Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AI0101

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/1533
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

2000 ontheffing

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2003-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1533 1 juli 2003

2000 Ontheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 26 juni 2002,

gemachtigde: mr. N. Pesman, advocaat te Haarlem.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 26 juni 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op dezelfde datum genomen beslissing op een klacht, d.d. 17 januari 2002 ingediend tegen appellant door The Hilt B.V. te Amsterdam (hierna: klaagster).

Bij een op 20 augustus 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 27 augustus 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 25 september 2002 heeft klaagster gereageerd op het in het beroepschrift gestelde.

Bij brief van 30 december 2002 heeft de raad van tucht desgevraagd enkele nog ontbrekende stukken aan het College toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2003. Daarbij zijn appellant en zijn gemachtigde verschenen.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en aan appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing aangevoerd dat hij - anders dan de raad van tucht in die beslissing heeft overwogen - wel degelijk in de eenzijdige opzegging van de contractuele relatie tussen hem en klaagster heeft bewilligd.

Voorts heeft appellant gesteld dat hij door het instellen van een civiele vordering tegen klaagster tot vergoeding van door de opzegging geleden schade niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zulks in het bijzonder gelet op de wijze waarop hij het conflict met klaagster heeft gehanteerd. Hierbij heeft appellant vermeld dat de vordering tegen klaagster op goed verdedigbare gronden was gebaseerd, zodat geen sprake was van enig misbruik van procesbevoegdheid.

Appellant is primair van mening dat de raad van tucht de klacht ten onrechte gegrond heeft verklaard en subsidiair - voor het geval het College van oordeel is dat de raad van tucht de klacht terecht gegrond heeft verklaard - dat ten onrechte is besloten tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel.

5. De beoordeling

5.1 De eerste grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de raad van tucht dat appellant niet heeft bewilligd in de eenzijdige opzegging van de contractuele relatie door klaagster.

Het College overweegt ter zake het volgende.

In zijn brief van 13 oktober 2000 heeft appellant in reactie op de opzeggingsbrief van 25 september 2000 aan klaagster laten weten dat er zijns inziens sprake is van een doorlopende controle-opdracht. Met een opzegging met ingang van het boekjaar 2001 is appellant akkoord gegaan, doch met betrekking tot het lopende boekjaar 2000 ging appellant er van uit dat de werkzaamheden door hem, althans door zijn kantoor, zouden worden voltooid. In de brief van gelijke datum aan de opvolgend accountant heeft appellant voorts vermeld van mening te zijn dat overdracht aan de opvolgend accountant eerst met ingang van het boekjaar 2001 kan geschieden.

Deze brieven van appellant behelzen niet (enkel) een verzoek de redenen voor beëindiging van de relatie te verduidelijken en evenmin valt daaruit af te leiden dat het appellant alleen ging om formeel bevestigd te krijgen dat de betrokken medewerkster - schrijfster van de opzeggingsbrief van 25 september 2000 - in overeenstemming met de wens van klaagster had gehandeld. In deze brieven is integendeel (ook) een duidelijke stelling betrokken, te weten dat de controle-opdracht met betrekking tot het boekjaar 2000 niet kon worden beëindigd. Appellant heeft hierdoor de beëindiging van de relatie door klaagster - overigens ook in strijd met het bepaalde in artikel 12 van de door het kantoor van appellant gehanteerde algemene voorwaarden, inhoudende dat opdrachtgever en opdrachtnemer de overeenkomst te allen tijde kunnen opzeggen - bemoeilijkt. Het College acht het oordeel van de raad van tucht dat appellant niet heeft bewilligd in de eenzijdige opzegging van de contractuele relatie dan ook juist.

De eerste grief faalt derhalve.

5.2 Als tweede grief heeft appellant naar voren gebracht dat hij door het instellen van een civiele vordering tegen klaagster tot vergoeding van door de opzegging geleden schade niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zulks in het bijzonder gelet op de wijze waarop hij het conflict met klaagster heeft gehanteerd.

