Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI0110

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 30 januari 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 december 2001, verzonden 21 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvrage op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 1, geldigheid: 2003-06-27
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 3, geldigheid: 2003-06-27
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 4, geldigheid: 2003-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/279 27 juni 2003

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

gemachtigde: C,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 30 januari 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 december 2001, verzonden 21 december 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvrage op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Op 31 juli 2002 heeft verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen.

Bij schrijven van 31 augustus 2002 heeft appellante het College doen weten daarin geen aanleiding te vinden het beroep in te trekken.

Op 7 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 mei 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar B is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft bij monde van zijn gemachtigde zijn standpunt toegelicht. Drs. M. Honig, verbonden aan GeoRas, heeft ter zitting als deskundige zijdens verweerder een toelichting gegeven op de door verweerder bij zijn besluitvorming gebruikte satellietbeelden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), zoals die ten tijde van belang luidde, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

e. raadsverordening: verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160);

(…)

j. producent: individuele landbouwondernemer (…) die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland met akkerbouwgewassen inzaait met de bedoeling deze gewassen te oogsten;

(…)

l. akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet agrarische doeleinden in gebruik was, en

b. grond die uiterlijk op 31 december 1991 overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland uit productie is geweest met uitzondering van grond die overeenkomstig artikel 4 is vervangen door andere gronden; (…)

Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 3887/92, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 4

1. Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland (…)

3. De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien:

a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektenwet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf;

b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland;

c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen;

d. en voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER.

Een schriftelijke aanvraag voor de hiervoor bedoelde toestemming wordt uiterlijk op 1 maart voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen door LASER ontvangen."

In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen wordt het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was. (…)"

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1990, houdende de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 wordt het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland" "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In de bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 10 mei 2000 een "Aanvraag akkerbouwbijdrage en opgave voerderareaal" ingediend ter verkrijging van een bijdrage op grond van de Regeling. Daarbij heeft zij voor 13,18 ha steun voor de verbouw van maïs in productieregio I aangevraagd.

- Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder appellante de gevraagde bijdrage geweigerd omdat hij heeft vastgesteld dat perceel nr. 2, ter grootte van 4.57 ha, waarvoor de steun onder andere is aangevraagd, niet voldoet aan de definitie van akkerland. Nu dat meer is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, vervalt het recht op subsidie geheel.

- Appellante heeft bij schrijven van 20 december 2000 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 20 december 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

- Nadat appellante hiertegen beroep had ingesteld heeft verweerder, opnieuw beslissend op het bezwaar, bij besluit van 31 juli 2002 appellante alsnog steun toegekend voor 8.61 ha snijmaïs, zijnde de met maïs bebouwde oppervlakte, die wel als akkerland beschouwd kan worden. Verweerder heeft daarbij aangegeven tot deze wijziging te zijn gekomen, omdat hij bij de beslissing op het bezwaarschrift van appellante met betrekking tot de steun over het jaar 1999 erkend had, dat het hier om akkergrond ging en in zo'n geval, gelet op het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie, de sanctie dat bij een afwijking van meer dan 20% van de geconstateerde oppervlakte de gehele premie vervalt, niet kan worden toegepast.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 9 augustus 2002 (hierna ook: bestreden besluit) genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder aanhef, van de Regeling dient, om in aanmerking te komen voor steunverlening op grond van de Regeling, elk perceel afzonderlijk te voldoen aan de definitie akkerland zoals opgenomen in artikel 1, onder l, van de Regeling.

Om te bepalen of percelen gedurende de referentieperiode 1987 - 1991 voldoen aan de definitie akkerland hanteert LASER satellietfoto's. Door middel van satellietfoto's en de interpretatie daarvan door Georas, is gebleken dat het perceel met volgnummer 2, in de referentieperiode 1987 tot en met 1991 met gras beteeld is geweest. Georas is het bedrijf dat voor LASER onder andere de controles uitoefent op het al dan niet voldoen van percelen aan de definitie akkerland.

Om satellietfoto's te weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Ten aanzien van het perceel met volgnummer 2 met een aangevraagde oppervlakte van 4,57 ha. dient u aan te tonen dat dit in één van de jaren 1987 tot en met 1991 is gebruikt voor de teelt van een of meer akker- en/of tuinbouwgewassen, en derhalve voldoet aan de definitie akkerland uit artikel 1, onder l, van de Regeling.

U heeft geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat het betreffende perceel in de referentiejaren één jaar daadwerkelijk met een akkerbouwgewas beteeld is geweest.

U stelt dat uw bedrijf betrokken is geweest bij de ruilverkaveling D.

