van 10 september 2002, waarbij het besluit van 8 november 2001 is ingetrokken, aan verzoeker is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Met die intrekking is verweerder immers op zichzelf niet teruggekomen van zijn besluit van 16 mei 2002, hetgeen impliceert dat verweerder van mening is gebleven dat het besluit van 8 november 2001 in de aangespannen procedure inhoudelijk niet meer aan de orde behoort te komen.

Het onderhavige verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten is derhalve niet voor inwilliging vatbaar.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

6. De beslissing

Het College wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2003.

w.g. D. Roemers w.g. M.S. Hoppener