Het College overweegt ter zake dat appellant na zijn stellingname als blijkend uit de brieven van 13 oktober 2000 bij brief van 15 december 2000 - kennelijk in verband met de omstandigheid dat appellant de brief van klaagster van 30 oktober 2000 niet zou hebben ontvangen - te kennen gegeven dat de plotsklapse opzegging door klaagster heeft geleid tot derving van inkomsten, in verband waarmee eventueel juridische maatregelen zouden worden getroffen. Eén en ander heeft geresulteerd in een door appellant ingestelde civiele procedure, welke later - na de beslissing van de raad van tucht - op verzoek van appellant is doorgehaald. Het College acht deze handelwijze van appellant, hoewel passend binnen het eerder getoonde gebrek aan bereidheid mee te werken aan de onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden, op zich niet klachtwaardig.

Nu de raad van tucht dit handelen van appellant niet (afzonderlijk) klachtwaardig heeft geoordeeld, kan niet worden staande gehouden dat de tuchtbeslissing op dit punt onjuist is. Mitsdien faalt ook deze grief van appellant.

5.3 Het College acht appellants stelling dat hem ten tijde van de opzegging in september 2000 niet of onvoldoende kenbaar zou zijn gemaakt dat deze opzegging haar grond vond in de omstandigheid dat klaagster het vertrouwen in betrokkene had verloren, niet aannemelijk geworden. Het College is dan ook met de raad van tucht van oordeel dat, gegeven bedoelde omstandigheid, appellant, door niet te bewilligen in de eenzijdige opzegging door klaagster van de contractuele relatie met appellant, tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Voor het oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het handelen van appellant in de gegeven omstandigheden, zou moeten worden afgezien van een tuchtrechtelijke maatregel ziet het College geen plaats. De omstandigheid dat appellant niet heeft volhard in zijn gebrek aan medewerking noch de omstandigheid dat het instellen van de onderhavige civiele vordering op zich zelf niet klachtwaardig behoeft te worden geoordeeld, kunnen eraan afdoen dat voor de gebleken - aanvankelijke - weigering van de opzegging het opleggen van een schriftelijke waarschuwing als een passende maatregel moet worden aangemerkt.

Het beroep van appellant moet dan ook worden verworpen.

5.4 Deze uitspraak berust op Titel II van de Wet op de registeraccountants en op artikel 5 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994.

6. De beslissing

Het College:

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2003.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener

zaak R 335

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THE HILT B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam,

klaagster,

tegen

A,

wonende te X, provincie Y, en

kantoor houdende te Z,

betrokkene.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

1.1 het klaagschrift d.d. 17 januari 2002, met bijlagen, in-gediend door Mr R.M.J. van Meerwijk, advocaat te Breda, raadsman van klaagster;

1.2 het verweerschrift, ingekomen ten kantore van de Secretaris van de Raad op 8 februari 2002, met bijlagen, ingediend door Mr E.M.G. Schuijlenburg, advocate te Haarlem, raadsvrouw van be-trokkene; en

1.3 de ter na te melden zitting door Mr Van Meerwijk overgelegde pleitnotities, met producties.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak ter openbare zitting van 9 april 2002 behandeld. Ter zitting zijn verschenen L. Watson, gemachtigde van klaagster, vergezeld van Mr Van Meerwijk, benevens betrokkene, vergezeld van Mr Schuijlenburg.

3. De feiten

Op grond van de inhoud van de stukken en het ter zitting verhandelde stelt de Raad het volgende vast.

3.1 Betrokkene is als registeraccountant werkzaam bij Niehe en Lancée Registeraccountants te Haarlem. Vanaf 1996 heeft dit kantoor voor klaagster de jaarrekening gecontroleerd. Vanaf 1998 zijn de werkzaamheden verricht door betrokkene.

3.2 De door het kantoor van betrokkene gehanteerde algemene voorwaarden houden onder meer in:

Artikel 12: Opzegging

1. Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen te allen tijde de overeenkomst opzeggen.