U beroept zich hiermee op artikel 4, tweede lid (oud), van de Regeling. Om een succesvol beroep op voornoemd artikel te kunnen doen, moet komen vast te staan dat er van overheidswege een ruilverkaveling heeft plaats gevonden na 31 december 1991. Vervolgens moet aangetoond worden welke percelen u bij de ruilverkaveling heeft ingeleverd en welke percelen u daarvoor heeft terug gekregen. Voorts moet komen vast te staan dat de ingeleverde percelen voldoen aan de definitie akkerland. Indien aangetoond is dat de ingeleverde percelen aan de definitie akkerland voldoen, kan er vervolgens geschoven worden met de definitie naar die percelen die u bij de ruilverkaveling toebedeeld heeft gekregen en die niet voldoen aan de definitie akkerland.

Bij de indiening van uw beroepschrift heeft u aanvullende gegevens overgelegd. Op grond van deze stukken is het mij aannemelijk geworden dat de ruilverkaveling Yerseke Moer officieel eerst na 31 december 1991 is afgerond.

Middels de bescheiden van het Bureau Beheer Landbouwgronden kan vervolgens afgeleid worden welke percelen u bij de ruilverkaveling heeft ingeleverd en welke percelen u toebedeeld heeft gekregen. Niet is echter aangetoond dat de ingeleverde percelen tijdens de referentieperiode met een akkerbouw- of een tuinbouwgewas beteeld zijn geweest, zoals gesteld in artikel 1, onder l, van de Regeling. Gelet op het voorgaande kunt u mitsdien geen succesvol beroep doen op artikel 4, tweede lid (oud), van de Regeling.

Hiermee heeft u ten aanzien van perceel met volgnummer 2 niet voldaan aan artikel 1, onder l, van de Regeling.

Hoewel u, gelet op het bovenstaande, niet heeft aangetoond dat perceel met volgnummer 2 aan de definitie akkerland voldoet, is er gelet op de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 27 december 2001, AWB 00/500 en 00/501, niettemin aanleiding om de aan u opgelegde sanctie te herroepen aangezien u bij uw aanvraag oppervlakten 2000 bent uitgegaan van informatie, die door LASER erkend was blijkens de beslissing op uw aanvraag oppervlakten 1999. In uw situatie resteert dientengevolge een aangevraagde oppervlakte van 8,61 ha. snijmaïs, gelegen in productieregio 1. De geconstateerde oppervlakte (de oppervlakte waarbij aan alle voorwaarden is voldaan) bedraagt 8,61 ha.

U heeft dientengevolge recht op een bijdrage van € 3364,28.

Ik merk nadrukkelijk op dat perceel met volgnummer 2 niet voldoet aan het gestelde in artikel 1, onder l, van de Regeling. U dient bij het indienen van (eventuele) aanvragen in volgende verkoopseizoenen hiermee rekening te houden."

Ter zitting is namens verweerder nader het standpunt ingenomen, dat de ruilverkaveling toch voor 31 december 1991 was afgerond. Voorts heeft verweerder erkend, dat een gedeelte van perceel 2, groot 0,24 ha, aan de definitie van akkerland voldoet.

4. Het standpunt van appellante

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

"Beroepsgrond: Onjuiste en onzorgvuldige afweging van onze belangen.

Motivatie:

Helaas konden wij wegens ziekte niet aanwezig zijn op de hoorzitting van 18 september 2001 te Groningen. (…)

Een nadere schriftelijke toelichting werd ons mogelijk gemaakt en is verzonden per fax en aangetekend schrijven met bijlagen per 17 september 2001.

Deze stukken zijn door Laser betrokken bij de beoordeling van het bezwaarschrift, echter de motivatie ontbreekt. In 1999 zijn wij door Laser geadviseerd naar een ander perceel over te stappen.(zie ons schrijven van 17 september 2001) er niet vanuit gaand dat onze aanvraag van 2000 om andere redenen niet goedgekeurd zou worden, zodat de eerste alinea van de overwegingen van de Beschikking onjuist beoordeeld is.

De foto's van Georas zijn ook onjuist beoordeeld Een gedeelte was deels bouwland-tijdelijk grasland. Georas zal het het bewijs kunnen leveren van onze voormalige percelen met de definitie akkerland.

Het betreffende perceel II en omliggende percelen zijn jarenlang in een kavelverbeteringssituatie betrokken geweest en werd regelmatig in gedeelten verbeterd en gedeeltelijk ingezaaid i.v.m. de herindeling en inrichting en omzetting van de percelen, welke hoofdzakelijk in eigen beheer is uitgevoerd Ook werden grondtransporten door het Waterschap stilgelegd en was er een grote schaarste aan goede grond.

De lokatie waar de nieuwe bedrijfsgebouwen werden gesitueerd was dusdanig dat van meet af aan vast kwam te staan, omdat dit ook het meest logisch was, dat perceel 11 als maisperceel/akkerland bestemd zou worden.

De inrichting vergde echter veel tijd, werk en bedrijfseconomisch inzicht, omdat aangekocht bouwland van BBL rondom de nieuwe bedrijfsgebouwen was gesitueerd en de omzetting niet 1,2,3 gerealiseerd kon worden i.v.m. herinzaai e.d.

Het ligt toch voor de hand en het is toch uitermate aannemelijk te maken en logisch dat bij een nieuwe bedrijfsvestiging met ligboxenstal de koeien zo dicht mogelijk rond de bedrijfsgebouwen komen te lopen?