2. Opzegging dient schriftelijk aan de wederpartij te worden medegedeeld.

3.3 In september 2000 heeft klaagster de relatie met het kantoor van betrokkene beëindigd omdat zij het vertrouwen in betrokkene had verloren. Administrateur L. Watson van klaagster schrijft in haar brief d.d. 25 september 2000 aan betrokkene:

N.a.v. ons telefoongesprek van 12 september jl. wil ik u middels deze brief nogmaals kort uiteenzetten wat wij afgesproken hebben.

1. De afwikkeling van boekjaar 2000 zal overgenomen worden door Dubois & Co. De heer J. Stengs zal met u contact opnemen betreffende overdraagbare zaken.

2. Er zal nog een gesprek plaatsvinden tussen u en de heer H. Nooij betreffende de overname.

3.4 Bij brief d.d. 13 oktober 2000 laat betrokkene aan klaagster weten:

Uit de brief d.d. 25 september 2000 van mevrouw L. Watson begrijpen wij dat u de samenwerking met ons wenst te beëindigen, hetgeen wij uiteraard betreuren.

Wij wijzen u erop dat sprake is van een doorlopende opdracht tot controle van de jaarrekening. Onlangs hebben wij nog interimcontrolewerkzaamheden verricht en tussen-tijdse cijfers 2000 opgesteld. Met een opzegging met ingang van het boekjaar 2001 kunnen wij accoord gaan. Vooralsnog gaan wij er derhalve van uit dat het lopende boekjaar 2000 door ons kantoor zal worden voltooid. Vanzelfsprekend hebben wij nog gaarne nader overleg met u.

3.5 Betrokkene schrijft in zijn brief d.d. 13 oktober 2000 aan de nieuwe accountant van klaagster:

Naar aanleiding van uw brief d.d. 25 september 2000 berichten wij u als volgt.

Wij hadden van cliënt een doorlopende opdracht tot controle van de jaarrekening. Onlangs hebben wij nog interim-controlewerkzaamheden verricht en tussentijdse cijfers 2000 opgesteld.

Het staat cliënt uiteraard vrij om de relatie met ons te beëindigen en u te verzoeken de jaarrekening te controleren. Wij zijn echter van mening dat dit eerst met ingang van het boekjaar 2001 kan geschieden. Wij beschouwen de opzegging vooralsnog als een eenzijdige beëindiging van de opdracht tot controle van de jaarrekening 2000. Dit zullen wij ook met cliënt bespreken. Afgezien van een telefonische en schriftelijke melding van de administratrice, hebben wij overigens in formele zin van de directie dan wel aandeelhouders nog niets mogen vernemen.

Voor het overige zijn ons geen feiten en omstandigheden bekend die nodig zijn voor uw oordeelsonthouding omtrent de aanvaardbaarheid van de opdracht.

3.6 Klaagster schrijft in haar brief d.d. 30 oktober 2000 aan betrokkene:

In uw brief van 13 oktober jl. spreekt u van een door-lopende opdracht tot controle van de jaarrekening 2000. Echter in onze beleving is er van geen enkel contract sprake. In het telefonisch onderhoud tussen u en mevrouw Watson werd hieromtrent met geen woord gerept. In dit gesprek heeft zij u op de hoogte gebracht van ons voornemen liefst per direct onze relatie op te zeggen. De werkzaamheden die uw bedrijf voor The Hilt verrichtte waren niet tot onze tevredenheid, zoals u uitgebreid toegelicht hebt gekregen van mevrouw Watson.

Mevrouw Watson heeft aangegeven dat Dubois en Co contact met u zou opnemen betreffende de overdraagbare stukken en dat de heer Nooij met u nog een afrondend gesprek zou hebben.

Betrokkene zegt (een kopie van) opgemelde brief eerst in december 2000 te hebben ontvangen.

3.7 Bij brief d.d. 15 december 2000 schrijft betrokkene onder meer aan klaagster:

Afgezien van een telefonische en schriftelijke melding van de administratrice, mevrouw L. Watson, hebben wij in formele zin van de directie dan wel aandeelhouders nog niets mogen vernemen. Wij beschouwen de plotsklapse opzegging als een eenzijdige beëindiging van een doorlopende opdracht voor de controle van het boekjaar 2000. Wij derven hierdoor de marge op het door ons aan u in rekening te brengen honorarium voor de afronding van de interimcontrole en de balanscontrole van het boekjaar 2000, hetwelk wij begroten op ¦ 15.000. Indien wij voor 31 december a.s. van u geen reactie ontvangen dan wel een reactie met onvoldoende uitzicht op een oplossing in de door ons gewenste richting, dan voelen wij ons vrij tot het nemen van de gepaste juridische maatregelen.

3.8 Het kantoor van betrokkene heeft klaagster uiteindelijk gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam. In dat geding wordt een bedrag van ¦ 15.000,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke interest en buitengerechtelijke incassokosten.

De gevorderde hoofdsom betreft uitsluitend gederfde winst. Alle door (het kantoor van) betrokkene voor klaagster verrichte werkzaamheden zijn gedeclareerd en betaald.

4. De klacht

4.1 De in het klaagschrift geformuleerde klacht houdt in dat betrokkene probeert klaagster te houden aan een beweerdelijke duurovereenkomst, zulks tegen de uitdrukkelijke wens van klaagster en onder dreiging van een schadeclaim. Klaagster meent dat betrokkene misbruik maakt van zijn oorspronkelijke vertrouwensrelatie, van zijn positie als registeraccountant en de afhankelijkheid van klaagster. Klaagster stelt dat betrokkene artikel 5 GBR-1994 heeft overtreden en de eer van de stand der registeraccountants heeft geschonden.

4.2 Ter zitting is bovendien geklaagd over het door betrokkene ongevraagd wraken van de voorzitter van de Raad voor Geschillen van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants en vervolgens suggereren dit voor klaagster te doen. Klaagster meent dat deze handelwijze in strijd met de eer van de stand van de registeraccountants is.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Betrokkene heeft geweigerd te bewilligen in de eenzijdige opzegging door klaagster van de tussen partijen bestaande contractuele relatie en heeft klaagster laten weten deze te zullen continueren voor het lopende boekjaar. De opzegging vond haar grond in de omstandigheid dat klaagster het vertrouwen in betrokkene had verloren.

5.2 Reeds uit de eigen algemene voorwaarden van betrokkene volgt dat voor diens weigering van de opzegging geen plaats was.

5.3 Daarenboven overweegt de Raad dat in de relatie tussen een accountant en zijn cliënt wederzijds vertrouwen van essentieel belang is. Indien dat ontbreekt kan een accountant niet van zijn cliënt verlangen de relatie tegen diens wil te continueren.

5.4 Bijgevolg had betrokkene de opzegging niet mogen weigeren. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.

5.5 Voor zover klaagster bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de zaak nog nieuwe klachtonderdelen aan haar klacht heeft toegevoegd, dienen deze buiten beschouwing te blijven. Het eerst ter zitting naar voren brengen van klachten moet immers in strijd worden geacht met een goede procesorde.

5.6 Ter zake van het gegrond bevonden onderdeel van de klacht dient, gezien de aard en de ernst van de door betrokkene begane misslag en gelet op alle overige omstandigheden die in dit geding zijn komen vast te staan, aan hem de na te melden maatregel als passend te worden opgelegd.

6. De beslissing

De Raad:

Verklaart de klacht gegrond in voege als in het vorenstaande omschreven.

Legt te dier zake de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Verklaart de klacht voor al het overige ongegrond.

Aldus beslist door Mr J.H.M. Willems, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en H.G. Dix RA, leden, in tegenwoordigheid van Mr F.R. Hage als secretaris en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002.

De secretaris is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Vorozitter.