Wij zijn van mening dat door Laser de regelgeving te stringent en onjuist op dit punt is toegepast, waardoor onze belangen onevenredig zwaar worden getroffen nu het perceel met veel financiele inspanningen opnieuw is ingericht en waarop nu geen akkerbouwsubsidie zou kunnen worden aangevraagd.

Wij zien niet in wat wij nog meer zouden kunnen aandragen om het bewijs van rechtmatigheid te bewijzen.

Ten onrechte beweert Laser dat de ruilverkaveling D op 13 juli 1989 in ons geval is afgerond en stelt Laser dat een succesvol beroep alleen mogelijk is indien de ruilverkaveling is afgerond na 31 december 1991.

Uit productie 3 blijkt wat er op 25 oktober 1991 heeft plaats gevonden en uit productie 4 blijkt wat zich verder nog heeft afgespeeld zodat het niet juist is dat de Ruilverkaveling D voor 31 december 1991 was afgerond De datum van 13 juli 1989 is onjuist.

Wij vragen Uw College de Beschikking van Laser te vernietigen en het daartoe te leiden dat perceel II de definitie akkerland behoud en zal behouden en de akkerbouwsubsidie voor het jaar 2000 zo spoedig mogelijk aan ons wordt toegekend omdat wij van mening zijn dat wij daar volledig recht op hebben."

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat appellantes beroep ingevolge het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb gericht is tegen verweerders besluit van 21 december 2001 en verweerders besluit van 31 juli 2002. Aangezien appellante niet heeft aangegeven, en ook niet valt in te zien, dat zij nog enig belang bij vernietiging van het besluit van 21 december 2001 heeft, verklaart het College het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk.

Het College overweegt vervolgens dat verweerder er bij het bestreden besluit kennelijk van is uitgegaan dat appellante aanspraak heeft op steun voor de oppervlakte grond die zij als bebouwd met maïs in haar aanvraag had opgenomen, voorzover deze grond als akkerland beschouwd kan worden. Vervolgens heeft verweerder het gehele perceel 2 niet als akkerland aangemerkt en derhalve de totale oppervlakte daarvan niet bij de berekening van de steun betrokken. Ter zitting is echter namens verweerder verklaard dat een oppervlakte van 0,24 ha van perceel 2 ook zijns inziens als akkerland moet worden aangemerkt. In het bestreden besluit is geen grond te vinden voor weigering van akkerbouwsteun voor die oppervlakte van 0,24 ha. Ook ter zitting is een dergelijke grond niet naar voren gebracht. Conclusie is dan ook dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder zal opnieuw op appellantes bezwaar moeten beslissen.

De nieuwe beslissing op bezwaar kan zich echter niet tot de steun voor de genoemde 0,24 ha beperken. Het bestreden besluit is immers gebaseerd op de overweging, dat de ruilverkaveling D eerst na 31 december 1991 is afgerond en dat dus ter beoordeling stond of de in het kader daarvan aan appellante toebedeelde gronden in de plaats waren gekomen van grond, die als akkerland in de zin van de Regeling beschouwd kon worden. Deze beoordeling viel vervolgens negatief voor appellante uit. Ter zitting is namens verweerder echter verklaard dat de ruilverkaveling D reeds vóór 31 december 1991 was afgerond, hetgeen door appellante niet bestreden is. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste motivering, hetgeen in dit geval overigens zeker niet hoeft te betekenen, dat het perceel toch als akkerland zou moeten worden aangemerkt, te minder nu perceel 2 voor het grootste deel reeds vóór de ruilverkaveling in appellantes gebruik was en gesteld noch gebleken is dat appellante voor 1 maart 2000 een schriftelijke aanvraag om toestemming tot vervanging van gronden in de zin van artikel 4, derde lid, van de Regeling, zoals deze destijds luidde, bij verweerder heeft ingediend.

Bij de nadere besluitvorming op appellantes bezwaarschrift kan verweerder, als toegezegd in het verweerschrift en ter zitting, het verzoek van appellante om vergoeding van de wettelijke rente van de te laat ontvangen premie mede in de beschouwingen betrekken.

Met betrekking tot de gevraagde proceskosten overweegt het College dat slechts de reis- en verletkosten in verband met de zitting voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan om reiskosten openbaar vervoer (tweede klas ad € 27,62, voor twee personen) en verletkosten (zes uur ad € 20,--, voor twee personen) zijnde € 294,24.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2001 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2002 gegrond;

- vernietigt het besluit van 31 juli 2002;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar beslist, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 294,24 (zegge

tweehonderdvierennegentig euro en vierentwintig cent) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit

bedrag aan appellante moet betalen;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van €218,- (zegge tweehonderdenachttien euro)

wordt vergoed door de Staat der Nederlanden.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.J. Kuiper en mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2003.

w.g. C.W. Wolters w.g. M.H. Vazquez Muñoz